39.
Aantekeningen uit correspondentie,
juli – augustus 2010

Pieter Wisse

39.1
Gefeliciteerd en bedankt!! De term foptie stond nog niet op de lijst. Ik heb ‘m meteen toegevoegd en als de volgende versie van het artikeltje (over) Fopvatting verschijnt, staat ‘ie er dus bij.
Wat zijn suggestie betreft, erop ingaan, zou ik zeggen. Het is weliswaar een beduidend minder spectaculair resultaat dan je uitvinding van de term foptie, maar desondanks feliciteer ik je óók met wat je vooral als zijn serieuze handreiking moet zien (ook al is het anders bedoeld, maar daarvan hoef je je niets aan te trekken en wie weet heb je er gewoon weer een oprechte fan bij; je kunt bijvoorbeeld zijn bericht alvast ter informatie doorsturen aan de forumvoorzitter, uiteraard met dankbaar afschrift aan hemzelf; dan kan hij moeilijker terug ...; je collega ziet ook nog weleens iemand, vandaar meteen maar afschrift aan haar van dit bericht ...).
Voor een verduidelijkend conceptueel model hebben we het meeste allang beschikbaar ..., maar dat hoeven we daar niet (meteen) te vertellen. Ik heb zojuist kort gekeken en zag dat het “aantal beschrijvingen in de Stelselcatalogus” nog altijd karig is. Zeg ook maar, overzichtelijk. Zelfs dat kan interessant worden. Neem Europees kiesrecht, ik doe zomaar een greep. Als je dat stelselmatig doet, breng je eerst tot uitdrukking waarvoor mensen (kunnen) stemmen. Het Europees Parlement is dan slechts een ..., ja, daar is ‘ie, optie. Enzovoort. Het zou helpen, als die andere man een beetje mag meedoen; hij snapt volgens mij al aardig dat je op de stelselmatige manier allerlei verschijnselen in als het ware omgekeerde volgorde bekijkt (vergeleken met ad hoc modellering). Verder moeten we het stelselmatige resultaat zowel afmeten aan wat er in de Stelselcatalogus staat, als aan het oorspronkelijke logisch ontwerp per basisregistratie. Dat maakt geheid opmerkelijke verschillen ertussen zichtbaar. Hoezo geautomatiseerde Digilevering via Stelselcatalogus?

39.2
Hoe de “oplossingsrichtingen” in het verslag verwoord zijn, ademt m.i. onnodig eenzijdig nog de insteek volgens de (centrale) catalogus. Volgens mij begonnen de mGBA-vertegenwoordigers zich pas enthousiast te roeren, toen zij doorkregen dat wij eigenlijk als meestbelovend alternatief eigen ontwikkelruimte per basisregistratie voorstellen, waarvoor niet langer van buitenaf uniformering van van alles en nog wat opgelegd — zo wordt dat steevast ervaren, terecht of niet — wordt, maar dat je alleréérst moet kijken naar wat nodig en voldoende is voor koppelbaarheid. Precies, dat is gewoon een ander woord voor interoperabiliteit. Wie wil niet meewerken aan koppelbaarheid vanuit resp. behoud van zijn eigen, nota bene terechte accenten? Precies, dat is gewoon een ander woord voor contexten.
Dus, versterk zonodig de ontwikkeling pèr basisregistratie, of voeg in elk geval geen belemmeringen toe. Erken dus ook afwijkende semantische ordeningen tussen basisregistraties. Stimuleer publicatie door elke basisregistratie van eigen catalogus inclusief index van, nota bene, beschikbare informatiediensten. Voor een zgn enkelvoudige bevraging kan een afnemer zeker voorlopig het beste, zo niet uitsluitend direct bij de basisregistratie in kwestie terecht. Erbovenop, maar met minder voorrang, vestig samenhang tussen resp. verzoen eventuele betekenisverschillen in een stelselmatig informatiemodel. Onderzoek hoe daarop een voorziening gebaseerd kan worden ter facilitering van zgn samengestelde bevragingen, dwz naar informatie uit twee of méér (basis)registraties. Die is dan natuurlijk ook geschikt voor enkelvoudige bevragingen.
Verder is mijn idee, dat we ons voorlopig juist niet druk hoeven te maken om “hoe hij een aantal beschrijvingen ziet.” Want als we hem dat voorafgaand aan concrete modellen proberen toe te lichten, verzanden we wederom in schijndiscussie op zijn voorwaarden ... Dat overleven we niet. We vatten zijn verzoek zo op, dat we aan de slag gaan. Via die opening moeten we daar resultaten produceren die wijzèlf stelselmatig relevant achten. Als ze klaar zijn, leggen we (pas) uit waaròm we dat zo deden. We kunnen altijd de deelnemer die zich tijdens de bijeenkomst zo ronduit vóór metapatroon uitsprak, vragen of hij aanschuift bij zo’n sessie!

39.3
Mijn vermoeden is, dat hij die samenhang niet beseft. En dat komt dan weer, zo vermoed ik verder, omdat hij dogmatisch is. Daarmee bedoel ik, dat hij niet herkent dat axioma’s ook maar variabel zijn. Naar mijn idee klopt aardig wat ik in Axiomatische informatiekunde schreef over wat hij als informatiekundige uitgangspunten presenteert. Ik beschouw ze als enkele stellingen. Om verband ertùssen te beredeneren zijn uitgangspunten met de status van axioma nodig. De nodige en voldoende axioma’s inclusief hun onderlinge samenhang vormen een paradigma.
Het verwarrende van termen zoals afbeeldings- en besturingsparadigma vind ik dat de bijbehorende verklarings- annex handelingskaders informatiekundig niet fundamenteel en daarom productief genoeg zijn. De semiotische enneade is alweer veel axiomatischer en volgens dezelfde verhoudingen als die ik in Axiomatische informatiekunde schetste, valt het zgn besturingsparadigma als een stelling ervan af te leiden/op te baseren.
Het gevaar met overijlde etikettering met paradigma is, dat wat je op ruimere schaal reëler als stellingen e.d. kunt poneren, op voorhand zònder samenhang ziet. Zeg ook maar dat enig verschil ertussen prompt absoluut voor het geheel geldt. Nota bene, dergelijke stigmatisering kan metapatroon helpen bestrijden. Een verschil moet onmiddellijk prikkel zijn voor erkenning van netzo reële samenhang. Sterker nog, samenhang van verschil is verschil van samenhang.
Hij geeft m.i. ook zijn theorie van informatieruimte vlot en ten onrechte de status van paradigma. Dat lijkt mij althans de enige verklaring ervoor, waarom hij niet eens op zoek lijkt te gaan naar verschil èn overeenkomst met andere modelletjes. Daar zit stellig de behoefte aan erkenning achter. In onze cultuur lijkt de vernieuwer — ik weet inmiddels wel beter — op glorie enz. te mogen rekenen. Er vallen vooral slachtoffers, maar de illusie blijft gedrag beheersen.
Omdat een teken een verzoek tot inschikkelijkheid is, wordt het etiket nieuw te onpas gebruikt. Onderdeel van die communicatietruc moet natuurlijk zijn om elke suggestie te vermijden, dat het nieuwe feitelijk allang bestaat en dus helemaal niet nieuw is. Narcissus is een jaloers ventje. Naarmate die behoefte aan erkenning individueler geldt, gebeurt dat geheid onbewuster.
Je visuele weergave van overeenkomsten die – over behoefte aan erkenning gesproken; zie ook verderop – ik je suggereerde tussen besturings-, afbeeldings-, informatieruimte- en triadisch semiotiekparadigma, is duidelijk, ja, zo had ik het op een kladje ook ongeveer getekend, maar kan pas overtuigen vanuit een omvattender paradigma. Daar komt hij volgens mij helaas nooit aan toe. Want wat zou weleens zijn daadwerkelijke “worsteling” kunnen zijn? Jij noemt het “met deze materie.” Als je daarmee bedoelt dat hij het redelijk op een rijtje probeert te krijgen, klopt dat volgens mij niet. Nogmaals, hij ziet dat rijtje helemaal niet. Waarop hij zich concentreert is iets dat apàrt helemaal nieuw moet zijn teneinde zijn behoefte te vervullen. Dat is sociaal-professioneel juist volkomen ònredelijk en persoonlijk dus tragisch. Niets is helemaal nieuw. Die behoefte valt principieel onmogelijk te bevredigen. Overigens kan het lukken om enige tijd de (zelf)schijn te wekken. Daarvoor zijn mensen nodig die op hun beurt de behoefte hebben ergens in te geloven. Mensen die aldus elkaar “gevangen” houden, blijken dat vooral in een zgn welvaartsstaat vaak nog behoorlijk lang te kunnen volhouden. Waardevolle bijdragen aan evenwichtige verhoudingen in maatschappelijk verkeer, voor algemeen belang enzovoort kan echter niemand ermee leveren.
Als hij je geen antwoordbericht stuurt op je uitnodiging tot commentaar, moet je dat natuurlijk óók als teken opvatten. Tja, wat gaat er gebeuren? Ik vind het in elk geval weer mooi, dat je opbouwende pogingen tot verstandhouding blijft ondernemen. Voor een netzo opbouwende reactie moet hij inderdaad die sprong naar een omvattender kader als paradigma maken. Die kans acht ik dus, helaas, afwezig.
Hoe dan ook kan je jouw vergelijkende schetsen publiceren op je eigen website. Je hoeft er maar weinig aan te veranderen. Zeker omdat je er een m.i. wetenschappelijk resultaat mee documenteert — voor èlke publicatie vind ik het overigens passen bij evenwichtige verhoudingen — hoort er minstens een voetnoot oid bij waarin je uitlegt dat je idee ervoor niet ... nieuw is, maar dat je het van mij hebt. Via die verwijzing kan de lezer dan mijn werk raadplegen, waar z/hij netzo reëel aangegeven ziet staan wat ik op mijn beurt ontleende aan andere auteurs. Zo hebben we allemaal behoefte aan erkenning. Die is volgens mij gezond, als we daarvoor onze samenwerking bevorderen en op die manier beter resultaat (lees: waar we allemaal wat aan hebben) bereiken. Ontkenning van reële bijdragen door iemand anders is alom ongezond. Kijk naar wat uitdraait op het isolement met zijn zgn nieuwe theorie.
Ter aanvulling moet ik uiteraard opmerken, dat het verwachtingspatroon van mensen inmiddels zodanig ingesteld is, dat zij eerder wantrouwen wat niet radicaal als nieuw wordt geafficheerd. Zo raakt evenwichtige vernieuwing, dus met dito waardering voor continuïteit, in het slop. Want wat nieuw heet, is het meestal niet en mislukt daarom onvermijdelijk als oplossing voor wat aan vraagstukken resp. kansen wel degelijk nieuw is. Oude wijn in nieuwe zakken helpt niet als schoonmaakmiddel. Werkzaam mengsel van continuïteit en noodzakelijkerwijs ècht nieuw krijgt echter geen kans; dat valt reeds àf tijdens de valse selectie op retoriek.
Als verwant punt, heb jij al meer kunnen ontdekken over dat nieuwe plan van je collega? Biedt het op evenwichtige manier per saldo reële verbetering, of wakkert uitvoering slechts verwarring aan omdat hij daarin nieuw noemt wat allang oud is en waarover (dus) ervaring bestaat dat het niet werkt?
[zie ook aantekening 38.119]

39.4
Nav zijn opmerkingen wijs ik er graag op, dat je een verslag opstelde, geen plan. Als verslag moet de inhoud redelijk weergeven wat daadwerkelijk gezegd is. Wat hij m.i. toevoegt, is in één moeite door een analyse of dat wel klopt èn daarop gebaseerd plan.
Daar moet je minstens tweetraps-documentatie van maken. Dus eerst het verslag en dan apart eventueel een nadere analyse met verdere suggesties. Overigens geef ik de voorkeur eraan, als dat project aan zet blijft wat formulering van oplossingsrichtingen voor de Stelselcatalogus betreft. Daarop hebben wij dan commentaar, voilà, konijn, zijn analyse.
Als BFS zich in dit stadium te direct met concrete “oplossingsrichtingen” bemoeit, gaan zij zich prompt (weer) verschuilen achter hun opdrachtrelatie. Volgens mij hebben we trouwens ook niet meer of minder afgesproken dan 1. eens kijken of we met contextuele verbijzondering kunnen verduidelijken wat er in de Stelselcatalogus zit/moet en 2. eens kijken of het metamodel dat mGBA biedt inderdaad kan helpen om basisregistraties vooral hun eigen gang te laten gaan, terwijl je ondanks modelverschillen ertussen toch overzicht kunt faciliteren. Bij dat tweede punt hebben wij meteen in ons hoofd om dat kijken vanuit het perspectief van contextuele verbijzondering te doen. Dat hebben we echter niet zo uitgesproken, want als dat nodig blijkt, merken ze het wel.

39.5
Met je opmerkingen over business rules in je notitie 2010.03.03 ben ik het graag eens. Dezelfde redenering gaat m.i. op voor objectgerichtheid. Oorspronkelijk dacht ik dat daarmee werkelijkheidsobjecten bedoeld werden, maar dat bleken louter verwerkingsobjecten te zijn. Zoals met die zgn business rules vormt de techniek dus het referentiekader. Hoewel ik jou die overeenkomst tussen business rules en objectoriëntatie niet expliciet zie leggen, komen verderop jouw notities .34 en .35 daar m.i. óók op neer.
Overigens geldt alom ook nogeens een beperkte kijk op die techniek. Zoals we via metapatroon ontdekken, kan die techniek méér variëteit aan. Maar dat herken je pas door de werkelijkheid niet langer te beschouwen als verzameling atomaire objecten, wèl als interdependente situationele gedragingen.
Daar kan je collega niet bij, dus vergeet hij — hoe intrigerend hij die wellicht ook vond — zijn kennismaking met metapatroon liever om de innerlijke confrontatie te vermijden dat hij niet of nauwelijks zinvol bezig is. Nee, hij nam (dus) geen contact met mij op. Precies, wat niet past, verklaart hij buiten zijn kader. Omdat hij zich niet van die beperkingsslag bewust is, verwart hij zijn kader met hèt kader. Wie hem onkritisch toehoort, gelooft dat vervolgens ook. Daar zijn jij en ik kansloos met reële nuances en nota bene een kader dat zulke variëteit faciliteert. Teleurstellend? Ja, natuurlijk!
In je notitie .15 lees ik, dat je collega inderdaad een naïeve voorstelling van betekenis volgt. Door wat hij “een contextuele ruimte” noemt, zijn betekenis voor zender en ontvanger “verbonden” in de zin van gelijke betekenis. Dat is weer vanuit techniek dezelfde omkering, in dit geval dat semantiek volgens syntactisch kader valt te duiden. Het levert daarom opnieuw onzin op. Heel praktisch: het werkt niet.
Je verspreide engelstalige notities in aflevering 2010.03 ontleend aan Semic-discussies vind ik èxtra indrukwekkend. Wat een spervuur fopvattingen kreeg je te verduren! Is het een idee, dat je die notities achter elkaar zet en BFS eens stuurt? Zo ja, vergeet niet te vermelden dat jouw correspondenten invloed op Semic hebben. Ze snappen bij BFS dan wel, dat die invloed contraproductief is.

39.6
Voor zover ik (kortweg) kon nagaan, is zijn wereldbeeld met informatieruimte alweer een stuk subjectiever dan wat o.a. Burge ervoor beweert. Daar zoekt hij dus tevergeefs naar steun. Omdat hij een overkoepelend verklaringsschema mist, kan hij echter niet precies de verschillen èn overeenkomsten aanwijzen. Het dia-enneadische model komt hier prima van pas, maar ja. Dat draait er dus op uit, dat hij Burge’s werk prompt vergeet (lees ook: ontkent), zodat hij met zijn eigen werk verder kan. Daarbij mist hij dus de gelegenheid om daarin beperkingen op het spoor te komen. Je mag dus aannemen dat hij juist zsm laat vallen wat hem niet past, maar dat jij daarover zelfs nooit iets van hem verneemt, of het moet zijn dat je op een reactie blijft aandringen en hij jou graag aan een cursus wil laten deelnemen. Het lijkt me trouwens niet, dat je er wijzer van wordt. Daarom kan je dergelijke verzoeken tot inschikkelijkheid beter ... vergeten.

