50.
Aantekeningen voor/uit correspondentie,
juli – december 2014

Pieter Wisse

50.1
Uit de vrijwel prompte nadere reactie van de blogauteur ‘zelf’ maak ik op dat (ook) hij het zo wel weer genoeg vindt ... Jij nam zijn insteek terecht serieus met je reactie. Daarvan lijkt hij geschrokken. Want dat was zijn bedoeling natuurlijk niet (omdat hij anders erop kan worden aangesproken waarom hij niets doét).

50.2
Tja, als je niet gewoon naar de bal blijft kijken ... Ik deed in de huiskamer trouwens tijdig de suggestie om Huntelaar ‘op goal’ te zetten voor de strafschoppen. Inderdaad zou hij er wèl minstens twee gestopt hebben, toch? En wat is er mis om Messi op een leeg doel te laten schieten, zo van, jij bent zó goed, alle respect. Daarvan gaan volgens mij ineens zijn teamgenoten (nog) een stuk minder schieten. Per saldo levert dat geheid winst op.
Allerlei coachingkeuzes pakten ditmaal juist verkeerd uit; zoveel geluk kan je ook onmogelijk blijven houden. Waarom beginnen met drie kennelijk niet fitte spelers? En waarom niet (zoals in de slotfase tegen Mexico) de verdediging van Argentinië gaandeweg voor een nieuwe opgave gesteld met een voorhoedespeler erbij, enzovoort? Ja, Messi zat weliswaar in de tas, maar wie weet dat over een tijdje nog? Zo hadden ‘we’ er in elk geval niets aan.
Nou ja, jammer. En over geluk gesproken, ik vind het zowat een wonder hoever ‘ze’ gekomen zijn. Vlaar, De Vrij, en nu ook Clasie, ..., prima!
Verder maar blijven hopen dat er een wereldkampioen ‘voetbal’ komt, en dus geen ploeg à la Costa Rica enzovoort (want ook Nederland oversteeg dat handbalconcept niet). Wat een schoolpleinvoetbal trouwens van Brazilië. Aan die Marcello, bijvoorbeeld, heb je pas iets als je met tien man al veel sterker dan je tegenstander bent. Hallo, dan kan ik het óók ...Tegen Duitsland ligt dat echter nogal anders, wat dus gauw genoeg bleek. En in hun statische klunzigheid overtroffen de Braziliaanse centrale verdedigers (tegen Duitsland) zelfs die van Spanje (tegen Nederland).

50.3
Tja, als jij daar iemand kent ... Ik ben er nooit in geslaagd om allereerst zelfs maar een contactpersoon te identificeren, laat staan om daadwerkelijk contact te krijgen. Dat zegt wellicht helemaal niets, omdat ik niet zo’n contactlegger ben (en ik het o.a. daar zeker niet dagelijks probeer).

50.4
Met Onwetendheid en sociaal gedrag, een wijsgerig-sociologische studie over beperkte informatie (Van Loghum Slaterus, 1975) houdt Cornelis L. Kruithof achteràf bekeken o.a. een dringend pleidooi voor Metapatroon (dat ik immers pas later ontwierp, in 1990 onder de noemer van multicontextueel paradigma). Want van Kruithofs beschouwing komt van alles en nog wat als het ware terug in subjectief situationisme enzovoort, zij het dat voor consequente synthese ook bij hem nog een uitgesproken semiotische ordening ontbreekt (zoals de enneade met dynamiek van dien biedt).
Hoe dan ook vind ik zijn boek onverminderd actueel ter bevordering van kritische zin (die nu juist, zoals hij verklaart, door handhaving van onwetendheid onderdrukt blijft). Volgens mij werkt de boodschap èxtra krachtig in combinatie met onderwijs in het opstellen van stelselmatige modellen met Metapatroon.
Wat mij betreft eerst maar eens ergens in een klas VWO-5 proberen. Tja, hoeveel kans krijgt zo’n boek om door mensen op middelbare-schoolleeftijd ... kritisch te worden bestudeerd!?

