Informatierotonde voor semantische interoperabiliteit

Pieter Wisse

Metafoor

In het verkeer van fysieke verplaatsingen over de weg is een rotonde een voorziening voor vlottere verbindingen. Het lijkt soms een òmweg, maar de gestandaardiseerde manier van in- respectievelijk uitvoegen levert per saldo voordeel voor dóórstroming.
Hier dient de traditionele verkeersrotonde als metafoor voor een extra voorziening ter facilitering van verbindingen tussen zgn informatiesystemen. Een informatierotonde, dus. Voorrang verkrijgt borging van sporende betekenis: semantische interoperabiliteit.
Met deze metafoor gaat het vooral om een eerste zetje in een productieve(re) ontwerprichting. Voor een bruikbare voorziening verdient natuurlijk juist aandacht wat wezenlijk voor succesvol informatieverkeer is: verzonden informatie komt vlot aan, resulterend in interpretatie tot passende betekenis.

 

 

Stel, twee bestáánde informatieverzamelingen

Wat semantische interoperabiliteit zoal inhoudt, laat zich al aardig illustreren met een ènkele organisatie die voor haar interne bedrijfsvoering twee informatiesystemen gebruikt. De reële veronderstelling luidt voorts, dat die systemen (lees ook: toepassingen) ooit apàrt opgezet zijn enzovoort. Daar horen netzo aparte informatieverzamelingen bij. Maar de informatie die in beide systemen annex bijbehorende verzamelingen geregistreerd staat, vertoont overlap (lees ook: duplicatie).
Er kunnen allerlei argumenten aangevoerd worden om (vooralsnog) weinig tot niets aan die bestáánde informatieverzamelingen en bijgevolg –systemen te veranderen. Hoe wordt desondanks (meer) samenhang bereikt? Dan ligt het voor de hand om bepaalde informatie voortaan slechts in één verzameling als het ware origineel op te nemen, waarna een afschrift ervan beschikbaar gesteld wordt aan de àndere verzameling.
Waarom werkt zo’n recht-toe-recht-aan verbinding vaak echter niet?
Een reden is, dat informatie nooit zgn atomair is. Specifieke informatie heeft daarentegen een structurele positie, zeg maar haar context. Gelijkluidende namen, daarop wees Aristoteles reeds uitdrukkelijk, borgen daarom nog lang niet dat contexten stroken. (Grotere) zekerheid over betekenis vergt explicitering van bijbehorende contexten.
Aangezien contexten vergaand impliciet zijn in de apàrt opgezette systemen/toepassingen en de afspraak hier even is om ze qua opzet ongemoeid te laten, is een gestructureerde voorziening ertùssen nodig.
Een nauw verwante reden dat informatieuitwisseling tussen oorspronkelijk gescheiden systemen/verzamelingen als regel een èxtra voorziening vergt, heeft met relevante objectenpopulaties te maken. Zonder expliciete contexten heeft het er gauw weg van, dat de ene verzameling informatie bevat over dezèlfde objecten als de andere verzameling doet. Wie vervolgens naar relevante exemplaren kijkt, herkent wellicht dat het ene systeem ‘gaat’ over méér exemplaren, of juist over minder dan het andere systeem.
Wat aldus in eerste aanleg een kwantitatief vraagstuk lijkt, verkrijgt een kwalitatieve oplossing dankzij zgn contextuele verbijzondering.
Het helpt om de illustratie iets te concretiseren. Voor organisatie x moeten bijvoorbeeld de systemen A. relatiebeheer en B. personeelsbeheer zoveel mogelijk intact blijven.
Er geldt dat elk personeelslid tevens ‘relatie’ van de organisatie in kwestie is. Andersom is dat (natuurlijk) niet zo; de organisatie kent stellig méér ‘relaties’ dan personeelsleden.
Neem aan dat beide systemen c.q. verzamelingen specifieke informatie onder de noemer van persoon kennen. In (verzameling) A betekent persoon dus persoon-als-relatie, terwijl in (verzameling) B persoon echter persoon-als-personeelslid betekent.
Hoe lukt het, dat A slechts persoonsinformatie aanbiedt over wat telt voor B, dwz personeelsleden? Van oudsher wordt daarvoor in A de relatie getypeerd; als eigenschap van relatie verschijnt daar eventueel personeelslid. Dat dient in A als selectiecriterium voor de beoogde afschriften voor B.
Het kan ook anders(om). In B wordt slechts informatie opgegeven, waarmee een ‘relatie’ in A eenduidig valt te identificeren. Noem het gemakshalve een relatienummer. Op basis van dat nummer kan A vervolgens een afschrift opstellen voor B.