39.7
Tijdens mijn recente onderzoek voor en schrijfwerk aan Infrastructuur op een briefje ontdekte ik een kladtekst voor wat ik als Reële verhoudingen daadwerkelijk stuurde aan de president van de Algemene Rekenkamer:
Hoe vaker ik uw brief van 21 augustus 2008 lees, des te onbegrijpelijker vind ik hem. Ik krijg de indruk dat uw medewerker drs. T. W., de kennelijke opsteller, meent dat mijn eerdere brief aan u “de achterliggende oorzaken van problemen met (grote) ICT-projecten bij de overheid” niet behandelt. Dat doe ik daar met nadruk op kenmerkende factoren nu juist wèl! Omdat ik graag uitga van goede wil bij uw medewerker, moet het onbenul zijn dat z/hij dat niet herkent. Vervolgens had u wat beter moeten opletten met ondertekening.
Het is natuurlijk beproefd de gemakkelijkste uitweg om inhoudelijke reactie te ontwijken: U verklaart eenzijdig mijn opmerkingen niet van toepassing, voilà, u hoeft nergens over na te denken en helemaal niets aan uw werkwijze enzovoort te veranderen. Omdat er geen beroepsmogelijkheid bestaat, kunt u het zich veroorloven mijn eerdere brief aldus feitelijk ònbeantwoord te laten. Dat had ook eenvoudiger gekund.
Met een vergelijking doe ik nog een poging u tot opbouwende actie te bewegen. Die projecten mislukken steevast, omdat èlk project zichzelf beschouwt als een aparte planeet en nota bene ook nog eens zonder besef van bolvorm. Dat leidt dus tot allemaal platte aardetjes, navenant zonder onderlinge samenhang. Met uw aanbevelingen voor “welke stappen gezet kunnen worden om tot een betere besturing van die projecten te komen” gaat u onverkort méé met die beperkte wereldbeeldjes. Als het meezit, maakt het niets uit indien aan uw aanbevelingen gehoor gegeven wordt, maar vrijwel zeker raakt de plattige apartheid erdoor verder versterkt.
Nu heb ik u toegelicht, zie mijn eerdere brief, dat we samen op één aarde leven en dat zij bolvormig is. Volgens mevrouw of meneer W. zou ik daar weleens gelijk in kunnen hebben, maar ja, “het onderzoek ging niet over d[i]e vraag.” Kijk, als u werkelijk op zoek bent naar “de achterliggende oorzaken” zijn ze uiteraard onmogelijk achterliggender in de zin van fundamenteel voorstelbaar dan …, precies, dan wat ik aangeef. U kunt aanbevelingen doen voor verbeterde besturing van projecten, maar het wézenlijke probleem vormt nu juist wat als projecten geldt.
Wat vindt u zèlf een reële bijdrage? Houdt u vol met irrelevante, stellig zelfs averechtse aanbevelingen op basis van gemankeerde analyse? Of benut u uw onafhankelijke positie, overigens gefinancierd door ondermeer mijn belastingafdrachten, om zonodig principieel de onderzoekvraag die u gesteld kreeg te ‘verbeteren’?
In dit verband merk ik tevens op, dat uw ‘veilige’ interpretatie van wat de Tweede Kamer u vroeg weleens zou kunnen afwijken van wat de leden van de Tweede Kamer bedoelden. Als zij merken dat u achterhaalde wereldbeeldjes bestendigt, toont u allesbehalve toegevoegde waarde van de Algemene Rekenkamer aan. U ondertekent de brief aan mij waarin staat dat “de vraag niet aan de orde [was] of Nederland bezig is om de juiste stappen te zetten op weg naar een overheidsinformatievoorziening die recht doet aan de stand van de digitale technologie en die bijdraagt aan een verbeterde dienstverlening door de overheid.” Ervan afgezien dat ik die passage als poging tot samenvatting van mijn standpunt niet geheel gelukt acht, wat vindt u nu zèlf? Vormt dat niet het doel, waarvoor projecten middel zijn?

39.8
Persoonlijk informatieeigendom vormt een praktisch verdwijnpunt van infrastructuur voor informatieverkeer. Ik kies een radicaal geëmancipeerd beginsel: persoonsinformatie is eigendom van de persoon in kwestie. Dus, persoonsinformatie is persoonlijk eigendom.
Daardoor verdwijnt reële complexiteit/variëteit natuurlijk niet. Mijn idee is wèl dat daarmee een (veel) minder problematisch informatiestelsel ingericht kan worden. Hoe dan ook, gelet op de huidige problemen en wat we mogen verwachten volgens ongewijzigde (beleids)koers lijkt het mij de moeite waard eens een alternatief grondig te overwegen.
Dat strakke beginsel annex uitgangspunt voor informatieeigendom plus de aanzet voor noodzakelijke nuancering tot (nieuw) evenwicht staat beknopt uitgewerkt in Manifest voor informatieverkeer.
Ik besef terdege de kwetsbaarheid van het uitgangspunt van persoonlijk informatieeigendom. Nogal wat bezwaren zijn volkomen redelijk volgens het ene paradigma, ... terwijl er juist behoefte bestaat aan een ànder paradigma. Kritiek op een peer zegt vaak weinig over een appel. Ik bedoel ermee dat opgebrachte bezwaren doorgaans beperkte geldigheid hebben. Dergelijk inzicht veronderstelt echter nogal wat relativeringsvermogen.
Elke vergelijking schiet ooit tekort. Het risico van het woordgebruik 'eigendom' is inderdaad dat tegenwoordig nog de vergelijking met materiële goederen onontkoombaar is, zeker in eerste aanleg. De aparte bedoeling van zo'n metafoor is natuurlijk ook om via transpositie zoveel mogelijk begrippen en hun samenhang te hèrgebruiken. De valkuil (waarvan ik mij dus bewust ben, maar wat is het alternatief?) is dat het principieel afwijkende karakter van het àndere paradigma nooit erkenning krijgt. Dat verklaart waarom wèrkelijke paradigma’s elkaar zo langzaam afwisselen, … als het al lukt. Wat ik maar wil zeggen, is dat informatieeigendom een karakteristiek referentiekader behoeft. Ervaring leert dat juist openheid voor een ànder uitgangspunt leidt tot nieuw evenwicht. De oorzaak van doormodderen blijkt vaak een aanname die achterhaald geraakt is (als die ooit al klopte, maar goed). Mijn suggestie luidt om, nota bene voorlopig slechts als denkoefening, dat klassieke model even zoveel mogelijk te vergeten. Voor een ànder paradigma propageer ik inderdaad zgn informationele zelfbeschikking als leidraad, waarvoor persoonlijk informatieeigendom dan uitgangspunt vormt. Nota bene, vanwege het immateriële karakter van informatie in de zin van betekenis ontkomen we niet aan een principieel passende benadering.
Opschorting van het materiële eigendomsbegrip en van wat daaruit als bezwaren voortkomt voor het begrip van immateriële informatie enzovoort, bevordert de vruchtbare problematisering en ontwikkeling van informatieeigendom als maatschappelijk relevant begrip. Ik weet (ook) nog helemaal niet wat daaruit komt. Wel herken ik scherp dat informatieverkeer op maatschappelijke schaal alsmaar onbeheersbaar wordt. Op die schaal is aan de orde wat ik civiele informatiekunde noem (terwijl iedereen aparte systeempjes blijft maken en gebruiken, waarna de verbazing toeslaat dat ze geen samenhang vertonen). Informatieeigendom is overigens geen totaal onontgonnen begrip. Maar 'de intellectuele eigendom' volgens octrooi- en auteursrecht lijken niet radicaal genoeg als uitgangspunt voor een genuanceerd stelsel voor informatieverkeer.
Tenslotte, voor alle duidelijkheid, wat mij betreft behoeft toekenning van informatie-eigendom aan de persoon in kwestie helemaal geen pùnt in de wet- en regelgeving te zijn (ook al omdat ik niet zie hoe dat praktisch gaat lukken; in elk geval maak ik dat niet meer mee). Het uitgangspunt geldt daarom primair als een perspectivisch ofwel verdwijnpunt. Over een paradigmawissel gesproken, dat punt ligt/blijft als het ware buiten de afbeelding, maar verschaft juist daardoor ordening voor alles erin. Dus, zodra we maar doen alsof de persoon daadwerkelijk informatieeigenaar is, raakt beheersbare samenhang tussen allerlei feitelijke stelselvoorzieningen gevestigd. Waarom over principes strijden als het praktisch lukt?
[op uitnodiging van het Genootschap van InformatieArchitecten hield ik op 8 mei 2008 een voordracht die ik met bovenstaande tekst positioneerde; bewerkt voor deze aantekening]

39.9
Er was een tijd dat je voor aanschaf van een computer langs moest bij de Rijkskantoormachinecentrale. Nee, zei dan een meneer, nee, voor wat u ermee wilt valt de bezettingsgraad van de machine te laag uit. Met dergelijke afwijzende adviezen is de aanzet van de elektronische overheid jarenlang opgehouden.
[2003]

39.10
Moet u zich eens voorstellen, dat herbruikbare energie bestaat. Wetenschapsverzinsel of niet, zo’n verschijnsel verdient zeker hoofdletters. Dat levert HE als afkorting op. Een bijbehorend tijdperk is vlot aangekondigd: de HE-samenleving. Ja, benutting van herbruikbare energie vergt technologie, ofwel HET. Alom opgeschoten HET-leveranciers en verdere dienstverleners zoals HET-architecten hameren op strategisch voordeel dat bedrijven uit de technologie kunnen, neen, moeten putten. Maar dan verschijnt in een bedrijfstijdschrift met wereldwijde lezerskring het artikel HET maakt niets uit.

Dat is een handig gekozen titel in een netzo uitgekiend medium, want zo is aandacht gegarandeerd. En ophef, veel ophef. Zij het natuurlijk niet over HET, is dat precies wat er gebeurde met het tegendraadse artikel IT Doesn’t Matter dat Nicolas Carr publiceerde in Harvard Business Review (mei 2003). Daarin beweert Carr dat de strategische betekenis van informatietechnologie (IT) inmiddels verwaarloosbaar is. Diezelfde boodschap brengt hij even later wat extra toegelicht in zijn boek(je) Does IT Matter? Information Technology and the Corrosion of Competitive Advantage (Harvard Business School Press, 2004). Negatieve reacties zijn voorspelbaar. Menigeen blijkt Carrs verhaal zelfs ronduit gevaarlijk te vinden. Hij zou managers er ten onrechte mee aansporen hun bestedingen voor informatietechnologie te staken.

Dergelijke kritiek doet geen recht aan Carrs nuchtere redenering met als conclusie dat ‘het’ niets uitmaakt. Aan de hand van genoemde boekpublicatie ga ik hier allereerst zijn voornaamste argumenten na. Ik ben het met hem eens dat ‘het’ strategisch niet meer zo telt. Daarna voeg ik enkele argumenten toe, die zijn conclusie nog versterken. Want Carr hanteert strikt het perspectief van een enkel bedrijf met zijn strategische ruimte. Maar zodra het infrastructurele potentieel van een technologiestroming duidelijk is, en nu geldt dat dus bij uitstek voor informatietechnologie, raakt overheid onherroepelijk betrokken. Haar actieve sturing van infrastructuur bedoelt een concurrentiefactor te elimineren, opdat de totale maatschappelijke kwaliteit vermeerdert.
[oefening voor aanhef van Strategische verschuiving door moment(um) van infrastructuur]

39.11
Ik schreef het zoveelste artikeltje om te verklaren dat metapatroon past in een filosofisch-taalkundige traditie van erkenning van expliciete context, zie Semantische kans door financiële crisis? Dat is echter nog steeds een marginale traditie. De veranderopgave is dus om er voor informatieverkeer op open schaal de hoofdstroom van te maken. Daar is o.a. de stap of zelfs sprong voor nodig om informatiekunde vooral als filosofisch-taalkundige discipline te beschouwen.

39.12
Je stelt een oplossing voor voor precies de problemen/kansen die zijzèlf opperden. Zo kom je er gauw genoeg achter, of ze eigenlijk fopperden. Hopelijk niet, sterkte ...!

39.13
Hoe dat met jouw voorstel loopt, illustreert volgens mij hoe onbenul heerst. Wie het ontbreekt aan professionele kennis als gedragsbasis, gaat zich voor zijn positie angstig oriënteren op persoonlijke relaties.

39.14
Het aardige van contextuele verbijzondering is natuurlijk dat je ook de betekenis van ... context kunt verbijzonderen. Om dat te waarderen moet je m.i. echter gevorderd ontwerper zijn. Daarom vermijd ikzelf in een tekst over metapatroon vermelding van context in andere betekenissen en beperk ik me tot de metapatroonbetekenis.
Nadat ik me gaandeweg behoorlijk was gaan ergeren aan de complete afwezigheid van verwijzingen naar mijn werk, besefte ik (pas) dat ik jouw vermelding van “wij” en “ons” kan/moet lezen als jouw hartelijke uitnodiging aan mij om je co-auteur te zijn. Ik geef echter de voorkeur eraan dat het jouw artikel is en blijft. Dat lijkt mij voor ons allebei beter. Daar hoort wel bij, meen ik verder, dat je tevens op wezenlijke details expliciete verwijzingen naar mijn werk opneemt.
Je stelling dat een passend nieuw paradigma nog niet ontwikkeld werd, klopt niet! Zo’n paradigma voor conceptueel informatiemodelleren is nota bene wèl ontwikkeld. Dat is metapatroon. Daarvoor gebruik ik ook letterlijk de aanduiding paradigma; zie literatuur.
Die aanname doe je volgens mij vanuit de … aanname volgens tot dusver gangbare modelleermethoden. Omdat metapatroon betekenissen laat verbijzonderen naar context (en tijd), kan je domeinen juist wèl onder één ontwerphorizon vatten. Daarvoor moet je zonodig ook zgn objectiviteit vergeten. Als rijker paradigma ontwikkelde ik subjective situationism; opnieuw, zie literatuur zoals Semiosis & Sign Exchange: design for a subjective situationism.
Je kunt eraan toevoegen dat NIAM e.d. zich wat oriëntatie op natuurlijke taal beperken tot een wel erg ... kunstmatige selectie. Als de zgn natuurlijke zin niet transformeerbaar is naar een uitdrukking volgens eerste-orde logica, valt hij prompt af. Over bias gesproken. Zie ook mijn column Bescheidenheid die ik wijdde aan het boek Universele Informatiekunde door G.M. Nijssen (bedenker van NIAM).
Volgens mij heb je het fundamenteler over nodeloos beperkende aannames. Wat je aan metapatroon ziet, is dat je zonder zulke valse aannames op reële stelselschaal tevens doelmatigheidswinst boekt met schematisering. Jij verzet je daar tot dusver tegen, althans zo ervaar ik dat, met als argument dat modelleurs een andere schematechniek niet accepteren. Zo blijf je modderen. Je moet kijken naar de reële opgave en daarvoor passend gereedschap benutten.
Wat ze dus nog niet inzien, is dat interoperabiliteit allang onlosmakelijk onderdeel vormt van hun werkelijkheid. Zulk inzicht vergt een paradigmasprong en daarom is het zo lastig om iemand stelselmatig modelleren aan zijn verstand te peuteren.
Je houdt vast aan een model als geheel, met daarvan de ènkele context. Dat kan je als startpunt inderdaad doen. Maar contextualisering voor reële interoperabiliteit vergt contextualisering van èlk modelknooppunt ... waarvoor andere knooppunten nodig zijn ... en voordat je het weet ontkom je niet aan modelleren vanuit stelselmatig uitgangspunt ipv wat jij voorstelt als verzoening van overgeleverde modellen.
Naar mijn idee vertegenwoordigt de asymptoot nota bene géén contextònafhankelijkheid, maar juist het radicale tegendeel, dwz interdependentie. Zie mijn opstel Ontology for interdependency: steps to an ecology of information management.
Het model is volgens mij geen aandrijvende kracht, maar veeleer een ontmoetingsplaats. De ontwerper ervan drijft de oorspronkelijke modellen ernaar toe, nadat hij ze ter voorbereiding apart al transformeerde.
Wat je conceptueel behandelt, speelt zich af in het verlengde van wat je als bias schetst van, zeg maar, grammaticale varianten. Daardoor dreig je een conceptuele bias over het hoofd te zien.
Waarom je niet zelfs nadrukkelijk verwijst naar mijn werk over niet-overerving begrijp ik niet. Dat idee om er zo ànders tegenaan te kijken heb je toch van mij?
Wat je vergeet te noemen, is dat je niet zomaar confronteert. Je schept een ruimer kader met passende variëteit voor projectie van de voorheen aparte modellen. Dat kader kàn je slechts bruikbaar opstellen vanuit stelselmatige oriëntatie.
Voor de zoveelste keer, zie metapatroon … Ik maak er bezwaar tegen dat je doet alsof je het zelf verzint. Indien je meent dat het evenmin mijn originele bijdrage is, moet je aangeven waar zulke ideeën volgens jou dan wèl vandaan komen.
Alweer zo’n bekend woord, horizon. Waarom doe je het niet zo? Je geeft allereerst een samenvatting van metapatroon, waarna je de methode toepast op de opgave die jij ziet.
In lijn met wat je eerder opmerkte, zou je technische interoperabiliteit vooral met efficiency kunnen associëren en semantische vooral met effectiviteit. De afweging is dan geen kwestie van het ene of andere interoperabiliteitsaspect, zoals technische òf semantische, maar van zoiets als integrale interoperabiliteit.
Wat wezenlijk verschilt is het paradigma in filosofische zin. Daarover maak jij eerder tot mijn genoegen ook enkele opmerkingen. Je kunt metapatroon inderdaad schetsen als radicale vorm van wat we al kennen als relationele modellering, maar daar komt metapatroon niet vandaan. De oorsprong ligt in het zien van de wereld als door-en-door interdependent. En pas volgens die zienswijze heb je er iets aan. Die combinatie van wereldbeeld met beschrijvingsmethode is anders, productief voor stelselmatigheid.
Je bent dat pas zo (kunnen) gaan zien dankzij metapatroons radicalisme.
Het wezenlijke verschil, nogmaals, zit ‘m dus niet in die methoden zèlf, maar in de zienswijze waarmee ze benut worden. Elke methode met lijnen en punten werkt links- of rechtsom. De clou is oriëntatie voor hun bruikbare en zo verder naar optimale ordening.
Ik blijf erbij, dat je steeds herhaalt wat metapatroon is, zij het steeds als projectiedoel vanuit een andere methode. Voor verzoening levert dat precies, althans zolang als het lukt, het gewenste resultaat. Maar je referentiekader is en blijft metapatroon, punt. Dat verdient expliciete vermelding.
Wat je doet, is dat je Merode vermetapatroont, zoals je eerder ERD vermetapatroonde, UML vermetapatroonde ..., prima.
Precies! Daar ligt de crux, in zienswijze. De rest betreft slechts facilitering.
Voor verzoening van meerdere modellen ben je er dan nog niet. Wat voor een bepaalde toepassing volstaat als kader voor normalisatie, kan conflicteren met wat apart voor een andere toepassing met bijbehorende database nog adequaat was.
Ik heb de indruk dat je ook al bij je bespreking van Merode teveel naar een enkel model kijkt ipv wat je aankondigde te behandelen, te weten verzoening van meerdere van die modellen ... en dat het dan ook nogeens niets uitmaakt of ze met verschillende van die methoden gemodelleerd zijn.
Ik betreur de defensieve toon. Waarom zeg je niet, dat metapatroon informatievoorziening beheersbaar helpt krijgen op de schaal waarop interoperabiliteit het hoofdthema is? Daar moet elke serieuze professional toch op afspringen? Als jij ze dat niet aanbeveelt, van wie gaan ze het dan wèl aannemen?!

39.15
Wat een achterdeur betreft ben ik achterdochtig genoeg om te veronderstellen dat de AIVD die juist wèl in beveiligingsprogrammatuur wenst. Vind je dat niet logischer? Als dat zij daarvan zèlf de sleutel hebben, hebben ze er geen last van, terwijl andere mensen/organisaties die dezelfde programmatuur gaan gebruiken ..., nou ja, je begrijpt wat ik bedoel. Dat roept de vraag op, of die beleidsambtenaar dat met zijn afwijzing van open source meespeelde of gewoon naïef was. Ik vermoed het laatste en wie weet overschat ik überhaupt de AIVD wel schromelijk met die complottheorie.

39.16
De bedoeling met jouw artikel is nu juist om discussie op gang te brengen. Dus laten we die niet voorafgaand aan publicatie voeren. Wel meld ik, dat in deze versie je zin “Somehow, these developments have not led to recognition of new or evolved paradigms in the CIMing realm, even if at least one academic proposal is available [Wiss00].” nog steeds niet klopt. Metapatroon is méér dan een “proposal” en “academic” is het niet. Was het maar zo! Metapatroon, literatuur erover en programmatuurplatform heb ik allemaal zelf gefinancierd. Je mag aan gebrek aan acceptatie door markt en, inderdaad, academici niet de conclusie verbinden dat metapatroon nog niet bestaat of, vooruit, als het bestaat, dat het een academisch voorstel betreft. Wat wèl klopt, is: These developments have led Pieter Wisse to develop a new paradigm for conceptual information modeling called Metapattern. Als je daarover eerlijk en duidelijk bent, bevorder je acceptatie. Anders denken lezers toch gauw dat het jouw idee is. Zoals je aan mij kunt zien, lukt het de bedenker zèlf bijna nooit om andere mensen te overtuigen van zijn idee met de strekking van een heus nieuw paradigma. Als lezers dus de indruk krijgen, dat jijzèlf iets van ze wilt, haken ze af. Je schreef me eerder “dat [ik] de reus ben[...] op wiens schouders dit verhaal staat.” Afgezien ervan dat reuzen niet bestaan, wat heb ik aan zo’n zin? Als je acceptatie wilt helpen bevorderen, moet je mij dat niet persoonlijk schrijven, maar in je artikel. Dat hoeft niet, nota bene omdat ik publiekelijk mijn ego gestreeld wil zien. Mag natuurlijk wel. ;-) Maar mensen krijgen graag een vertrouwenwekkende aanbeveling. Als voorwaarde dat ‘ie vertrouwenwekkend overkomt, geldt dat een derde persoon die aanbeveling doet. Welke loodgieter schakel jij in? Is dat iemand die onverwacht bij jou aanbelt en je vertelt wat voor prima loodgieter z/hij is? Of neem je contact op met de loodgieter, waarover een vertrouwde kennis of vriend, iemand ànders dus, je liet weten zeer tevreden met haar/zijn werk te zijn? Dat is natuurlijk precies de reden, waarom jij ingeschakeld werd. Ik kan het wel jammer vinden, maar ‘onze’ opdrachtgever heeft helemaal gelijk dat mijn directe boodschap voor geen enkel gewicht heeft. Dat moest mijn-boodschap-in-jouw-boodschap worden, met de verschillende bijdragen (oorspronkelijk idee resp. onafhankelijk, gezaghebbend oordeel erover) duidelijk herkenbaar. Dat heeft ook gewerkt. En zo werkt het ook omgekeerd. Want mensen vinden vervolgens mij dan weer geloofwaardig, als ik ze als het zo uitkomt deelname aan jouw groep aanbeveel. Dàt is dus een reden waarom ik ernáást blijf, zelfs moet blijven, om voor ons allemaal per saldo effectief te zijn.
Daarom dring ik nogmaals bij je erop aan om verwijzingen naar de BFS-publicaties op te nemen. Netzogoed als het een feit is, dat metapatroon allang bestáát, is het een feit dat BFS de visie had om er een nieuwe koers voor interoperabiliteit mee te onderzoeken. Niet alleen is het dus eerlijk om dat te vermelden. Niet alleen is het ook voor jezelf altijd voordelig “to honour your sponsors.” Maar als je dat in je artikel aan de lezers uitlegt, wek je vooral vertrouwen ermee. Je verlicht hun verantwoordelijkheid om te beoordelen wat zijzèlf nog als nieuw ervaren. Zo nieuw is het immers dus niet, er is al naar gekeken, blablabla ..., dus wat is nu eigenlijk het risico met dat andere perspectief? Integendeel, zo suggereer je met vermelding van de BFS-resultaten, en terecht, feitelijk ligt er kant-en-klaar een gemakkelijk te benutten kàns.

39.17
Ja, precies, het gaat om evenwichtige verhoudingen. Daarvoor moeten deelnemers elkaar erkennen. Van hoe ik dat bepleit, maak je naar mijn smaak echter nog te veel een karikatuur. Blijkbaar herken je onvoldoende dat ik op veranderlijk evenwicht probeer te mikken, inderdaad “Metapattern-like.” Dagelijks taalgebruik hebben we daarvoor echter (nog?) niet of nauwelijks ontwikkeld, zodat het in dergelijke communicatie gauw mis gaat.
Wat ik zeker niet vind helpen, is dat jij je voor kennis van metapatroon blijkbaar niet op mijn geschreven werk oriënteert. Dus als jijzelf “er een verhaal over schrijft,” ervaar jij dat je ervoor o.a. door “de discussie” geïnspireerd bent, terwijl ik domweg herken ik datzelfde allang m.i. volstrekt duidelijk opgeschreven had. Wie houdt er nu “afstand”? Enerzijds vind ik het bewonderenswaardig wat je bijelkaar puzzelt op basis van gespreksflarden, oh ja, mijn vaak uitvoerige berichten e.d., anderzijds schiet het op die manier minder vlot op dan ik, nou ja, hoop en wat ik met artikelen en boeken meen te bevorderen. Als je naar “kwartjes” zoekt, vind je ze eerder waar iemand ze vindbaar op een rijtje klaarlegde. Maar goed, zo zie jij voor jezelf je leerstijl niet.
Wat jij in mijn antwoorden m.i. verwart met afstand, is dat ik weleens probeer je vraag te verleggen. Afhankelijk van de vraag krijg je inderdaad “geen rechtstreeks antwoord.” Dat gebeurt wanneer jijzelf weliswaar gelooft mij “een rechtstreekse vraag” gesteld te hebben, maar ik een nodeloos beperkende context bespeur. Die omgang zou je van mijn kant socratisch kunnen noemen en als je Plato erop naleest, kan je leren dat in zo’n aanvankelijke vraag vaak het verlangen naar absolute vastigheid tot uitdrukking komt. Dat ontmaskert Socrates steevast als een illusie en in wat hij aldus als open ruimte schept suggereert hij samenhangende verschillen. Dat heeft alles weg van ... contextuele verbijzondering, zij het dat het formalisme ontbreekt voor, praktisch onmisbaar in/voor de huidige informatiemaatschappij, stelselmatige variëteitbeheersing. Een àndere vraag is natuurlijk, in hoeverre allereerst zulke ontmaskering kan slagen. Het zekerheidsverlangen is immers doorgaans onbewust. Als je niet begrijpt waarmee Socrates bezig is, raak je tureluurs, ongeduldig, geërgerd, kwaad door classificatie op classificatie, herschikking, vooruit, nieuwe poging tot classificatie, enzovoort, enzovoort. Als je mijn antwoorden daarmee vergelijkt, mag jij je gelukkig prijzen. ;-)
Socrates lijkt duidelijkheid voortdurend te ontwijken. Die socratische, zeg ook maar, afstandelijkheid is echter schijn. Maar wie zijn behoefte aan absoluut geldige waarheid voor ... absoluut houdt, kan er niets mee. Sterker nog, vergeet ajb niet dat Socrates ter dood veroordeeld is op de aanklacht dat hij de Atheense jeugd bedierf. In de toenmalige politieke werkelijkheid zagen de heersers hun enkelvoudige ideologie bedreigd. Zo actueel is Plato’s werk. En zo lastig is bijgevolg verspreiding van een benadering voor evenwichtige verhoudingen in maatschappelijk (informatie)verkeer.
Juist Socrates komt met zijn, nota bene, methode daadwerkelijk nog het verst met verduidelijking, omdat hij betekenis zoveel mogelijk lokaliseert. Er resulteert pèr betekenis de geringste afstand. En dàt vormt noodzakelijke voorwaarde voor verhoudingen die zo evenwichtig mogelijk zijn. Maar ook over die verzameling verbijzonderde betekenissen weigert hij èlke uitspraak over volledigheid. Je weet het met de veranderlijke werkelijkheid gewoon nooit uitputtend, is zijn devies: wees zo open mogelijk over/voor verbijzonderingen, als je tenminste realistisch wilt zijn.
Het valt je hopelijk op, dat ik hierboven een verhaal schreef, waarvoor ik zelfs graag verwijs naar Socrates en Plato. Ik verwacht er voor acceptatie van, dat je nog serieuzer neemt wat er staat. Je hoeft je er ook geen zorgen over te maken, of “me parten speelt [...] dat ik nog steeds niet weet of de benadering die ik beschrijf overeenkomt met [de platoonse Socrates].” Ik heb Plato’s werk grondig bestudeerd en weet mijn interpretatie erdoor geschraagd. Dat is geen kwestie van òf zijn werk òf het mijne. Omdat deze tekst als mijn werk nu eenmaal het kader vormt, is het mijn opgave om daarin onze werken in evenwichtige verhouding te presenteren. Via die dialectiek help ik synthese.
Als praktisch criterium voor evenwichtigheid geldt volgens mij, dat de ànder de redelijkheid moet kunnen inzien van hoe haar/zijn werk door de auteur in kwestie gebruikt is. Dat gebruik hoeft dus niet te stroken, met wat die ànder ooit bedoelde. Vooral als je ervan afwijkt, moet je dat echter extra zorgvuldig verklaren. Nu kan ik Plato niet persoonlijk raadplegen, zodat ik me zelfs extra moet zien in te leven in wat hij bedoeld zou kùnnen hebben. Voor jouw artikel kan je mij ernaar vragen, wat je ook deed. Al krijg je zo’n directe reactie, als auteur interpreteer je die. Het blijft dus hoe dan ook inlevingsvermogen vragen om aan evenwichtige verhoudingen bij te dragen.
Meen je bijvoorbeeld dat ik je verzocht “mij als bedenker van wat er in het artikel staat” te vermelden? Ik opperde als suggestie, kijk ajb maar na, dat je eerst toelicht wat metapatroon is om met die begrippen vervolgens jouw probleemstelling te noemen, jouw analyse te verrichten en jouw aanbevelingen te doen. Ja, die toelichting komt dan “één-op-één uit Metapattern.” Nota bene, dat is louter die toelichting en zo is het toch ook als je reëel bent?! Dat maakt juist duidelijker dat de rest allemaal jouw verhaal is. Dat vind ik dus evenwichtiger dan zoals het staat in de versie die je me stuurde. Hoe jij daardoor in “een onmogelijke positie” kan raken, ontgaat me daarom. Ik houd het erop, dat je me te haastig antwoordde.
“[Jij] wil zaken inhoudelijk voor [je] rekening kunnen nemen,” verklaar je terecht. Ik probeer je een opzet voor te stellen die daaraan beter recht doet. Je laat dan scherper herkenbaar voor mijn rekening, wat ik inhoudelijk bijdroeg. Daarop dring ik terecht aan èn eveneens met veranderkundige argumenten. Vervolgens neem jij jouw bijdragen voor jouw rekening. Duidelijker kan niet, me dunkt.
Omdat het jouw artikel is en ons land hiervoor gelukkig vrij genoeg, hoef jij je niets van zo’n opmerking aan te trekken. Als je het zo houdt, kom ik er later wel mee als commentaar op de gepubliceerde versie. Zoals ik je als tweede reactie schreef: “De bedoeling met zo’n artikel is nu juist om discussie op gang te brengen. Dus laten we die niet voorafgaand aan publicatie voeren.”
Stel dat jij de relativiteitstheorie verzint met “allemaal [jouw] gedachtengangen” en die voor publicatie aanbiedt. Dan krijg je toch subiet te horen, dat iemand je vóór was?! Einstein? Ja, van zijn werk heb je weleens iets gehoord, antwoord je de redacteur. Maar je kent het eigenlijk niet en daarom beschouw je “de rol van [zijn] werk in [jouw] artikel [...] dus veel meer [als] een spiegel dan een bron.” Dat kan je wel vinden, maar op die manier kan je serieuze publicatie vergeten.
Wat jij (mij) lijkt te bezweren, is dat metapatroon weliswaar bestaat, maar nog nergens erkenning verkreeg. Dat kan je m.i. aardig vergelijken met wanneer je Einstein naar zijn reactie zou vragen op een artikel dat jij over de relativiteitstheorie schreef vóórdat zijn theorie algemeen erkend werd, terwijl hij er al wèl over gepubliceerd had. Neem erbij in overweging dat Einstein en jij intensief met elkaar over zijn reeds gepubliceerde theorie spraken en correspondeerden en dat jullie samen meegewerkt hebben aan experimenten ermee. Zeg maar wat jij evenwichtig acht voor hoe je de relativiteitstheorie vervolgens in je eigen artikel behandelt.
Wat je uitgaande van metapatroon — ook al ervaar jij je ontwikkelgang (wat) anders, het is nu eenmaal zo dat je qua theorie aantoonbaar reproduceert — kunt toevoegen, is je analyse, je idee over een toepassing van metapatroon. Met een inzichtelijke analyse, bruikbaar idee enzovoort lever je een wezenlijke bijdrage. Als je dat degradeert tot werk van een “communicatie-afdeling,” doe je je verdere ontwikkelwerk zèlf ernstig tekort.
Of je wilt met een alternatieve theorie annex methode komen, maar daarvan zie ik aantoonbaar geen spoor. En ook dan moet je zoveel mogelijk vergelijken met andere theorieën, zoals ik voor metapatroon gedaan heb in allerlei geschriften. Soms lijkt het wel, alsof je je erop laat voorstaan dat je ze niet leest. Als dat zo is, gaat het mij te ver. Is dit “rechtstreeks” genoeg?
Mijn passage “als het zo uitkomt” moet je ajb ook in termen van evenwicht opvatten. Voor diverse potentiële deelnemers aan de groep die jij wilt opzetten, lijkt het te vroeg zich tot deelname te verplichten. Met betrokkenheid onder een bestaande, institutionele(re) noemer kan daar draagvlak groeien, wat kortom aandacht en tijd nodig heeft. Als jij zo’n passage fopvat volgens het schema vóór-tégen, besef je niet dat — jouw term — verzoening zo’n zorgvuldig ontwikkelpad vergt. Er zijn nu eenmaal potentiële deelnemers die in dit stadium om uiteenlopende redenen het verkeerslicht voor hun deelname aan iets nieuws op rood hebben, terwijl het voor samenwerking met wat bestaands op groen staat. Wat wil je eigenlijk? Als zij daar doorrijden, raakt de kans (veel) groter dat zo spoedig mogelijk het licht ook voor jouw groep op groen springt. Anders laten ze je geheid eindeloos voor rood wachten.
Naar welke literatuur je ook verwijst, (bijna) niemand gaat er achteraan. Of ben je vergeten, dat je mijn metapatroongeschriften niet of nauwelijks raadpleegt? Dat de BFS-rapportages in het Nederlands opgesteld zijn, vind ik daarom geen reden ze onvermeld te laten. Wat je met die verwijzingen etaleert, dat schreef ik je al, is reeds aanwezig draagvlak.
Lees Plato. Peins.
[nv]

39.18
Als je er tijd voor (over) hebt, informeer ik graag eens bij je over mogelijkheden om ergens vanuit een blik op de informatiemaatschappij, dus met een andere dan strikt juridische invalshoek, over passende rechten en plichten te publiceren. De afgelopen dagen ontdekte ik dat Plato in zijn dialoog Staatsman op democratie uitkomt als “second-best” rechtsstaat. Omdat zijn eerste kandidaat, de èchte staatsman dus, een illusie is, moeten we het er praktisch mee doen.

 

39.19
Wie — ik gun hem de eer van onbenul ipv beschuldiging van medeplichtigheid in een complot — niet snapt waarop je met open source moet mikken, dreigt van weeromstuit in een gesloten relatie met een dienstverlener verzeild te raken. Zie ook Van open bron naar dicht kanaal. Omdat verder niemand die open verklaarde programmatuur snapt, ben je er goedkoper noch veiliger mee uit. Zo wordt open source misbruikt om verspilling voort te zetten, wat het vertrouwen in zeg maar ooit reële open source ondermijnt. Zo werkt kapitalisme waarin per saldo natuurlijk niets gratis is.