 

 

Intermezzo: basisregistraties

Voor de (Nederlandse) elektronische overheid zou A als een basisregistratie tellen. Het idee is onder meer, dat B hoogstens dezelfde objectenverzameling betreft, nooit een grotere, maar vrijwel altijd een kleinere.
Er zijn ruwweg twee soorten afschriftabonnementen. Volgens het ene ‘duwt’ A informatie naar B over alle objecten die voldoen aan bepaalde criteria. En volgens het andere ‘trekt’ B op basis van uniek identificerende informatie (lees: een objectnummer) uit A (verdere) informatie over een specifiek object.
Een reden waarom dat zo niet soepel werkt, is herleidbaar tot relevante objectenpopulaties (zoals de vorige paragraaf al aanstipte). Het blijkt dat basisregistraties niet voldoen aan de voorwaarde dat de respectievelijke populaties waarover informatie bijgehouden wordt, groter-of-gelijk zijn vergeleken met informatieverzamelingen die eruit moeten putten.
Voor nadere analyse met schets van oplossingsrichting zie o.a. mijn opstellen Willen de èchte basisregistraties …? (2009) en Basispuzzel met stelselmatige registerstukjes (in: PrimaVera, working paper 2009-03, Universiteit van Amsterdam, 2009). Zie ook Semantiek op stelselschaal: issues en oplossingsrichtingen (Bureau Forum Standaardisatie, 2009).

 

 

Weliswaar minimale wijzigingen, maar tòch!

Als uitgangspunt voor deze eerste illustratie van semantische interoperabiliteit geldt dat bestáánde informatieverzamelingen zo mogelijk ongemoeid blijven. Met een directe voorziening tussen A en B blijkt dat niet haalbaar. Enerzijds moet A voorzien in (selectie)criteria voor B, anderzijds moet B voorzien in unieke objectidentificatie volgens A.
Voor een beperkt aantal informatieverzamelingen blijft dat redelijk overzichtelijk. De schaalbaarheid van één-op-één voorzieningen is echter problematisch. Neem het geval dat A niet de populatiedekking biedt die voor B telt. Dan kan B voor ‘trekken’ niet volstaan met een objectidentificatie die weliswaar voor één van de bronnen (uniek) klopt, maar voor welke precies?
Bij meerdere bronnen gaat het dus om de combinatie van objectidentificatie èn concrete bron (An). Die opzet verdient overigens tevens de voorkeur, als er slechts één bron benut wordt. Dat worden er met schaalvergroting van informatieverkeer vroeg of laat méér.

 

 

Aanzet tot informatierotonde

Een informatierotonde maakt de koppeling tussen informatieverzamelingen A en B los(ser). Om bij het voorbeeld te blijven, wanneer A dient als bron van afschriften voor B is het voor een robuuste informatierotonde nodig om te erkennen dat personen à la A blijkbaar ‘relaties’ zijn. Sterker nog, dat zijn geen ‘relaties’ in algemene zin, maar gelden als zodanig vàn organisatie x. Dergelijke contextualisering valt methodisch te modelleren. Die methode heet metapatroon (P.E. Wisse, Metapattern: context and time in information models, Addison-Wesley, 2001) en is door Forum Standaardisatie erkend vanwege haar mogelijkheden voor beheersing van betekenissenvariëteit (lees ook: semantische interoperabiliteit) op maatschappelijke, dus open schaal (lees ook, naar analogie met planologie: door-de-schalen-heen). Zie de website van Forum Standaardisatie (www.forumstandaardisatie.nl) voor diverse publicaties, o.a. Semantiek op stelselschaal (2009), Analyse van gerelateerdengegevens in het kader van RNI (2009) en Praktijkmodellering van het begrip werkgever (2009).
Figuur 1 schetst de informatierotonde en toont voor informatietypen hoe personen uit A (pas) ‘op’ de rotonde (tevens) expliciet als ‘relaties’ van x bekend zijn.

figuur 1: informatieverkeer draait om expliciete contexten.

De invalshoek volgens B laat zich met metapatroon eenvoudig aan de informatierotonde toevoegen. Dat kan zoals figuur 2.a schetst, mits de voorwaarde stand houdt dat een personeelslid van organisatie x tevens ‘relatie’ is. Zo niet, dan is het model volgens figuur 2.b nodig. Merk op dat informatieverkeer naar B niet louter vanuit A verloopt; kennelijk zijn er ook àndere bronnen met persoonsinformatie over personeelsleden. Figuur 2.b is dus toekomstvaster en verdient daarom de voorkeur.

figuur 2: Hoe verhouden personeelsleden zich tot relaties?