39.20
Je beweert nu wel bescheiden dat je niets nieuws schreef, maar dan vind ik toch op z’n minst je tweeluik van 1. Semiotische Triade en 2. Semiotische Enneade prachtig productief. Zo moet het m.i. ook optimaal, dwz de verhalen van ànderen herkenbaar plaatsen in de zetting – die is er, nota bene, in elk geval nieuw aan – van je eigen verhaal. Daardoor komen ze samen alweer beter, sterker, mooier ... tot uitdrukking, enzovoort.
Als ik het verkeerd zie, moet je me dat ajb laten weten, maar ik proef dat Brussaard jou met zijn vertaling Een nieuw raamwerk voor informatiebegrippen – die ik voor begrijpelijkheid enzovoort een sterke verbetering vind vergeleken met mijn oorspronkelijke tekst Dia-enneadic framework for information concepts – hielp om de allerlaatste stofrestjes van je lens te poetsen. Je zicht op de enneade blijft uiteraard be-middel-d want be-teken-d, maar scherper kan je het volgens mij niet krijgen. Dank je wel voor meekijken naar jouw schets!
Opzettelijk gebruik ik de term lens. De vorm waarin ik de – omtrek van de – semiotische enneade teken, is een prisma met drie zijvlakken. Zodra je begrijpt hoe een lens werkt, kan je haar productief benutten. De associatie met een prisma suggereert de werking. Zoals een optisch prisma een invallende lichtbundel breekt met als resultaat een spectrum volgens constituerende golflengtes, kan je met de semiotische enneade filosofische theorieën analyseren. Er zijn daarbij drie theorieën waarbij je even extra moet opletten, namelijk van Peirce (semiosis op z’n triadisch plus grond), Schopenhauer (wereld als wil en voorstelling) en mijzelf (metapatroon). Die heb ik immers voor de constructie van de enneade gebruikt, ... terwijl je ze er vervolgens mee kunt analyseren. Dat is wat ik met reflexiviteit bedoel als eigenschap.
In de loop der jaren heb ik zo’n prismatische spectraalanalyse uitgevoerd voor werk van diverse auteurs. Waarnaar ik zoek, is hoe hun theorieën dankzij/door de enneade aantoonbaar een ontwerp van samenhangende verschillen vormen en, aldus terugblikkend, hoe de ontwerpers in kwestie met dergelijke theorieën als het ware behoorlijk op weg waren naar wat wij nu kortweg als enneade kunnen aanduiden. Het analytische procedé is tijdrovend, want daarvoor moet je het relevante werk van een auteur grondig bestuderen, maar ja, hoe kom je er achter wat relevant is, opdat je herkent wat z/hij ergens als onlosmakelijk element èn hoe z/hij de samenhangende samenhang voorstelt. Door een theorie op het enneadische prisma te laten vallen, raakt – wederom of, wie weet, pas – zichtbaar dat er géén sprake is van een plat verhaal waarvoor iedereen het ten onrechte houdt resp. is gaan houden. Omgekeerd kan je dóór de enneade overigens ook ontdekken wanneer voor een theorie onterechte claims ge(f)opperd zijn.
Nota bene, de werking van de enneade is ook maar betrekkelijk. De analyse lukt zolang een geanalyseerde theorie geringere variëteit kent èn transformatie mogelijk is naar een passende deelverzameling elementen à la enneade resp. dia-enneade. Dat kan reeds mislukken wanneer zo’n theorie niet op het prisma valt te richten vanwege haar, zeg maar, interne inconsistentie. Zo kwam ik in Semiosis & Sign Exchange niet eens toe, destijds tot mijn verrassing, aan enneadische analyse van theorieën van Eco, Austin, Searle, Mead en Habermas. Nog voordat ik ze dáárvoor in stelling kon brengen, had ik ze volgens hun eigen aannames al ontmanteld. Maar het kan natuurlijk ook, dat de enneade de reële variëteit van een bepaalde theorie niet aankan. Dat betekent falsificatie. Het goede nieuws is dan, gelukkig, dat zo’n consistente maar enneadisch-niet-analyseerbare theorie naar haar aard vrijwel zeker de aanzet tot de betere theorie biedt, ... als zijzèlf die verbetering al niet meteen is. Komen er dan zijvlakken bij? Voorlopig kunnen we m.i. met de enneade vooruit.
Tja, de theorie van de informatieruimte blijkt enneadisch bekeken slechts schamele variëteit te faciliteren.
Het is je stellig opgevallen, dat ik de laatste tijd met Plato op de proppen kom. Het was me al duidelijk, dat Aristoteles variëteit serieus neemt. Dat wekte mijn interesse om te kijken in hoeverre zijn voorganger(s) datzelfde thema reeds behandelen. Plato, dus. Eerlijk gezegd verwachtte ik daar niets te ontdekken, maar de moeite loont. Vooral in het dialoog Philebus staan passages die zich dankzij enneadische analyse als het ware laten restaureren en daardoor na bijna tweeëneenhalf duizend jaar fris, vernieuwend laten lezen. Hoezo informatiemaatschappij?! Wordt vervolgd.

39.21
Ik bekeek gauw de redactionele positionering, ja, die klinkt verruimend. Maar laat ik nergens op vooruit lopen. Wie ben ik? Ik heb met Ecologische ontwerpdynamiek van rechten en plichten gewoon op de manier waarop ik vaker naar relevante samenhang voor ontwerp op zoek ben, een opstel geschreven. Daardoor, opschrijven dus, voel ik mijzelf al geroepen om wat strenger met redeneringen om te gaan, om te beginnen natuurlijk met die van anderen. ;-) Maar het blijkt ook een prima manier om er eens iets anders bij te halen en daardoor verrassende verbanden te ontdekken. Zo begon ik met Hardin ..., vond dat ik er Plato zinvol aan vast kon knopen en tenslotte had ik nog wel wat verwijzingen op voorraad voor wat extra reliëf resp. om er een punt achter te zetten. Ik zou het leuk èn een eer vinden wanneer je er eens doorheen wilt kijken.

39.22
Hierbij reageer ik nog op je zin “Door tijdgebrek/te veel drukte ... bleek hij minder tijd voor mij te hebben dan hij had gedacht.” Als stelling formuleerde ik ooit, helaas moet ik haar handhaven, dat een afspraak die je over een nieuw idee maakt, minstens één keer uitgesteld wordt; of het erna nog van komt, moet je maar afwachten ...
De verklaring is m.i. dat een manager zichzelf beschouwt als beheerder, dus niet als vernieuwer. Wanneer toegang tot een manager via een secretaresse verloopt, heb je daar zelfs met een ultrabeheerder resp. antivernieuwer te maken. De nieuwigheid die een (ultra)beheerder vermoedt, bezorgt het aangekondigde onderwerp aldus een lage prioriteit met bijbehorende schatting van op z’n gunstigst marginale status van de boodschapper. Zeg maar rustig dat àlle andere onderwerpen/mensen voorrang krijgen, of het moet een idee zijn dat de secretaresse/manager als nòg vernieuwender (lees: irrelevanter) aanmerkt.
Hieruit volgt eenvoudig ondermeer, dat een project waardoor iets nieuws moet ontstaan — als het bij het oude kan blijven, waarom zou je er anders een project voor doen? — onder leiding van een projectmanager steevast mislukt. Een project heeft immers ... leiding nodig in de zin van nodige en voldoende aandacht voor vernieuwing. Zo kom je op de noodzaak uit, dat de opdrachtgever visie moet hebben. Of z/hij bemoeit zich er niet mee, ook goed, maar iemand moet ook lakens kunnen uitdelen ipv kijken of ze netjes opgevouwen in de kast blijven liggen.
De belemmering om een afspraak te maken, discussie te voeren enzovoort kan overigens ook zijn, dat wie je ervoor benadert zichzèlf als enige vernieuwer ziet. In hun extreme gedragsvormen ontmoeten manager en vernieuwer elkaar dus wat het effect voor mensen met een evenwichtig idee betreft: je komt er onmogelijk mee in opbouwend contact.

39.23
Als het redelijk klopt dat enneadische spectraalanalyse òmgekeerd Schopenhauers theorie helpt verduidelijken, kan je voor overzicht dus meteen bij de enneade terecht en hoef je Schopenhauers werk dáárvoor niet intensief te bestuderen (uiteraard mits je de enneade goed snapt). Het aspect “als wil” zie je in de enneade vertegenwoordigd door het element motief. Het aspect “als voorstelling” betreft de betrekking tussen de dimensies object en interpretant met hun respectievelijke elementen. Schopenhauer had die elementen nog niet verbijzonderd. Het teken positioneerde Schopenhauer voorts niet zo scherp als bemiddelend element (triade) c.q. dimensie (enneade). Hijzèlf onderscheidde tussen waarneming en rede. Met goede ‘wil’ herken je daarin duidelijk genoeg teken en interpretant.

39.24
Let ajb op de ingenieursanalogie [in aantekening 38.79]. Door de neiging naar bestuurlijk compromis stort de overdrachtelijke brug in.

39.25
Mag ik toch wat blijven opmerken? Mijn indruk is dat jouw benadering en die van mij in deze, zeg maar, fase zowat haaks op elkaar staan. Traditioneel zijn proces en data opgevat als twee dimensies van informatievoorziening. Ik meen nu nog scherper dan voorheen te herkennen, dat jij eigenlijk helemaal abstraheert van de data-dimensie. Langs de proces-dimensie kan je inderdaad een eind komen met assemblage van primitieven. Maar volgens mij hebben kleinste pijpjes die je flexibel in allerlei configuraties kan verbinden altijd, over “functionaliteit” gesproken, een doel waarvoor je niet om data heen kunt. Wat moet er dóórheen stromen inclusief verwerking ervan onderweg? Nou ja, je weet dat volgens mij data niet op diezelfde manier ontleedbaar is tot primitieve elementen die vervolgens herconfigureerbaar zijn. Die structuur is wat ingewikkelder. Daarom benader ik het voor ruimere schaal omgekeerd. Als je de rijkere variëteit voor data kunt faciliteren, lukt het met dezèlfde structuurvoorzieningen voor de verhoudingsgewijs armere variëteit voor proces in één moeite door. Want ook procesbeschrijving vergt ... data.
Zoals ik het zie, volstaat jouw procesaccent prima zolang zgn semantiek onproblematisch is. Dat geldt dus binnen één organisatie waar centraal gezag strikt hiërarchische betekenisordening afdwingt. Vaak gebeurt dat overigens impliciet en gaat flexibiliteit daardoor naar de knoppen, maar goed. Wanneer je kijkt naar de aanleidingen die jij m.i. terecht vermeldt voor — de noodzaak van — organisatorische flexibilisering, herken ik sterke correlatie met juist het verdwijnen van dergelijk centraal semantisch gezag. Op de maatschappelijke schaal van informatieverkeer waarop ik mik met wat daarvoor per definitie infrastructuur is, vormen betekenissen hoe dan ook een veranderlijk netwerk.

39.26
Zij kwam tijdens ons leuke, uitvoerige gesprek op een idee voor een interoperabiliteitsonderwerp. Dat is de, zeg maar, verwaarlozing van informatievoorziening in het algemeen en semantiek meer in het bijzonder bij de op- en inrichting van c.q. reorganisatie tot zgn regionale uitvoeringsdienst. Dat gaat dus mis met de reikwijdte van het netwerk dat ze niet zien dat bestaat. Er blijken bestuurskundigen allang mee bezig. Is dat soms de verklaring? Wanneer wij erbij betrokken raken, is het vooral de kunst om dat gericht te doen en beperkt te houden.

39.27
Waarnaar wij langzaam maar zeker lijken te convergeren is een benadering, hoe — hier in mijn woorden — wet- en regelgeving geoperationaliseerd stelselmatig past voor interoperabiliteit. Bijvoorbeeld in het Oefenschema staat direct onder de horizon weliswaar rechtsstelsel als knooppunt opgenomen, maar meer dan een knoop in een zakdoek is het daar nog niet.
Zoals ik eerder in Burgerlijk Wetboek, Boek 2, herkende dat daar regels staan ... waaraan (andere) regels moeten voldoen (bijvoorbeeld de statuten van een onderneming of sportvereniging), trok zij dat onlangs met verdere voorbeelden door. Want team B1 van een sportvereniging kan weer zo zijn eigen (gedrags)regels hebben. Zoals zij zei, kom je te laat op de training, dan moet je trakteren. Dat is inderdaad anders dan een staatswet, maar ook hetzelfde.
Dit bevestigt dat we regels (rechten en plichten) zo algemeen mogelijk moeten positioneren en de variëteit dus via expliciete relaties specificeren. Au fond blijken we daarvoor niets te hoeven veranderen aan het diagram dat we onlangs nav SBR schetsen; zie o.a. aantekening 38.76. De winst is methodisch; we snappen alweer beter waarom het op die manier praktisch stelselmatig kan werken; zo krijgen we resultaten herhaalbaar.
Het zijn de kip en het ei. Is dat een probleem? Dat is het wèl als je op zoekt bent naar ‘de absolute oorsprong.’ Dat interesseert ons echter niets. Er is gewoon een kip. Die legt een ei. Daar komt een andere kip uit. Als je dergelijke relaties volgt, kom je met concrete invulling c.q. contextuele verbijzondering door exemplaren van de algemene begrippen kip en ei een heel eind. Want je had ook best met een ei kunnen beginnen, enzovoort.
Dit is kanteling met een kwartslag vergeleken met traditionele aanpak. Vanaf een absoluut gedacht beginpunt ontvouwt zich lineair dan eronder een gigantische piramide, met zo’n beetje voor elke bouwsteen een apart begrip.
Gewoon, kip èn ei. Allemaal dezèlfde relaties tussen vele verschillende begrippen worden vervangen door enkele verschillende relaties tussen enkele verschillende begrippen met aldus zelfs oneindig méér variëteitmogelijkheden voor wat telt als regels. Vergelijk het met 101 elementen. Als je die verdeeld met aan de ene kant 100 elementen en aan de andere kant 1 element, resulteert vermenigvuldiging in 100 verschillende uitkomsten. Je kunt voor hetzelfde effect met slechts 20 elementen toe, mits je ze gelijk over twee verzamelingen verdeelt. Want 10 maal 10 is natuurlijk ook 100. Zo spaar je 81 elementen en het gunstige verschil loopt rekenkundig op.

39.28
In Semantische kans door financiële crisis? vind je toepasselijke citaten over het belang van context. Volgens Schaff: “Das Problem der Bedeuting gehört zweifellos zu den wichtigsten und vom philosophischen Standpunkt aus zu den frappierendsten Problemen unserer Zeit.” Het belang is inmiddels ronduit praktisch, zoals je met de Interoperabiliteitsagenda erkent. Als je tijd ervoor hebt, zie in mijn opstel tevens citaten van Plato die met vóórkennis van metapatroon ineens volstrekt duidelijk zijn. Dus, het antwoord op wat je altijd over klassieke filosofie had willen weten, maar nooit durfde te vragen.

39.29
Ik zie het verband niet. Nee, wat de fysicus Susskind informatie noemt, heeft m.i. niets te maken met wat wij zinvol zo kunnen noemen voor ons (sociale) vak. Daarover ga ik me dus professioneel mijn hoofd niet over te breken, zeker niet tijdens een vakantie.

39.30
Het spijt me als ik de indruk wekte, dat je vernieuwing netzogoed meteen kunt opgeven. Integendeel, als jij het niet blijft proberen, wie doet het dan? Sterker nog, als je beseft dat je een vak hebt, moet je er verantwoord naar handelen. En als er één tekst is die nù volle aandacht verdient voor jullie informatievoorziening, is het de jouwe.
Je schetst mooi het veranderkundig tasten, steeds bereid tot professionele gedragsaanpassing – waarvoor je dus zeker je grenzen kent – zodra je een belemmering resp. kans voelt voor verstandhouding op weg naar het doel van evenwichtige informatievoorziening.

39.31
Zo werkt de semiotische enneade analytisch. Zoals Een nieuw raamwerk voor ... aangeeft, als je informatie associeert met communicatie heb je twee van die enneades en op die manier twee-tot-de-macht-achttien verschillende informatie- annex communicatiebegrippen. Je kunt een bepaalde theorie dus duiden door de poging om het – doorgaans impliciete – informatiebegrip ervan op één begrip in het dia-enneadisch raamwerk te projecten. Dat lukt niet, wanneer ontbrekende explicitering verhult dat in zo’n theorie feitelijk meerdere begrippen door elkaar lopen. Nu kunnen verschillen juist productief zijn, maar daarvoor moet tevens zicht op hun samenhang zijn. Het als het ware uitgraven van impliciete betekenissenorde is wat je met verwijzing naar Foucault archeologie van kennis kunt noemen. Volgens Derrida’s filosofie mag je van deconstructie spreken. Daarvoor levert de (dia-)enneade gereedschap, dat op zijn beurt natuurlijk ook weer onderwerp van zulke archeologie/deconstructie moet zijn. Maar welk gereedschap is daarvoor geschikt? Zover zijn we m.i. nog niet. Zolang is reflexiviteit de grens. Daarmee kan je in elk geval de enneade zo goed en zo kwaad als het kan met zichzelf analyseren.

39.32
Het idee met de eerstvolgende proefopzet is natuurlijk dat we ervan leren. Dat blijkt ook voor het beheer prima te lukken.
Zoals je weet, was MH gisteren bij jullie. Zojuist besprak ik zijn ervaringen.
Met een zgn virtuele machine bedoelt M een, zeg maar, basisvoorziening die nota bene zo kaal mogelijk is.
Wat jouw medewerkers onder die noemer tot dusver voorbereidde(n), is echter op voorhand reeds verweven met enkele andere zgn componenten zoals Active Directory. Hoe zij dat deden, naar M aanneemt door een omgeving te kopiëren, is volgens jullie gevestigde praktijk stellig logisch, maar dus niet kaal genoeg voor wat we er juist vernieuwend mee willen.
Wanneer M voortborduurt op die reeds wat aangeklede virtuele machine, zou hij pas moeizaam toekomen, als het al lukt, aan het operationele informatieverkeer via verdeelstation/informatierotonde. Dat is contraproductief voor iedereen en daarom moeten we dat spoor bij de allereerste gelegenheid verleggen. Dus, nu.
De virtuele machine moet juist kaal zijn, zodat M met ònze verdere componenten onmiddellijk operationeel aan de slag kan. Want daarmee werkt het. Het gaat au fond natuurlijk om de operationele informatiebehoeften die jij vertegenwoordigt.
Met alle waardering voor de moeite door jouw medewerkers moet het dus anders dan wat zij als virtuele machine ingericht hebben. Dat kaartte M gisteren niet meteen aan, omdat hij terdege begrijpt dat zij er met de beste bedoelingen aan werkten. Jij en ik zijn er natuurlijk ook voor om desnoods ruwweg de knoop voor een andere aanpak door te hakken. Vandaar dat ik jou dit bericht stuur.
Hoe moet het wel?
M/Information Dynamics verzorgt zelf een virtuele machine. Die heeft hij klaar en neemt hij mee. Die virtuele machine is optimaal voor verdeelstation/informatierotonde.  Je medewerkers kunnen de bijbehorende programmatuur samen met M bij jullie installeren (voor testgebruik is er geen probleem met licenties).
Behalve installatie van programmatuur moeten netwerkinstellingen aangepast worden (enkele minuten werk). Autorisatie verloopt in eerste aanleg niet via Active Directory, maar apart met wachtwoord.
Mijn verzoek is, of jij met je medewerkers een spoedigste afspraak kunt maken voor aldus gewijzigde installatie samen met M van een dergelijke virtuele machine (dus verzorgd door M/Information Dynamics). Het kan zijn, dat zij voorafgaand erover willen overleggen. In dat geval, kan jij ajb op de kortst mogelijke termijn een afspraak dáárvoor maken?
Ik wijs er graag op, dat deze aanpak de voorwaarde schept om praktisch, vlot enz. aan het vraagstuk van informatieuitwisseling te werken. Zo blijven ook de beheerinspanningen door jullie minimaal! Het enige is wellicht, dat zo’n opzet even wennen is.

39.33
Wat Pieter de Leenheer c.s. Business Semantics Management (BSM) noemt, zie Metadataroadmap voor de Vlaamse overheid (in: Informatie, juni 2010), mikt er nog onveranderd op (pp. 27-28) “om eensgezindheid te verkrijgen over (de semantiek van) kernbegrippen en vervolgens deze kernbegrippen uniform te laten gelden in de organisatie.” Het betreft op de maatschappelijke schaal van het informatieverkeer dus een achterhaald doel. Kortom, dat doel is onbereikbaar. Zij wijzigen het echter niet, maar blijven de oplossing zoeken in versterking van traditionele, zeg maar, middelen zoals (p. 27) “de methodologie, technologie, cultuur en organisatie.” Natuurlijk zijn zulke middelen belangrijk, maar zoals De Leenheer c.s. ze voorstelt resp. invult blijven ze hun doel missen, nogmaals, … omdat het doel niet langer klopt.
Metapatroon moet je associëren met een kwalitatief ànder doel. De beperking tot “in de organisatie” is verdwenen. Daardoor is “uniform[e]” betekenis illusoir, punt. Dat geldt nota bene tot en mèt “kernbegrippen.” Het middel bij uitstek om dat inzicht te bereiken is filosofie. Merk ajb op, dat filosofie niet in het rijtje van de Leenheer c.s. staat vermeld. Overige middelen vergen dienovereenkomstige aanpassing aan de open opschaling. Je kunt ook zeggen, dat metapatroon daarvan het voorbeeld bij uitstek vormt.
Genoemd artikel heeft drie auteurs. Daarover staat aangegeven, dat zij allemaal verbonden waren/zijn met Collibra. Dat is, zie de bijbehorende website, “an enterprise software company facilitating business integration by defining the business concepts in their business context.” Goed, een bedrijf, dus. Daarom lijkt het me verstandig om vooraf duidelijk te maken, over context gesproken, dat jij met die mensen het gesprek voert in hun academische hoedanigheid (VU Amsterdam).
Wat Rinke Hoekstra betreft is diens relatie met het Leibniz Center for Law (Universiteit van Amsterdam) interessant in het licht van de modelmatig stelselmatige aanzet waaraan wij bij BFS werken voor — rapportages voor — toezicht & handhaving, dwz als het ware tùssen dienovereenkomstig verbijzonderd toegankelijke gedragskaders enerzijds, daadwerkelijke (verkeers)gedragingen anderzijds.
Voor het a.s. gesprek doe ik je hierbij nog de suggestie om tevens Martijn Houtman eraan te laten deelnemen. Dan is er tenminste iemand bij die het snapt.

39.34
Hartelijk bedankt voor je inspanningen voor een betaalde overeenkomst. Mag ik toch, zeg maar, eigenwijs blijven? Wat je schrijft, bevestigt m.i. dat Ictu en wij in dit stadium vooral elkaars, ik noem het maar, strategische partner kunnen zijn. De behoefte van Ictu is, zoals je schrijft, kostenbesparing en de behoefte van Information Dynamics betreft de gelegenheid om pràktisch te demonstreren dat ‘het’ werkt. Zo’n concrete gelegenheid is ons dus beslist iets waard. Daarom stel ik voor, dat we met gesloten beurzen blijven samenwerken. Voor ons heeft die opzet tevens het voordeel, dat wij ons vrij voelen om steeds optimale voorwaarden te suggereren enz. De inrichting van de virtuele machine kan je daarvan als voorbeeld zien. Naar onze overtuiging moet het gewoon op die-en-die manier voor productief resultaat. Anders werkt het nooit, zodat we er beter mee kunnen ophouden, wat we ongehinderd door een nadere overeenkomst dan ook subiet zouden doen ...
De vernieuwing van informatievoorziening die jij voor intern beheer bij Ictu stuurt, is qua opzet natuurlijk netzogoed toepasbaar voor de zgn externe Ictu-programma’s. Tja, dat gaat dan natuurlijk niet langer gratis. Maar om ooit zover te komen, moeten we allereerst jouw project succesvol faciliteren. Pas nadat zulk ‘bewijs’ geleverd is, kan o.a. de directie verdere toepassing (laten) overwegen. Kortom, er zijn voor ons allerlei strategische redenen om jou zo goed, snel enzovoort mogelijk te ondersteunen. Daaraan kan je resp. Ictu het vertrouwen ontlenen, dat wij ons uiterste best blijven doen. Omgekeerd ben ik juist reuze blij met borging door jou.
Als je wilt, maken we een (nadere) schriftelijke bevestiging van bedoelde strategische samenwerking. Wat mij betreft gaan we echter op dezelfde voet door met het werk. Want voordat je het weet, bedenkt iemand dat z/hij toestemming moet geven, verzint daarom redenen die te onthouden … en gebeurt er dus weer niets. Nogmaals, het (ook) mij veel waard om het innovatieve resultaat te tonen dat jij nastreeft.

39.35
Oeps, dan moet ik toch ècht iets doen aan mijn communicatieve vaardigheden, want als “terechtwijzing,” dus evenmin “impliciete,” bedoelde ik die literatuurverwijzing niet. Wil je eens iemand helpen …

39.36
Ik kom nog even terug op een onderwerp dat wij onlangs bespraken. Zoals ik het zie, begon het ooit met ICTAL. Daarna was er GEIN, vervolgens Nederlandse Taxonomie en nu dus SBR. Het gaat met deze programma’s/projecten alsmaar mis, omdat ze eigenlijk alles dat voor de zgn elektronische overheid gebeurt, onwillekeurig tegelijk willen omvatten. Dat moet inmiddels echter praktisch weliswaar samenhangend, maar gescheiden worden aangepakt. Ik bedoel enerzijds infrastructuur voor informatieverkeer, anderzijds allerlei specifieke(re) voorzieningen voor — mede door zulke infrastructuur gefaciliteerde — daadwerkelijke informatiediensten e.d. Daar komt bij, dat een productieve visie op infrastructuur ontbreekt; zo blijft de daarvoor aangehouden schaal beperkt tot de deelverzameling informatiediensten waarmee de opdrachtgever in kwestie direct genoeg valt te associëren. Als er überhaupt iets werkt, dat is feitelijk géén infrastructuur. Beoogde verkeersdeelnemers inclusief hun zakelijke dienstverleners hebben zulk gebrek, overigens ook overwegend onbewust, wèl in de gaten. Zij stellen zich terecht afwachtend op, omdat hun voordeel (jargon: administratieve lastenverlichting) uitblijft. Integendeel, door aldus versnipperde voorzieningen, alle retoriek van infrastructuur ten spijt, resulteert nadeel.
In 2006 schreef ik Domweg naar de elektronische kloof. Hoewel destijds nog geen sprake was van Nederlandse Taxonomie, respectievelijk SBR, is dat commentaar algemeen beschouwd onverminderd actueel. Ja, dat is ernstig.
Het is inmiddels de beurt aan SBR om verstrikt geraakt te zijn in een contraproductieve opvatting over infrastructuur. Daardoor wijzigt de functie die volgens XBRL voor de taxonomie(ën) geldt. Er wordt van XBRL verwacht tevens andere aspecten te ondersteunen dan classificatie van betekenissen. Daarop is dat middel echter niet berekend. Er wordt tevergeefs aan XBRL zèlf geknutseld; de kloof met redelijke doelstellingen groeit.
SBR zou op korte termijn resultaat kunnen bereiken door strikte beperking tot informatiediensten op basis van vastgestelde modellen voor de jaarrekening. Zeg maar, insteek van jullie juridische medewerker, waarmee ik het grondig eens ben (waarbij ik hoop dat ik haar standpunt hier juist weergeef). De daarvoor nota bene bestáánde classificatie is zodanig gestructureerd (lees ook: wettelijk voorgeschreven, punt), dat XBRL m.i. zelfs niet eens nodig is. Maar goed, ter vermijding van gezichtsverlies kan de overheid eraan vasthouden zonder al te veel lastenverzwaring voor rapporterende organisaties. Stel ook een ‘gewone’ XML-versie beschikbaar en zelfs dat bezwaar verdwijnt (en wees niet verbaasd als niemand de XBRL-versie benut).
Links- of rechtsom, wat onder de noemer van XBRL als standaard vastgesteld is, blijkt loos. 1. Volgens de huidige koers met SBR komt de gevraagde taxonomie er nooit. 2. Radicale koerswijziging naar een nauw omlijnd doel maakt zelfs overbodig wat tot dusver als standaard bepaald is. Maar goed, daaraan valt prima, ook nogeens vlot, een platte taxonomie voor jaarrekeningen vast te plakken, vooruit, o.a. volgens XBRL.
Met een stelselmatige aanpak van interoperabiliteit heeft dat links- of rechtsom weinig te maken. Maar ik zou niet weten, hoe je daarop uitgaande van SBR e.d. opbouwend invloed kunt uitoefenen. De zekerste voorspelling lijkt me, helaas, dat ook SBR een vervolgproject krijgt, nieuwe naam, meer geld …
Ik heb me er nooit in verdiept, hoe een standaard via FS wordt bepaald. Ik veronderstel dat FS zich erover laat adviseren door deskundigen. Zo ja, dan is het stellig een praktisch probleem om daarvoor mensen in te schakelen die niet alleen deskundig, maar ook onafhankelijk genoeg zijn. Hoe dan ook, is het een idee om wat tot dusver als XBRL-standaard geldt opnieuw, allereerst maar eens informeel, aan die deskundigen voor te leggen met de vraag wat zij er op basis van voortgeschreden inzicht thans van vinden? Wanneer zij als deskundig beschouwd willen blijven, moeten ze er toch iets (anders) over melden. Nou ja, zoals gezegd, het is maar een idee.

39.37
Ik kan er (natuurlijk) niet uit opmaken, wat er gebeurt met de persoon die tot de managementpositie vervult, maar dat hoor ik dan nog wel eens. De personeel-organisatorische opzet lijkt me evenwichtig. Mooi! Ik kan uiteraard de nuances niet nagaan, die geleid hebben tot specifiekere keuzes. Zo meen ik goed te kunnen volgen waarom A apart van B direct onder de departementsleiding geplaatst is. Anders krijg je toch weer een moloch ... Strikt wat werkzaamheden betreft zie ik daarentegen niet goed waarom allereerst binnen B onderscheid gemaakt is tussen adviseur informatievoorziening (8) en adviseur informatiemanagement (4). En vervolgens vind ik een i-projectmanager (8) in A ook vooral méér van hetzelfde. Ik mis blijkbaar iets. Nou ja, als ik mijn kop in het zand houd, zie ik alles bijelkaar 20 van zulke medewerkers. Die gaan geheid elkaar aan/van het werk houden. Met één groep van pakweg 8 medewerkers, deels overplaatsbare, die dus zowel adviserend als project(bege)leidend inzetbaar zijn, blijft het overzichtelijk. Zoals ik je al zei, moet je o.a. niet overdrijven wat je kwijt bent/wilt zijn aan interdepartementale i-activiteiten. Richt je dan liever actief op i-samenwerking met collega-ministeries van andere landen, ihb wat facilitering van posten betreft. Op die manier zit je met i ook vanzelf dichter bij primaire taken, wat interessanter enz. is.
Nogmaals, als trendbreuk moet je zsm volgens de voorgestelde opzet aan de slag. Kijk na één of anderhalf jaar hoe het bevalt. En denk dàn (pas) ajb nogeens aan mijn suggestie. Als ik de plank faliekant missloeg, krijg ik dat stellig te horen.

39.38
Blijkbaar heerst de indruk, dat zo’n insteek volgens verplichte rapportages in tegenspraak is met o.a. “ketenomkering.” Dat is natuurlijk onzin. Aan wet- en regelgeving valt niets òm te draaien, punt. Het moet gewoon gebeuren zoals bepaald. Het kàn ook zo gebeurd zijn, mits je je erop concentreert. Daarvoor moet allereerst in strikt conceptuele zin een classificatie/taxonomie opgesteld worden, waarna afbeelding op “X...L” simpel volgt. Kijk (pas) erná wat er ter (keten)verbetering eventueel nog valt òm te keren. Dat lijkt mij trouwens weinig tot niets, waarbij het zelfs principieel de vraag is of de overheid zich dáárover überhaupt druk moet maken.
Wie kan ervoor zorgen, dat SBR zich beperkt tot voorzieningen voor “niet meer dan wettelijk bepaalde gegevens”?

39.39
Op mijn beurt ben ik het gròndig eens met de drie verdere kritiek- en verschilpunten die jij opsomt. Toen ik “verzoening” las, moest ik inderdaad meteen eraan denken dat jij daaraan een andere betekenis toekent. Terwijl ik daarvan redelijkerwijs nog louter een kwestie van afwijkende contexten kan maken, … sloeg ik nav je tweede punt opnieuw het artikel op. In de passage (p. 25) waaraan jij “sociale kennisdeling” ontleent, maken de auteurs tevens gewag van “co-evolutie.” Het lijkt erop, dat zij daarvoor de voorwaarde als maatgevend nemen die zij geldig achten voor “de metadata die gegevensuitwisseling tussen […] informatiesystemen in werking stellen.” Hun naar verderop blijkt toch nog onverminderd beperkte idee van, zeg maar, systemenkoppeling volgens uniforme betekenis geldt kennelijk impliciet als hun paradigma voor intermenselijk gedrag inclusief communicatie.
Nu ik er dankzij jouw opmerking nog wat zorgvuldiger naar kijk, meen ik dat zijzèlf niet ontkomen aan het verwijt dat zij volgers van “de huidige metadatabeheerpraktijken” maken, te weten “de nauwe focus op technische metadata.” Daaraan doet hun retoriek onder vermelding van semantiek niets af. Zij overbruggen beslist niet “systematisch de subtiele kloof die schuilt tussen het delen van kennis.” Zij veronderstellen immers dat “mensen op het business- of sociale niveau” kennis hebben volgens “businessmetadata.”
Nogmaals, de simpele, voor ruimere schaal achterhaalde kijk vanuit  technische interoperabiliteit schiet natuurlijk tekort als verklaring van “co-evolutie.” Als er al een kloof is, valt die slechts te overbruggen vanàf de kant waar de grootste variëteit speelt. Kenmerkend voor de benadering door De Leenheer c.s. vind ik extrapolatie. Wat kleinschalig werkt, zetten zij op ruimere schaal door. Maar het wordt echter gauw ingewikkelder met noodzaak voor kwalitatief andere inrichting. Zo vervalt, klopt, categorisch onderscheid tussen data en metadata. Ook dergelijke, zeg maar even, functies van wat au fond allemaal data is, zijn afhankelijk van context.
Met een aanduiding die ik graag overneem van R.F. Hamilton, vind ik het verhelderend om zo’n valse opvatting over “co-evolution [… voor] een conceptuele brug tussen business en techniek” een “social misconstruction” te noemen. Wat is dat? Het betreft (The Social Misconstruction of Reality, Yale University Press, 1996, p. 1)

a collective error, […] a widespread agreement about facts or interpretation that is mistaken.

Hamilton behandelt de (p. xi)

factors likely to contribute to and sustain such misconstructions.

Hij begint met opsomming van (p. 1)

three distinct features: [social misconstructions] involve errors, mistakes, or misreading of evidence; the errors have been widely accepted; and they have persisted over many years.

Tja (p. 19),

conformity and citation chains are evident problems.

Hamilton geeft een overzicht volgens vijf contraproductieve factoren annex thema’s (p. 201):

These are: first, a trained concern with the “inner logic” of a paradigm; second, a trained attachment, loyalty, or cathexis, an unreasoning preference for given viewpoints; third, conformity, the acceptance of viewpoints regardless of evidence or cathexis; fourth, the role of gatekeepers in directing the flow of information; and fifth, a facilitating factor, the development of permissive standards for judgment.

Er is, kortom, gauw sprake van (p. 222) “trained inability.” De vraag is natuurlijk in hoeverre wijzelf eraan lijden. Volgens metapatroon hoeft dergelijke zelfkritiek, dat valt dus alweer reuze mee, niet je complete identiteit(servaring) te ondermijnen.