Het effect van zo’n informatierotonde is dat A niets meer over B hoeft te weten, B omgekeerd evenmin iets over A, enzovoort.
Stel nog steeds dat A als bron van persoonsinformatie gebruikt wordt. Wat vanuit A feitelijk de informatierotonde bereikt, is informatie over een persoon-als-relatie. Daarvan leidt de informatierotonde het bestaan van een (natuurlijk) persoon y àf. Uitgaande van wat die informatie in A betekent, kan daaraan in de informatierotonde ‘relatie’ worden toegevoegd door een … relatie tussen persoon(exemplaar) y en organisatie(exemplaar) x. Volgens figuur 2.b kan, indien van toepassing, in de informatierotonde tussen persoon(exemplaar) y en organisatie(exemplaar) x vervolgens een àndere (informatie)relatie worden gevestigd, te weten personeelslid. Dàt vormt het aanknopingspunt voor een verdere etappe in het informatieverkeer, ditmaal van de informatierotonde naar B.

 

 

Rotonde als register?

De mate waarin de informatierotonde tevens informatieverzameling is dan wel moet zijn, hangt af van daadwerkelijk vraag en aanbod van informatieverkeer. Contingent, met andere woorden.
De kaalste opzet blijft beperkt tot unieke identificaties van objecten, met daartussen zonodig aanvullende relaties, relaties tussen zulke relaties enzovoort ter eenduidige contextualisering. Dat volstaat, nogmaals, zolang aan de voorwaarde voldaan is dat een specifieke vragende informatieverzameling steeds ‘genoeg heeft’ aan informatie in één ènkele aanbiedende verzameling.
Hoe ruimer de schaal van het informatieverkeer, des te lastiger valt die voorwaarde te borgen. Het is daarom verstandig, zo niet noodzakelijk, om te rekenen met diverse verzamelingen als evenzovele bronnen voor informatie over objecten van dezelfde soort. Pèr bron is bepaalde objectinformatie beschikbaar; daarover geeft het desbetreffende informatieprofiel uitsluitsel. Zo’n profiel is eigenlijk de gepubliceerde informatiedienst van de bron/verzameling in kwestie.
Een sterk veralgemeniseerd model voor een rotonde ziet er dan uit zoals figuur 3.

figuur 3: objectinformatie in diverse verzamelingen volgens (stellig) afwijkende profielen.

Nota bene, volgens figuur 3 kent de informatierotonde ‘eigen’ unieke identificaties voor objectexemplaren. De identificatie die zo’n objectexemplaar volgens een bepaalde informatieverzameling kent, staat náder contextueel verbijzonderd vermeld in de rotonde, te weten ‘onder’ registratie. Voor iemand (objectexemplaar) die in de Gemeentelijke Basisregistratie Persoonsgegevens (informatieverzameling: GBA) is opgenomen, heet de desbetreffende unieke objectidentificatie (tegenwoordig) burgerservicenummer. Een persoon (objectexemplaar) die als klant van een winkelbedrijf geregistreerd staat (informatieverzameling), staat daar met een klantnummer oid bekend.
In België moet aan de zgn Kruispuntbank — niet toevallig eveneens een verkeersmetafoor — een basisidee ten grondslag liggen, dat figuur 3 ongetwijfeld benadert.

 

 