39.40
Het is wellicht nuttig om allereerst even terug te kijken. Onder de noemer van pIctugram (zie het informatiemodel) heeft Information Dynamics een prototype ontwikkeld èn gedemonstreerd. Dat prototype bevestigt dat jullie huidige personeelsinformatiesysteem (pim) geen passende variëteit biedt voor personele en, nota bene, daarmee samenhangende informatiebehoeften. Sterker nog, dankzij een andere inrichting zou registratie in dat pim beperkt kunnen blijven tot interne medewerkers. Zeg ook maar dat het pim in dat geval nog slechts functioneert als doorgeefluik van/naar salarisverwerking; daarvoor verdwijnen daar vooral allerlei problemen met registratie van externe medewerkers.
Gelet op de positionering van dat pakket, ligt het oppervlakkig gezien uiteraard voor de hand om jullie pim "als leidende registratie van P-gegevens" te willen gebruiken. Nogmaals, die opzet kan voor jullie echter niet adequaat werken. De structuurmogelijkheden van het pim schieten tekort, punt. Zie het wezenlijke verschil met pIctugram. Je zou "haken en ogen" wellicht nog kunnen overwinnen, maar het probleem van jullie met het pim in kwestie betreft de gebrekkige kern ervan. De crux van inzet van de informatierotonde is nu juist, dat jullie daar verder geen punt van hoeven te maken.
Dergelijke gepasseerde stations willen medewerkers die in dit stadium betrokken raken, blijkbaar opnieuw aandoen. Dat schiet inderdaad niet op. Uiteraard moeten we ons inspannen voor serieuze voorlichting. Maar de afspraak is nu eenmaal gemaakt dat jij samen met ons verder kunt. De resultaten die we behalen, vormen pas de antwoorden op de meeste vragen die nù gesteld worden. Als de vragenstellers voet bij stuk (kunnen) houden, nota bene in tegenspraak met de afspraak, verkeren we in een patstelling.
Wat ik uit het bericht van de systeembeheerder lees, is dat hij zich opwerpt als steller van functionele eisen. Daar hebben wij niets mee te maken. Wat ons betreft ga jij over functionele eisen, punt. Volgens ons zou hij worden ingeschakeld om een zo kaal mogelijke virtuele machine te helpen inrichten, niets meer en niets minder. Dat lukt hem dus niet. Daarom stagneert het werk en blijven de beoogde besparingen onbereikbaar.

39.41
Wat intrigerend, althans voor mij als juridisch amateur, hoe je “beleid en wetgeving” expliciet in verhouding tot elkaar plaatst door de analogie met stedenbouw resp. (gebouw)architectuur. Je hebt gelijk, daar moeten we zeker (ook) iets mee, leuk …

39.42
Als buitenstaanders zijn wij natuurlijk niet in staat om jullie interne medewerkers werkopdrachten te geven. Je kunt ons in dit opzicht vergelijken met innovatieve loodgieters. Wij willen voor het Ictu-huis graag tonen, hoe de waterleiding daar valt te verbeteren, maar gezinsproblemen waardoor ernstige waterverspilling aanhoudt kunnen we niet oplossen. Als wij langs komen om aan de slag te gaan volgens een nota bene afgesproken plan, maar diverse gezinsleden verzetten zich er alsnog tegen, houdt het voor ons even op. Het heeft pas zin opnieuw langs te komen, als die onenigheid voorbij is.
In tegenstelling tot je eerdere hoopvolle verwachting, nee, je kunt het dus niet aan ons overlaten, dat wij installatie van de virtuele machine onderling met jullie systeembeheerder regelen. Want ook de ervaring leert, dat hij dan toch zijn eigen weg kiest of op z'n minst de weg afgesloten houdt voor uitvoering van jouw plan. Voor een doorbraak moet, kortom, erkend gezag zich laten gelden. Zo kinderachtig is het, vrees ik. Met je agendering voor het MT ben ik het dus eens. Dat moet o.a. het mandaat opleveren, als ik je een suggestie mag doen, dat jij initiatief neemt voor een afspraak met de systeembeheerder èn ons. Blijf er ajb bijzitten, totdat de basisinstallatie klaar is. Zo kunnen wij verder langs het spoor volgens jouw plan (dat al eerder aangenomen is ...). Indien de systeembeheerder of wie dan ook langs een ànder spoor gelijktijdig van alles en nog wat mag uitzoeken, waarvan wij allang weten dat het zinloos is, lijkt me dat weliswaar zonde van tijd en geld (daar gaat je besparing, maar goed), maar hebben wij er geen last van.
Waarom Ictu niets heeft aan IdM volgens Novell, UMRA e.d. is dat bijbehorende middelen mikken op beheer van user accounts. Dat is slechts één van de aspecten van informatievoorziening die jij wilt stroomlijnen.
Wat documentatie betreft, je zou de systeembeheerder opnieuw de verwijzingen naar literatuur over de informatierotonde kunnen sturen. Als hij het niet begrijpt, moet hij dat maar zeggen.
Mijn standpunt: wij nemen zelf geen initiatief, maar wachten je uitnodiging voor een installatie-afspraak af. Als dat morgen kan, mooi. Een voorwaarde lijkt me wel, dat het MT duidelijk maakt wat het wil. Jij hebt genoeg moeite in je plan gestopt en wij inmiddels ook om serieus genomen te worden.

39.43
De programmatuur faciliteert zgn stelselmatig informatieverkeer. Voor reële infrastructuur moet zo weinig mogelijk vooropgezet beperkend kader gelden.
Open schaal(baarheid) vergt primair maatregelen voor precisie. Stelselmatig semantisch: variabele explicitering van context (en tijd), nota bene tevens expliciete samenhang tussen relevante verschillen. Er is en blijft echter variëteit van digitale, zeg ook maar technische (netwerk)middelen. Oriëntatie voor interoperabiliteit volgens semantische verbijzondering: (de)serialisering van/naar meervoudige bedieningsstations naar/van meervoudige informatieverzamelingen.
Optimale dekking, integratie e.d. met infrastructuur begint principieel met semantisering à la metapatroon, stelselmatig dus, van zoveel mogelijk verwerkingsaspecten waarvoor traditioneel apàrte voorzieningen ingericht zijn zoals authenticatie, autorisatie, werkstroom, presentatie, beveiliging … Mits nodig en voldoende gevariabiliseerd, werkt daadwerkelijke informatiebeweging vergaand volgens uniforme (de)serialisering.
Zulke minimalistische infrastructuur met nota bene gemaximeerd bereik is robuust(er), beheersbaar(der) enzovoort. Interoperabiliteit op deze basis biedt naar verwachting tevens snellere prestaties.
De kern van de innovatie betreft tekenverbijzondering-in-samenhang naar context en tijd. Voor een inleiding, zie het boek Metapattern: context and time in information models (Addison-Wesley, 2001). De grondslagen zijn verder uitgewerkt in Semiosis & Sign Exchange: design for a subjective situationism, including conceptual grounds of business information modeling (proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2002). De auteur, P.E. Wisse, is directeur van Information Dynamics. Ontwerp en ontwikkeling van programmatuur zijn het werk van M. Houtman.
In functioneel opzicht is de ontwikkeling erop gericht om het infrastructurele platform alsmaar méér voorheen gescheiden aspecten te laten ondersteunen. Daarvoor ligt de nadruk in dit stadium op autorisatie. Dat leidt voor nieuwe platformversies tot aangepaste noties van bedoelde verbijzondering tot en met bijbehorende implementatie. Zo lijkt het erop, dat (verdergaande) verbijzondering-in-verbijzondering — lees: context valt op zijn beurt te ontleden volgens hetzelfde semiotische schema als waaruit het oorspronkelijk als element voortkwam; herhaling van dat formalisme optimaliseert hergebruik — de oplossingsrichting biedt voor praktische aspectenintegratie.
De voordelen van het platform worden, indien daarvoor gelegenheid bestaat, concreet gedemonstreerd met prototypes. Zo ontwikkelt Information Dynamics als strategisch partner van Ictu een zgn informatierotonde voor samenhang tussen aldaar bestaande legacy-informatiesystemen voor intern beheer. Met dezelfde opzet zou Ictu resultaten kunnen behalen met allerlei externe uitvoeringsprogramma’s. Andere recente prototypes zijn Interoperabiliteitscatalogus informatietypen (Icit, voor Forum Standaardisatie) en MultiBIM (voor Stabu; verbreding en –dieping van bereik met building information model).
Het doel is — natuurlijk — niet om programmatuur voor infrastructuur voor informatieverkeer compleet zèlf te ontwikkelen. Integendeel, het gaat verhoudingsgewijs om slechts enkele componenten die juist zoveel mogelijk een beroep doen op componenten/standaarden uit programmatuurbibliotheken. Kritieke positionering levert de stelselmatig werkende voorzieningen op. Van dergelijke bibliotheken volgen versies elkaar in hoog tempo op. Er kan daarom functionele aanleiding bestaan tot aanpassing van ‘eigen’ componenten, wat uiteraard steeds pas na onderzoek, beproevingen enzovoort blijkt. Bijvoorbeeld, sinds enkele jaren sterk is identity management als aspect sterk in ontwikkeling; daarop moet het platform afgestemd gehouden blijven om zijn infrastructuurperspectief te verzekeren.

39.44
Tja, … de firma Ziggo vond in de loop van vandaag blijkbaar eenzijdig dat het lang genoeg geduurd heeft dat er Wanadoo stond. Met mijn excuus voor de extra moeite, kan je in mijn emailadres ajb @wanadoo.nl vervangen door @ziggo.nl?
Maar wie weet heb ik iets gemist. In elk geval werkte het vanaf pakweg half twee niet meer. Dat vernam ik telefonisch van iemand die zijn bericht onbestelbaar terugkreeg, voorzien van onheilspellende foutmelding. Qua natuurverschijnsel valt het gelukkig erg mee; we zitten hier tenminste nog droog. Dat ik in één klap via email niet langer bereikbaar ben, komt me als drempel voor sommige mensen overigens natuurlijk wel aardig uit.

39.45
Als het zgn management team daarop terugkomt, gooit het feitelijk jouw plan in de prullenbak.

39.46
Dank je wel voor aanpassing van mijn adres. Ik ben het met je eens, uiteraard, dat zo’n adreswijziging niet zomaar kàn. Het zou nog meevallen, wanneer zo’n provider zèlf gemakkelijk bereikbaar is. Daar lijkt echter geen beginnen aan. Ik reageer er daarom maar op als ware het een natuurverschijnsel. Dat het contact met sommige mensen hierdoor belemmerd raakt, hoeft ook niet alleen maar een nadeel te zijn …

39.47
Mobiele telefoon heb ik eigenlijk nooit aan, als ik 'm al meeneem. Wat vroeger normaal was, dwz een afspraak maken en je eraan houden, blijkt met alomtegenwoordige mobiele telefonie thans excentriek gedrag. Dat vertoon ik graag ... Haha, het is me vaker overkomen dat een afspraak dóór moest gaan, omdat ik voor afzegging onbereikbaar was en dùs op de afgesproken tijd verscheen.

39.48
Voor de tweede bundel deed ik de suggestie om de inhoud te wijden aan toekomstbespiegelingen over de informatiemaatschappij in brede zin. Waarom geen society fiction? Zo krijg je tenminste perspectief voor interoperabiliteit.

39.49
Op mijn — via schoonfamilie kom ik nog eens ergens — vaste vakantiebestemming, antiquariaat Rumpel in Traunstein, Beieren, kocht ik ditmaal Das Staatsideaal im Wandel der Weltgeschichte (Beck, 1973) door F. Berber. In de ns-tijd was Berber blijkbaar niet van onbesproken gedrag, zo ontdekte ik elders. Wist je dat de huidige paus in Traunstein opgroeide?
In genoemd boek geeft Berber behalve een passage met nauwelijks verhulde zelfrechtvaardiging (pp. 358-362) — Helmut Kohl sprak als bondskanselier van “de genade van de late geboorte” voor wie principiële maatschappelijke/ethische gedragskeuze in een totalitaire staat bespaard blijft — een historisch overzicht waar ik e.e.a. van opsteek. Vooral geloof, politiek en recht, vooruit, soms filosofie, doordringen, constitueren elkaar in veranderlijke verhoudingen. Extra belangwekkend vind ik, dat Berber vanaf de vroegste staatvorming nagaat in hoeverre internationaal recht (volkenrecht) meespeelde. En voor de toekomst geeft hij m.i. terecht aan dat internationaal recht voor verkeersordening geen bij-, maar hoofdzaak is. Met digitaal gefaciliteerd informatieverkeer dat materiële grenzen flitsend overschrijdt, maar waarvan Berber nog geen notie kon hebben, vind ik die nadruk zelfs evident. Zo beschouwd wijzigt stellig tevens wat vruchtbaar, of juist niet, als staat geldt. Over genre gesproken, society fiction biedt ruimte voor allerlei speculatie.

39.50
Bedankt voor je reactie, … waardoor me pas opvalt dat middenin de term “vakantieliteratuur” de letterreeks “antie” staat. Vooruit, anti. Dus als je er niet tegen bent, haal je dat stukje weg en staat er gewoon vakliteratuur. Wèl serieus ben ik reuze benieuwd, of jij het opstel Ecologische ontwerpdynamiek van rechten en plichten überhaupt vakliteratuur vindt dan wel er niets nuttigs in ziet.

39.51
Mijn opstel(ling) is juist bescheidener, te weten dat het voor mij nog maar de vraag is of jij het oordeel “vakliteratuur” eraan hecht. Zo kom ik, als je me de zoveelste associatie veroorlooft, op het dilemma van o.a. (B)FS met de rapportages over semantiek. Met die teksten verkennen we nieuw terrein, in dat geval met stelselmatig bereik. Zeg ook maar dat ze (dus) noodzakelijkerwijs niet passen volgens een bestaande vakoriëntatie. Tja, dan kan het dus geen vakliteratuur zijn, menen juist de leden van de doelgroep. Zonder inbedding in hùn gezagsverhoudingen hoeven ze er zich niets van aan te trekken, zo verloopt de a priori afweging. Opgelucht laten zij de rapportages ongelezen. Zij wensen ongestoord te werken aan wat wij als hun faliekante mislukkingen bestempelen. Ik herken trouwens nu opeens, waarom vaste dienstverleners “mantelpartij” heten. Zij geven het comfortabele gevoel van een warme jas. Stel dat je in plaats daarvan een heuse kantelpartij inschakelt. Nee, zelfs maar de geringste kans dat iets verandert, laat staan verbetert, moet op voorhand zijn uitgesloten. Dat cynisme komt onbedoeld in de naam Renoir tot uitdrukking: opnieuw zwart. Dus, of we het volgens hun aanpak maar roetzwart blijven inzien. Ja, dat doen we ècht wel.

39.52
Volgens mij bedoel je fundamenteler wat van oudsher geldt als (de) twee hoofdaspecten van geautomatiseerde informatieverwerking, te weten data en proces. Zolang voor die (hoofd)aspecten vergaand aparte voorzieningen getroffen worden, gelden bijbehorend “typische modelleerbenaderingen.” Dergelijke terminologie is daarvoor m.i. echter niet gebruikelijk. Daarvan is eerder sprake pèr genoemd hoofdaspect. Zo zijn er voor data “modelleerbenaderingen” volgens o.a. gerelateerde entiteiten (ERD) en objecten (OO). Ook methoden voor procesmodellering zijn er in allerlei soorten en smaken (zoals jij stellig beter weet dan ik).
Voor metapatroon heb ik van meet af aan geclaimd, dat het onderscheid tussen data en proces zoals dat ooit gescheiden geraakt is, kan, moet verdwijnen. Dat komt tot uitdrukking in de algemene(re) aanduiding: gedrag.
Ik besef dat jij een “verzoening” in de vorm van een metamodel opstelt vanuit jouw idee van, zeg maar, gegeven “modelleerbenaderingen.” Zoals je begint, expliciteer je echter m.i. de indeling volgens syntax nog onvoldoende.
Dankzij generalisering onder de noemer van gedrag hoef je niet te worstelen met wat je — in de context in kwestie — nogal impliciet bedoelt met actor, object, entiteit e.d.
Volgens subjectief situationisme beschouw ik object juist synoniem met actor, entiteit enzovoort. De enige manier waarop een object (zijn) gedrag manifesteert, is situationeel. Een knooppunt in een metapatroondiagram vertegenwoordigt een situationeel object. Daar hoort éénduidig bepaald gedrag bij.
Gemakshalve even apart kan je syntactische categorieën opgeven, o.a. onderwerp, meewerkend voorwerp en lijdend voorwerp. Vervolgens kan je een bepaald situationeel object via een syntactische typering oid met zo’n categorie verbinden. Blijkbaar, bijvoorbeeld, geldt het object (of hoe je ’t noemen wilt) als actor (of hoe je ’t noemen wilt), indien je nota bene expliciet de relatie met onderwerp legt.
Op vergelijkbare manier kan je zonodig expliciet aangeven, of je met gedrag vooral de mogelijkheid tot gedrag bedoelt, “capaciteit” dus, of louter een resultaat, enzovoort.
Wat je schetst als “gebeurtenis” die “gewoon” gebeurt, komt neer als een situationeel object waarvoor de situatie niet nader gespecificeerd is. Dat verschijnt in een metapatroonmodel (dus) als een knooppunt dat direct aan de horizon hangt. De relevante syntactische typering lijkt mij radicaal: onderwerp.
Naarmate je een gebeurtenis scherper kunt plaatsen, verbijzonder je kennelijk de situatie in kwestie. In het model doe je dat met dienovereenkomstige context.
Volgens je voorbeeld zijn er drie situationele objecten, te weten 1. medewerker-van-organisatie-x, 2. medewerker-aan-bedrijfsproces-y en 3. medewerker-in-ontslagprocedure-van-organisatie-x. Zo herken je meteen de behoefte aan méér situationele objecten, zodra je de schaal verruimt. Verder maak ik eruit op, dat we moeten oppassen met die syntactische categorieën met axiomatische status. Kwalificering van medewerker-in-ontslagprocedure als lijdend voorwerp is wellicht hoe de werkgever het graag ziet, maar hoeft de werkelijkheid niet realistisch te weerspiegelen.
Precies! Je kunt — beschrijvingsmogelijkheden voor — zulke gedragsvariëteit opvatten als tegenhanger van de verbijzonderingsruimte voor situaties.
Hoe je dat optimaal doet, en bijhoudt, vertelt de methode je natuurlijk niet. Zo doe ik hier ‘slechts’ enkele suggesties voor een alternatief metamodel. Wat de voorkeur verdient, is altijd weer afhankelijk van situatie op enig moment.
Gemakshalve netzogoed maar even apart kan je zoiets als procesaspecten opgeven, met vervolgens een expliciete relatie van een bepaald situationeel object met een exemplaar.
Het idee is weer om harmoniseren niet als uniformeren te ondernemen, maar juist als onderzoek naar redelijkheid van verschillen (die daarvoor tevens moeten samenhangen). We hebben dus de mogelijkheid om voor een situationeel object zowel een karakteristieke syntactische categorie te kiezen, als een karakteristiek procesaspect. Zo houd je de oorspronkelijke “modelleerbenaderingen” herkenbaar, terwijl je tegelijk al behoorlijk op weg naar stelselmatigheid bent.
In jouw metamodel plaats je “verschijnsel” direct onder de horizon. Dat lijkt mij tegenstrijdig, in elk geval volgens filosofisch gangbare betekenis(sen) van fenomenologie. Een verschijnsel is per definitie … relatief. Met subjectief situationisme suggereer ik een metamodel. Daarin … verschijnt … een verschijnsel als een bepaald situationeel object.
De “tweedeling” of, zo je wilt, nog-meer-deling, duikt aldus ònder situationeel object op, via verwijzing bijvoorbeeld als — waarde van – syntactische categorie of procesaspect …
In zulke knopen met zijn, zijnde enzovoort raak je m.i. verstrikt door verschijnsel niet zozeer slechts te objectiveren, maar zelfs te verabsoluteren. Voor gebruik van metapatroon beschouw ik (vooral) gedrag synoniem met wat-bestaat. De variëteit van wat-bestaat valt netjes te ordenen op basis van situaties.
Volgens metapatroon bestaat — gedrag van — èlk situationeel object in-de-tijd.
Hier past ook toelichting op wat ik eerder opgaf als gemakshalve apart. Qua metamodel zouden syntactische categorie e.d. natuurlijk niet mogen … verschijnen; dat betreft steeds invulling volgens situationeel object. Maar met zulke radicale abstractie is een dergelijk model volstrekt onbegrijpelijk. Dat valt nu al niet mee.
Ja, om dergelijke “relativering” draait het! Je kunt mijn alternatieve model opvatten als poging om die “relativering” nog wat duidelijker te laten blijken. Daarvoor positioneer ik situationeel object als het wezenlijke draaipunt. Vandaaruit verlopen allerlei relaties, voilà, relativeringen.
Wat naar jouw idee als statisch resp. dynamisch verschijnt, zijn ook maar uitersten. We ontkomen niet aan een discrete indeling, maar een strikt binaire is vaak nodeloos beperkend. Je ziet dat je per relevante “relativering” een classificatie kunt opzetten.
Mijn antwoord? Allereerst, ja! Sterker nog, je kunt mijn opmerkingen tot dusver lezen als nadruk op jouw (vast)stelling, te weten dat knooppunt annex situationeel object synoniem met verschijnsel is.
Tegelijk wijs ik op de noodzaak om informatiekundig altijd onderscheid te hanteren tussen werkelijkheid en werkelijkheidsbeschrijving. In mijn metamodel van o.a. metapatroon, dwz de semiotische enneade, zijn dat twee zgn dimensies (met cognitie als derde dimensie). Ter aanduiding van de drie elementen per dimensie, bijelkaar dus negen elementen (vandaar: enneade), koos ik termen die moeten helpen om verschillen te volgen.
Voor mijn suggesties benut ik hier de termen (situatie, object en gedrag) voor — de elementen langs — de werkelijkheidsdimensie. Zo krijg je een metamodel van de werkelijkheid. Dat is precies, wat met een filosofische term ontologie heet.
Jij geeft meer een aanzet voor een metamodel van werkelijkheidsbeschrijving. Als ik daarop direct(er) wil ingaan, zou ik de termen voor — de elementen langs — de enneadische tekendimensie moeten gebruiken: context, signatuur en intext. Maar dat leek mij vooralsnog onduidelijker …
Ik geef deze toelichting als aanzet dat wij niet verbaasd over verwarring moeten zijn. Er zit steeds nogal wat achter. Dat valt slechts moeizaam te expliciteren.
De kans is dus groot, dat wij langs elkaar heen schrijven, maar ik hoop begrijpelijk genoeg geschetst te hebben, over “contra-intuïtief” gesproken, dat metapatroon kan helpen om te ontsnappen aan dergelijke a priori indeling (waaraan je dus verder vastzit). Wat jij oppert, betreft ‘slechts’ een voorbeeld. Dan is het niet zo, dat je een strikte hiërarchie vestigt met bovenaan “gebeurtenis” enzovoort. Nee, je neemt een concept, verschijnsel annex situationeel object dus, dat juist overal ‘middenin’ gedijt. Als je een situationeel object als gebeurtenis wil duiden, (ook) prima. Doe dat dan niet als onderdeel van de situatie. Het is flexibeler om die (aan)duiding als gedrag te beschouwen. Ja, dat bepaalt mede wat (ervoor) als relevante situatie geldt. Dat zou je “een fundamenteel andere manier” kunnen noemen. Voor een oplossing, kortom, optimaliseer je met voorrang de verhouding tussen wat je als situatie resp. gedrag beschouwt. Daarvoor bestaat geen absolute waarheid.
Zo kan het ook zijn, dat jij mijn suggesties niet kan plaatsen. Indien jij op basis van jouw ervaring en kennis jouw metamodel wèl praktisch bruikbaar vindt, maar dat van mij niet, tja, zoals ik al opmerkte is mijn versie van situationisme … subjectief. In metapatroon zit geen scheidsrechter verborgen. Integendeel, als jij het gevoel hebt dat je er alle kanten mee opkunt waaronder in èlk geval de jouwe, is mijn doel als ontwerper van de methode bereikt.
Het is eigenlijk passender om te zeggen, dat metapatroon intrinsiek niets oplost. De kracht is veeleer, dat de methode zo weinig mogelijk belemmeringen opwerpt voor de ontwerper enzovoort om met een optimale oplossing te komen.
Voor modellering van context à la metapatroon moet je rekening houden met recursieve, relatieve karakter ervan. Of iets minder duister uitgedrukt, de context van het ene knooppunt wordt gevormd door andere knooppunten (met de horizon als limiet). In enneadische termen heet knooppunt: signatuur.
Die “uitdaging” van een metamodel van/voor metapatroon. is niet nieuw. Zie bijvoorbeeld figuur 13-10 in het boek Metapattern. Die figuur heeft nota bene het onderschrift “A model of the metamodel.” Maar eerlijk gezegd begrijp ik dat (meta)model niet meer … Laat ik het erop houden, dat ik te veel gewend geraakt ben aan de gewijzigde notatie. Hoogste tijd dus, met dank voor de aansporing, voor een nieuwe versie. Nee, volgens mij kent het metamodel geen horizon. Die past ook in signatuur.

Met vermelding van “schil” vestig je de aandacht op een vergelijking. Ik lees er althans uit, dat je voorheen aparte “modelleerbenaderingen” elk als een schil opvat. Vervolgens leg je ze als zodanig over elkaar, presto, verband, overzicht.
Dat levert een mooi beeld op. Tegelijk wijs ik op het risico. Klopt die verhouding volgens zgn schillen wel? Gaat daardoor zicht op integratie volgens nauwere verwevenheid niet verloren? Nou ja, nauwer verweven dan alsmaar vanuit situationeel object kan ik het niet verzinnen.
Het verse metamodel van metapatroon heb ik uitgebreid met een aanzet voor een metamodel voor bestaande “typische modelleerbenaderingen” als resultaat. Let ajb maar niet teveel op de beperkte reikwijdte van de horizon. Dat heeft ermee te maken dat het plaatje een metamodel, zoals gezegd, gemakshalve vermengt met de gebruikelijke modeloriëntatie. Vooruit, voor z’n schetsje kan het wel.

39.53
Ja, dat had ik begrepen. Dáárom vind ik het het duidelijkst om allereerst een metamodel van metapatroon te schetsen. Hoe je dat metamodel eventueel uitbreidt tot een metamodel van een “andere (specifiekere) modelleerbenadering” is precies de … verbijzondering in kwestie. Strakker valt dat m.i. niet te krijgen.
Wat jij nu “tijdig” noemt, bedoelde ik met optimalisering van verhouding tussen situatie en gedrag. Dat komt dus neer op de keuze van een situationeel object, waarvan je dergelijke “capaciteit” als gedrag bepaalt. Als zodanig kan zo’n gedrag(selement) onderdeel gaan vormen van situaties voor àndere respectievelijke situationele objecten met bijbehorende gedragingen.
Het valt mij telkens weer op, dat (vaak) impliciete uitgangspunten voor een kleinschalig informatiemodel op stelselschaal slechts passen als verbijzonderde gedraging. Dus, bijvoorbeeld, als ik proef dat “onderscheid tussen dynamische en statische typen” principieel genomen worden, denk ik juist “hmm …” De noodzaak van dergelijk onderscheid betwist ik niet, integendeel, maar dan probeer ik het als gedragsvariabele te positioneren. De vraag is dan: van welk situationeel object?
Als dat lukt, is voor het relevante onderscheid in één klap synthese bereikt. Verder beperkt de status als uitgangspunt je praktisch in het aantal waarden. Kijk maar. Jij beschouwt een type als dynamisch òf als statisch. Maar waarom zou je niet allerlei tussenwaarden toestaan? Mocht je ze niet nodig hebben, ook goed. Maar wie weet …
Niemand ontkomt voor kennis ooit aan vóóronderstellingen, leert Kant. Over principieel gesproken, daarop vormt metapatroon, herstel, kàn metapatroon geen uitzondering vormen. Dus ook metapatroon is onherroepelijk “relatief.”
Een probleem met acceptatie van metapatroon is, dat je pas een verantwoorde, goede ontwerper ermee kunt zijn, als je vooral die relativiteit beseft. Tja, dat is tegenovergesteld aan behoefte aan absolute zekerheid. Op stelselschaal is die behoefte geheid vals.
De vraag is dus o.a. of je op bijval mag rekenen, wanneer je nota bene volkomen terecht wijst op “wat [er] eigenlijk relatief is” aan “die andere modelleerbenaderingen.” Ik ben er echter helemaal vóór. En, ja, omdat metapatroon toestaat dat je als het ware kunt spelen met de verhouding tussen situatie- en gedragsbeschrijving, heb je de mogelijkheid om (impliciete) uitgangspunten — zeg ook maar wat als externe situatie moet gelden — pèr traditionele(re) “modelleerbenadering” over te lepelen naar (expliciete) variabelen. Inderdaad, zo kan je metamodellen van allerlei “modelleerbenaderingen” verenigen in één overzicht.
Mijn voorstel voor zo’n overzichtschema maakt het m.i. eenvoudiger om het uit te breiden voor/met nòg weer “andere modelleerbenaderingen.” Verder, zoals ik je al schreef, raak je met jouw versie in een begripsmatig moeras waar filosofen sinds millennia vergeefs een uitweg zoeken.
Dat moeten ze dus àfleren. Je kunt eindeloos blijven zoeken om een nieuwe positionering vrij van achterhaalde associaties te maken. Dat lukt je nooit. Vergeet het daarom beter meteen.
De aanduiding gedrag verkies ik, omdat er per saldo meer voor- dan nadeel aan zit. Wat ik allemaal voordelig vind méékomen, zijn betekenissen volgens sociale psychologie. Die kunnen informatiekunde grotendeels van achterlijk afhelpen.
Jij beschouwt zijn kennelijk als niets-doen. Dat bedoel ik dus met begripsmatig moeras. Je moet gewoon even wennen aan de opvatting dat niets-doen netzogoed een manier van doen is, te weten volgens de parameter niets.
Als je wilt vasthouden aan de betekenis die een term draagt volgens een “modelleerbenadering” die je nu nèt wilt tonen als verbijzondering van een algemenere benadering, kom je niet verder.
Als je nu ongewenste associaties wilt vermijden, raad ik je term “fenomeen” af …
Wat ik primair aangeef, is de verhouding van drie dimensies met pèr dimensie drie elementen in verhouding. Hoe elk element heet, is secundair. Maar je moet dus beseffen, dat er allang een metamodel bestaat inclusief terminologie.
Juist de term verschijnsel vermijd ik voor enig element. Dat komt omdat ik het gehele kader fenomenologisch vind. Zie o.a. mijn opstel The constitutional force of perspectival phenomenology: philosophical unification in information systems (in: Proceedings of the Ninth Americas Conference on Information Systems, pp. 2766-2774, Association for Information Systems, 2003). Mocht je de discussie over (meta)elementen en hun naamgeving willen voortzetten, knoop ajb aan de inhoud van dat opstel aan. Ik schreef het niet voor niets.
Wat mij betreft is horizon de naam voor het situationele object dat zèlf geen nabije contextualisering kent.
Dat weet ik dan wel weer zeker, dat verwarring bestaat over wat een metamodel betekent.
De semiotische enneade als metamodel van metapatroon is nota bene méér. De enneade positioneert metapatroon in ruimer verband. Dat is de relativering, die onmisbaar is voor de verantwoorde ontwerper.
Ja, zoals ik je al schreef, “In enneadische termen heet knooppunt: signatuur.”

39.54
Veranderkundig blijven we het oneens. Ik doe immers ook zo mijn ervaringen op. Samen met literatuur over verspreiding van innovatie wijzen die erop, dat je voor elke paradigmatische vernieuwing, dus onvermijdelijk ook voor metapatroon, twee generaties meteen kunt afschrijven om eraan mee te doen. De enige manier om a. thans werkzame professionals en b. huidige opleiders van professionals in spe méé te krijgen is om ze ervoor te betalen. Of je moet een zgn kampioen treffen, dwz iemand die zijn eigen voordeel met de vernieuwing herkent. Ja, dat is een betalende opdrachtgever, zodat het toch op die enige manier neerkomt. Optimaal is natuurlijk een sponsor die verband met algemeen belang ziet. Hoera, BFS, … maar financiële middelen zijn beperkt. In een dictatuur zijn er nog wel andere manieren, maar gelukkig blijven die ons in Nederland bespaard. Goed, zodra je voor aandacht enz. betaalt, hoef je het nieuwe paradigma helemaal niet te vermommen als het oude. Ze letten dan toch wel op. Of ze laten je je gang gaan, helemaal prima. Voor de grootste kans dat ze het nieuwe paradigma gaan snappen (of er niet moeilijk over doen), moeten we naar mijn overtuiging juist vermijden om nodeloos aan het oude paradigma te blijven hangen. Want wanneer de aanduiding paradigmawissel terecht is, blijf je onder de noemer van het oude per definitie de crux van het nieuwe missen. Daar heb je subiet last van.
[nv]

39.55
Veranderkundig blijven we het sterk òneens. Dat lijkt me voor BFS voordelig, dus laten we dat vooral volhouden, want met aanzetten links- èn rechtsom is de kans op succes groter …
Nee, met dank voor je handreiking, een “stijlverschil” vind ik het niet. Ik zie het meer als fasering. Wanneer ik “bottom-up” als inductief opvat, in jouw woorden “redenerend van[uit het] meer bijzondere […] naar [het] algemenere,” staat daar “top-down” als deductief tegenover. Wie het inductief accent volhoudt, moet voor elk volgend geval geheid zijn ontwerp uitbreiden. Dat is bijna onvermijdelijk, omdat van eerder onderzochte gevallen kenmerken stellig een structurele plaats gekregen hebben. Daarom werkt de ontwerper naar het omslagpunt. Volgens deductieve oriëntatie kijkt hij, of (ook) het volgende geval past.
Brussaard was een liefhebber van de (wetenschaps)filosofie van Popper en wees daarom op het falsificerend aspect van ontwerpen. In mijn termen, de ontwerper hoeft van deductief niet terùg naar inductief zolang (test)gevallen volgens zijn ontwerp passen en blijft het omslagpunt waar hij het aannam.
Als je bedoelt, dat veel ontwerpers blijven steken op het inductieve accent, ja, dat ben ik helaas met je eens. Dat vind ik echter zelfs géén stijl en zij zijn mede daarom ook geen èchte ontwerpers. Zo’n pseudo-ontwerper in de informatiekunde is tegenwoordig trouwens gemakkelijk herkenbaar; z/hij noemt zich informatiearchitect oid.
Zeg maar gerust dat iedereen een “zeer gebrekkige filosofische basis” kent. Dat inzicht, tja, dàt ontbreekt dan weer vaak, helpt relativering.
Daarvoor, dwz bewust spelen met relativering, vormt “verschijnsel” zelfs een prachtige illustratie. Volgens een semiotische referentiekader kan je de vraag “Wat is een verschijnsel?” op drie manieren proberen te beantwoorden. Is het het oorspronkelijke object? Nee. Is het dan het teken, dat zo’n object be-tekent? Hmm. Of is het de betekenis die iemand t(o)ekent aan zo’n teken? Nee, eigenlijk ook niet. Daar kom je dus nooit uit. Een verschijnsel heeft van alles wel iets. Dat kan geen toeval zijn.
De uitweg is om verschijnsel als proces te veronderstellen. Op z’n semiotisch beschouwd telt dat proces dus drie constituerende elementen. Of zijn het aspecten? Niemand kan dat met zekerheid zeggen, nogmaals, geen “basis.” Een term waarmee filosofen de kennelijke combinatie van dynamiek en statiek soms uitdrukken, is moment. Duidelijker is het niet, maar weer eens iets anders.
Wat ik eigenlijk wil zeggen, is dat je verwarring nog zoveel mogelijk beperkt door de term voor wat je als het ware opwaardeert tot proces niet tevens te gebruiken voor één van die samenstellende onderdelen. Klopt, daar kom je met expliciete contexten altijd wel weer uit, maar juist omdat je verschijnsel m.i. niet duidelijk als één van de veronderstelde onderdelen kan opvatten, kan je er (als zodanig) beter van afzien. Zo vind ik dat de gehele semiotische enneade ‘gaat’ over informatie, communicatie e.d.  Bijgevolg vermeed ik enig element informatie te noemen.
Daarvoor bestaat natuurlijk geen absolute regel. Nu telt de enneade een tekendimensie. Maar als ik op de gehele enneade het etiket teken geplakt had, was ik als aanduiding voor die ene dimensie waarschijnlijk op informatiedimensie uitgekomen. Met mijn terminologische keuzes probeer ik zo dicht mogelijk bij productieve betekenistraditie(s) te komen resp. erop aan te sluiten. Ja, dat heeft een sterke veranderkundige bedoeling. En daarover zijn wij het grondig met elkaar eens! Nodeloze verandering kunnen we missen als kiespijn; het is al moeilijk genoeg. Waarop ik wijs is de spanning tussen verandering en continuïteit. Als je de druk op continuïteit onvoldoende opvoert, lukt verandering niet. Ja, met te veel druk gaat het ook mis.