Ontoereikende informatieprofielen, tekortschietende structuur

Als factor die leidt tot vulling van de rotonde, passeerde reeds impliciete context de revue. De noodzakelijke contextuele explicitering, in figuur 2 rudimentair getoond, illustreert dat extra informatie in de rotonde zèlf opgenomen wordt, waardoor zij in sterkere mate tevens als register dient.
Druk in diezelfde richting groeit extra, naarmate bestáánde informatieverzamelingen structureel niet toegerust blijken voor verander(en)de opgaven. Zo voldeed een verouderd informatiesysteem voor personeelsbeheer vroeger vooral als sluis naar een (veelal) extern systeem voor salarisverwerking. Toen had een werknemer als regel precies één functie bij haar/zijn werkgever. Verder wijzigde de organisatiestructuur van die werkgever niet of nauwelijks.
Dat is inmiddels met deeltijdbanen, projectwerk, reorganisaties, inzet van zzp-ers enzovoort allemaal anders. Het komt dus voor, redelijk neutraal uitgedrukt, dat een bestáánd informatiesysteem voor personeelsbeheer daarop niet berekend is. Dat blijkt ook niet aanpasbaar zonder gevaar van ontwrichting van allerlei organisatorische procedures.
Indien een informatierotonde wèl voorziet in gewenste mogelijkheden, hoeft het nog niet zo gek te zijn om het als register uit te breiden. Dat kan het aparte systeem voor personeelsbeheer (sterk) ontlasten. De vraag is natuurlijk wel of het niet paradoxaal is om een voorziening voor optimaler verloop van informatieverkeer te benutten voor … terugdringen van verkeer. Op maatschappelijke schaal (lees: elektronische overheid) moeten één of meer informatierotondes vooral schakelen tussen (andere) registers. Dat faciliteert de federatieve opzet respectievelijk het inherente netwerkkarakter van openbaar bestuur. Voor een aparte organisatie speelt dat (vooralsnog) minder of helemaal niet. Via een flexibele rotonde annex register laten zich daar gauwer beperkingen van bestáánde informatiesystemen/-verzamelingen omzeilen.

 

 

Naar bevindt van zaken: groeipad

Een informatierotonde staat er niet compleet op korte termijn. Sterker nog, op de schaal waarop zo’n rotonde voordeel biedt, kan zij nooit àf zijn. Door veranderende omstandigheden veranderen behoeften aan informatieverkeer méé.
Een informatierotonde moet dus een open concept zijn. Er moet steeds een productief vervolg aan gegeven kunnen worden, terwijl wat er reeds staat zo toekomstvast mogelijk is.
Op toekomstvastheid wijzen resultaten van onderzoekprojecten die onder auspiciën van Forum Standaardisatie uitgevoerd zijn. Hierboven staan enkele publicaties opgesomd. Daaruit doemt convergentie op van betekenissenstructuur aan de zgn modelhorizon. Die blijkt, kortom, nogal invariant en verdient daarom de aanduiding van semantische hoofdstructuur.
Een informatierotonde die voortborduurt op bedoelde semantische hoofdstructuur is meteen behoorlijk op weg in de goede richting. Dan moet er praktisch een keuze volgen tussen welke informatieverzamelingen het verkeer allereerst gestroomlijnd wordt. Daarvoor bestaat geen recept. Met het accent op interne bedrijfsvoering, zoals hier ter illustratie aangenomen, ligt het inderdaad voor de hand om te beginnen met uitwisseling van persoonsinformatie. Daar zit meteen het aspect van organisatie aan vast. Dat zal meteen duidelijkheid geven, of de rotonde tevens (verdergaand) als register gaat dienen.
Op die manier moeten alle bestaande informatieverzamelingen aan de beurt komen. Als de volgorde met enig overzicht bepaald is, vergt elke vòlgende verkeersstroom steeds minder werk aan de informatierotonde. Dat is natuurlijk ook precies de bedoeling met zulke infrastructurele voorzieningen. Zie ook Schakelpaneel (2006).
Een bijzonder aandachtspunt is beveiliging. Omdat een informatierotonde vlotte doorstroming van informatieverkeer moet bevorderen, werkt het averechts om ter beveiliging zoiets als een muur òm de rotonde te plaatsen. Onderdeel van een informatierotonde is daarom eveneens het concept om niet langer de verwerkingsmiddelen, maar informatie zèlf te beveiligen. Dat vergt betrouwbare authenticatie en gerichte autorisatie. Daaraan zijn zonodig certificaten voor ver- en ontsleuteling van specifieke informatie gekoppeld.
Als onderdeel van informatieverkeer geldt trouwens nadrukkelijk ook rapportage. Een vroeg doel met rapportages dat de rotonde kan/moet dienen, is analyse. Zo suggereert figuur 3 dat via de rotonde informatie kan worden bijeengebracht die in verschillende verzamelingen over persoon y geregistreerd staat. Wat zijn daartussen reële verschillen? Welke verschillen zijn daarentegen contraproductief en vergen extra inspanningen om afgestemd te krijgen? Kunnen nodeloze verschillen worden geëlimineerd? Dat lukt bijvoorbeeld in eerste aanleg door replicatie en op wat langere termijn door herinrichting van informatieverzamelingen, nota bene inclusief het beheer ervan, omdat een rotonde ze voortaan structureel kan laten samenhangen.

 

 

25 maart 2010, webeditie 2010 © Pieter Wisse