39.56
Ter voorbereiding bekeek ik weer eens diverse documenten over GOB, Digilevering, Stelselcatalogus e.d. Ik houd het beeld dat fly-overs van babylonische  proportie middenin de weilanden gebouwd gaan worden. Er is geen zicht op dat er ooit een weg gaat lopen. En zelfs in dat onwaarschijnlijke geval verhindert de opzet van de fly-overs, dat zo’n weg kan worden aangesloten en er dus verkeer over mogelijk is.
Het is dus niet zo, dat Renoir valt te helpen op een bepaald onderdeel. De complete samenhang is contraproductief.
De meest praktische manier om feitelijk de benadering door Renoir te laten kantelen, ook eentje die wij nu het minste tijd kost, betreft volgens mij allereerst een huiswerkopgave. Betrokken medewerkers zouden Informatierotonde voor semantische interoperabiliteit moeten bestuderen. Die tekst is door-en-door relevant èn als zodanig simpel herkenbaar te krijgen. Het enige dat een Renoir-lezer hoeft te doen, is overal waar informatierotonde staat Gemeenschappelijke Ontsluiting Basisregistraties lezen. Of, omdat het anders zo’n mond vol is, Digilevering. Probeer het ajb eerst zelf eens?!
Het effect moet zijn, dat inzicht ontstaat in de reële opgave (faciliteren van informatieverkeer door àndere partijen; houd eens op met tot stelsel bestempelen wat er slechts een onderdeeltje van is), dat er een ècht infrastructurele voorziening voor moet komen (dus zeker qua opzet niet louter beperkt tot enerzijds basisregistraties, anderzijds zgn afnemers), dat gedetailleerde ‘kennis’ over aangesloten informatiesystemen overbodig is voor GOB/Digilevering e.d. (de vraag voor ontsluiting is slechts wat nodig en voldoende identificerende informatie is; het idee van een informatiedienst, dus welke informatie verder geleverd wordt, is nu juist dat het dienstverlenende systeem erover gaat; oh ja, in de zgn Stelselcatalogus ontbreekt nota bene identificerende informatie over maatschappelijke objecten, ervan afgezien dat van de structuurinformatie bijna niets klopt) enzovoort.
De laatste paragraaf van genoemde tekst vermeldt uitdrukkelijk “groeipad.” Daarop, nog wat huiswerk, zij het minimaal extra, gaat Vergeet samenhang door-de-tijd-heen niet! iets dieper in. Beide teksten bevatten verwijzingen naar (B)FS-publicaties over semantische interoperabiliteit.
Indien Renoir de bocht naar stelselmatige aanpak niet kan/wil maken, tja …

39.57
Zeg maar dat semantische interoperabiliteit vergelijkbaar is met Rome. Dat project is dus de zoveelste weg die onherroepelijk ernaartoe moet leiden. Maar nee …
Het is maar hoe je de Stelselcatalogus positioneert. Voor een informatierotonde staat er enerzijds te weinig in, anderzijds zijn die definities juist te veel. Hoe dan ook, het eerstgenoemde projectdoel is duidelijk voor wat “verdere verbetering van de consistentie en juridische validiteit van begrippen” betreft. Nu weet ik niet waarop Legis precies mikt, maar zo’n catalogus lijkt me dáár meer op z’n plaats. Maar ja, dan moet Renoir wel gaan snappen wat voor voorziening er voor stroomlijning van informatieverkeer wèl nodig is. Als je het zo ompoolt, kortom, kan het tweede doel althans voor de Stelselcatalogus vervallen; als middel voor het eerste doel telt de Stelselcatalogus immers niet.
Wat vervolgens als activiteiten vermeld staat, is nog concreet op de Stelselcatalogus georiënteerd. Inhoudelijk kloppen de voorgestelde activiteiten, maar dat moet in eerste aanleg lòs van enig middel gebeuren en al helemaal los van de Stelselcatalogus die immers niet stelselmatig is. Instrumentatie lijkt me dus vooral relevant voor Legis. Want waar gaat Legis ànders over? Nota bene, dat handjevol begrippen dat telt voor de basisregistraties moet natuurlijk geen aparte behandeling krijgen (zoals met de Stelselcatalogus zou gebeuren), maar opgaan in een algemene catalogus. Zie voor een aanzet voor zo’n algemene opzet het diagram in aantekening 38.76.
De Stelselcatalogus lijkt een verschijnsel waarop iedereen de hoop vestigt, dat er nog iets gaat lukken. Die wirwar van ijdele projecties is onmogelijk operationaliseerbaar. Zo is het dus o.a. onzinnig, nou ja, rationeel gezien, om onder de noemer van de Stelselcatalogus te willen realiseren wat wellicht met Legis enz. stagneert (omdat ook bij Legis blijkbaar niet beseffen dat ze op weg naar Rome moeten).

39.58
Hoorde jij daar ook de zucht van verlichting opgaan, nu wij deze correspondentieronde alweer afsluiten?

39.59
Omdat ze zowat alles op die Stelselcatalogus gooien, begrijp ik ook prima dat je er niet onderuit komt om vooralsnog onder diezelfde noemer in te steken. Ik wijs er ‘slechts’ op, dat ook zowat alles aan het plan voor de Stelselcatalogus verkeerd is. Wat je eventueel bijdraagt, moet naar mijn idee daarom qua inhoud meteen mikken op een àndere opzet. Dat kan een dilemma opleveren, als zij willen blijven volhouden volgens hùn ingeslagen weg; die loopt dood.

39.60
Achtereenvolgende modelversies lichtte ik toe in emailcorrespondentie. Als je netzo achtereenvolgens aantekeningen 38.64, 38.66, 38.67, 38.75, 38.76 en 38.77 leest, ben je helemaal bij. Daarna (vakantie) is er aan het model niet meer gesleuteld, maar dat gaat dus gauw veranderen …! Houd je het ajb een verrassing, dat een proefopstelling concreet op ons lijstje staat? De kans op kortsluiting zou weleens kunnen worden dat BFS als “juridisch adviseur” kritisch met de zgn Stelselcatalogus gaat bemoeien. Zij begrijpen prima, dat die catalogus niet deugt. Dus, wat mij betreft, Icit, informatierotonde …, nou ja, wie weet?

39.61
De afgelopen maanden heb ik o.a. besteed aan opstellen, waarin je in meer of mindere mate resultaten van mijn Plato-studiën terugziet. Dat is minimaal, te weten beperkt tot het zgn abstract, in Infrastructuur op een briefje, een analyse van bestuurlijke oogkleppen naar het voorbeeld van Nup. Dat zou een grappig verhaal zijn, als het niet zo triest was … Semantische kans door financiële crisis? mikt op het hoor-je-het-eens-van-een-ander-effect. Maar ja, it-architecten e.d. denken bij de naam Plato waarschijnlijk aan een snackbar of discotheek. De hoofdpersoon van dat opstel is overigens de filosoof Schaff. Het is iets voor als je rustig de tijd hebt (en duitstalige citaten je niet afschrikken). Aan wat Ecologische ontwerpdynamiek van rechten en plichten geworden is, begon ik enkele jaren geleden als analyse van Hardins artikel over wat hij de tragiek van de gemeenschapsruimte noemt; daaraan wilde ik een punt draaien en met Plato lukte dat. Zo’n tekst is vooral zoiets als mijn leesverslag, zo van, begrijp ik als staatsrechtelijke leek eigenlijk wat daar ‘staat’? Dergelijke wisselwerking van schrijven en bestuderen kost best wat moeite, zodat ik het resultaat ervan maar bewaar.
In Semantische kans door financiële crisis? lees je, dat Plato metapatroon zeker gesnapt had. Sterker nog, als hij nu geleefd had, was die methode wellicht eerder van hèm gekomen. Dat had voor acceptatie trouwens niets uitgemaakt; bestuurlijk dedain resp. neoliberale inkapseling (zie het slot van Infrastructuur op een briefje met citaten van ene Misik, oeps, alweer duitstalig) maakt geen uitzondering. Plato’s oriëntatie op meerduidigheid komt nòg duidelijker tot uitdrukking in een dialoog dat ik later las. Ècht prachtig! Maar dat vind ik ook weer wat ingewikkelder. Daarover komt een volgend opstel aan, waarvan de (werk)titel luidt: Daar heeft Plato natuurlijk een punt voor de informatiemaatschappij.
Na Plato is Aristoteles’ oeuvre aan de beurt en ben ik minstens alweer een jaar verder …
Praktisch maken we voortgang bij Ictu, m-a-a-r  d-a-t  g-a-a-t  h-e-e-e-e-e-e-e-l  l-a-n-g-z-a-a-m. De kans dat ik Aristoteles eerder uitgelezen heb dan dat Martijn Houtman daar een informatierotonde werkend heeft voor de operationele informatieverzamelingen voor intern beheer (waarover gaat het nu helemaal?), is helaas reëel en dat ligt zeker niet aan Martijn (want hij kan ermee klaar zijn, voordat ik zelfs maar de eerste paragraaf uit heb).

39.62
Wat alomtegenwoordige (post)moderne managers betreft, hoef je helaas over geen ènkele “waarzeggende gave” te beschikken voor de voorspelling dat ze geen ènkele inhoudelijke interesse hebben. Zo is er ook weer bij […] de zoveelste manager tussengeschoven die zegt ‘op het proces’ te zitten. Overigens gaat die column, Over parodismen en –mismen, o.a. erover hoe we de alsmaar langere periode van “geduld” draaglijk kunnen maken.

39.63
Spaar jezelf ajb niet met bemoeizucht, dus, ja, als je "het verder [gaat] uitzetten bij mensen die er mogelijk wat aan hebben," graag! De vraag is natuurlijk of er verder iemand serieus naar kijkt, maar niet geschoten ...
Er is nog een reden, dat ik blij met jullie reacties ben. Enkele weken geleden spraken we af, dat ik een ontwerpschets zou opstellen van/voor de inhoud van de tweede bfs-bundel. Over hoe ik dat kon opschrijven, liep ik maar te sudderen. Nu kan ik ervoor aansluiten op de crux van Infrastructuur op een briefje, te weten de noodzaak van visie op informatiemaatschappij. Enkele mensen kunnen een bijdrage schrijven met hun speculatieve idee erover. Daarvoor kunnen we mensen benaderen, die elk tevens een nader thema uitwerken. Bijvoorbeeld, wat betekent 'de staat' in verhouding tot zo'n maatschappij? Welke ontwikkeling is aangewezen voor grondrechten? Nb, hierover buigt zich thans voor Nederland een staatscie. Waarom bemoeit — veranderde? — overheid zich met onderwijs? Welke eindtermen zijn relevant voor deelnemers aan informatiemaatschappij? Blijft globaal de verdeling noord-zuid resp. rijk-arm en wijzigen slechts de etiketten naar iplus-imin?
Eigenlijk hoeven wij dergelijke vragen niet te bedenken. We moeten op zoek naar mensen, die weleens een wild verhaal willen afsteken en de ruimte ervoor graag benutten. De rode draad die we redactioneel moeten borgen betreft interoperabiliteit. Wat vergt zo'n visie van voorzieningen voor interoperabiliteit, infrastructuur voor informatieverkeer? Het resultaat moet m.i. een bundel zijn, waardoor vooral mensen in opleiding zich aangesproken voelen. Wanneer zittende mensen erdoor in beweging komen, is dat meegenomen, zelfs prachtig, maar we mogen daar niet op rekenen. Er is natuurlijk wel een probleem. Bestaan er zittende mensen die tot toekomstvisie in staat zijn?

39.64
Ik ben dus geen “purist,” wil je maar zeggen. Met dat verwijt laat je je kennen als … zurist, het is ook nooit goed, wat verdacht veel klinkt als … jurist.
Met wat je ter promotie van het genre schrijft, ben ik het graag eens. Uitgebreider hoeft de tekst toch niet? De beknopte vanzelfsprekendheid van Over parodismen en –mismen zie ik juist als noodzakelijk voor komisch effect.

39.65
Is het leven niet goed genoeg? Ajb niets aan veranderen, zou ik zeggen. Zo doen we toch allemaal iets, dat bijelkaar werkt?!
Met “nuance” wijs je precies het scherp van de ontwerpsnede aan!! Want een wezenlijk aspect van ontwerpen is, nou ja, vind ik, vorming van regels die openstaan voor productieve overtredingen. Zo blijft ontwerp(en) dynamisch, wat natuurlijk onmisbaar is in/voor de veranderlijke wereld, enzovoort. Nota bene, meestal (altijd?) bevat juist zo’n vermeende overtreding de kiem van aanpassing. Voor dialectiek geldt een heuse paradigmawissel als, tja, paradigmatisch.
Ik geef toe, dat ik die extra s in mijn aanvullende parodisme pas later opmerkte. Waarschijnlijk kwam dat, omdat ik de aanvankelijke regel voorbij was dat het effect strikt van beginletter(s) moet komen. Zeg ook maar, dat ik “naïef” ben, dus dom genoeg om me niet te laten remmen door zulke flitsende censuur.
De opzet met je “naïeve vraag” aan een bestuurslid enzovoort schreeuwt om een parodisme van dom blondje. Daarvoor kan ik even niets verzinnen. Maar zo slim moet het, graag. Indrukwekkend, hoor, “natuurlijk heb ik connecties …”
Gisteren sloeg ik in een antiquariaat een boek willekeurig open en viel mijn oog op het woord “krommunikaatsie” (Zijn de geleerden het hier over eens? Opstellen over klinische psychotherapie, samenstellers J.E.A. Wagenborg en R.F. Koning, Stichting Centrum St. Bavo, 1989, p. 131). Toen ik het zag, herinnerde ik mij dat woord eerder gehoord te hebben. Dàt is toevallig, dacht ik eerst. Maar het klopt dus dat parodismen van alle tijden zijn.

39.66
Verder mag je er natuurlijk nooit voor terugdeinzen om iemand opzettelijk verkeerd te begrijpen, indien je daardoor de kans op een parodisme krijgt …

39.67
Nee, wat mij betreft zijn "de kenmerkende verschillen tussen die twee werelden" niet aan de orde geweest. Vanuit mijn perspectief bijten zij zich in hun vertrouwde bouwmaterialen vast. Als je iets opmerkt over perspectief voor modelleren, vatten zij wat je zegt op als een bepaald model en beweren dan dat je dàt model beslist kunt bouwen met hùn materiaal. Dat zal ook wel, maar dat is de crux volgens het modelleerperspectief helemaal niet. Zo blijven ze opschaling naar stelselmatigheid met alle gelijktijdige, veranderlijke variëteit van dien missen.  Op die schaal moet je allereerst passend kunnen modelleren. Daarná is het pas de vraag of hun bouwmateriaal al dan niet optimaal is. Het is zinloos daarop een antwoord te gaan geven, zolang zij die perspectiefwissel niet herkennen. In dit verband keek ik opnieuw (even) naar SBVR, omdat zij daarvan melding deden. Dat zit m.i. eveneens in de bouwhoek, wat hun enthousiasme ervoor verklaart. Enige aanwijzingen voor stelselmatig modelleren kan ik er niet in ontdekken, allerlei vermeldingen van context ten spijt.
Overigens schets je met "twee werelden" een tegenstelling die ik liever vermijd. Ontwerp en bouw behoren tot één en dezèlfde wereld, als aspecten van een proces. Wie denkt dat bouw(materiaal) meteen ontwerp inhoudt, leeft niet in een àndere wereld, maar vergist zich voor wat lastiger opgaven domweg.

39.68
Wat een prachtparodismen!! Analytisch vind ik sinister sterk, maar de herkenbaarheid van minister is helaas problematisch; dat komt natuurlijk omdat sinister zèlf al een ‘oorspronkelijk woord’ is. Het is dat je de oplossing meegaf, anders had ik ‘m niet gesnapt. Je zou trouwens ook, omgekeerd dus, minister als parodisme van sinister kunnen beschouwen, maar om dezelfde reden ontbreekt de herkenningsflits die doeltreffende spot karakteriseert.
Tja, wat doen we nu? Houden we toch zèlf al een verzameling bij?

 

 

Juli – augustus 2010, webeditie 2010 © Pieter Wisse