50.5
Wat ik subjectief situationisme noem, is een sociale psychologie op z’n semiotisch. Dat expliciet semiotische, met de enneade als (meta)model, faciliteert èxtra samenhangend overzicht. Dat maakt, althans, dat vind ik, eerder opgestelde sociaal-psychologische verhandelingen (veel) begrijpelijker (zie ook de aantekening hierboven). En volgens de semiotische enneade meen ik her en der prompt (verstrekkende) verbeteringen van zulke theorieën te kunnen suggereren.
Zo is juist dankzij Metapatroon enz. Vygotsky’s sociohistorical psychology and its contemparary applications (Plenum Press, 1991) door Carl Ratner eenvoudig herkenbaar als een boek met overtuigende strekking. Nee, voor middelbare scholieren lijkt het me niet geschikt. Maar wie als zelfverklaarde professional na bestudering ervan nog steeds atomisme geldig acht voor – het ontwerpen van – conceptuele modellen met stelselmatige strekking, heeft het kennelijk niet ... bestudeerd.
Suggesties? Waarom veronderstelt Ratner (p. 89) “decontextualized vs. contextualized mental processes”? Dat noodzaakt immers tevens tot een verklaring – die daar overigens m.i. voorspelbaar uitblijft – van de overgang ertussen. Metapatroon maakt dat onderscheid echter overbodig door de aanname, nota bene scheermes van Ockham, dat àltijd (een) context aan de orde is. Daarvoor vormt de zgn horizon de grens(waarde).
Zo’n modelleermethode annex –taal als Metapatroon, dus met één enkele, compleet dekkende systematiek, is uiteraard onmisbaar voor pràktisch daadwerkelijk stelselmatig bereik. Ook weer Ratners boek kan de informatiekundig ontwerper helpen om dat gereedschap (veel) beter te benutten. Daardoor is z/hij alweer wat minder onwetend.

50.6
De verwarring is daar m.i. nogeens versterkt door te verlangen dat alle debiteuren volgens één structuur moeten zijn geregistreerd enz. Het is echter geen kwestie van of/of, maar van en/en ...
Zoals ik het zie, kan de koers slechts door twee slagen wijzigen:

1. erkenning van structurele variëteit
2. erkenning dat 'een' debiteurenmodule die reële variëteit, in het geval van informatieverkeer waarbij (de) organisatie in kwestie betrokken is, niet 'zelfstandig' kan faciliteren.

Waarop niet-zelfstandig neerkomt? Inderdaad, een èxtra module (aangesloten op informatierotonde) voor relatiebeheer op z'n complete verkeersprofiels. Hoe een 'relatie' daarin volgens-welke-structuur-dan-ook geregistreerd staat, vormt als het ware de basis voor een, zeg maar, platte afleiding ervan elders, dus desgewenst ook in een debiteurenmodule ... Ofwel, daarmee is het probleem in zo'n gespecialiseerde module wèg.
Wanner iemand dat alles bijelkaar rotonde 2.0 noemt, ook goed. Het zit dus wat anders in elkaar, maar dat moeten we maar voor fijnproevers bewaren.
Op zeer korte termijn is zo'n rotonde 2.0 natuurlijk niet operationeel te krijgen (waarbij programmatuur ervoor stellig nog het minste probleem is). Dus, ja, graag mee eens: proef.

50.7
Hoe dat daar vooralsnog bedacht is, biedt (veel) minder variëteit ... en gaat daarom geheid mis. En ik blijf bezorgd of het verstandig is om dat zo geïsoleerd te beschouwen. Het betekent dat het een verzameling is van vergaand aparte oplossingspoginkjes ... en dat werkt nooit, laat staan soepel enz.
Daarom ben ik geneigd jouw voorstel te clausuleren. Zo van, ja, er is voor dat ene probleem – zoiets als – een oplossing. Het is echter de vraag, of dat 'past' met de 'rest.'
Het verdient voorkeur om consolidatie tot één financiële eenheid in eerste aanleg met vertrouwde 'techniek' te completeren. Dat laat de organisatie zich concentreren op de wijzigingen qua financieel beheer. Zodra dat allemaal 'past,' laat het complete 'pakket' zich (pas) vlot overzetten naar àndere 'techniek.' Per saldo gaat dat véél sneller dan via het gepast krijgen van wat feitelijk losse(re) puzzelstukjes volgens de huidige aanpak zijn. (Het bewijs dat die puzzel moeilijk is, zo niet onmogelijk, mag door het jarenlange gemodder geleverd geacht zijn.)
Er hoort m.i. de kanttekening bij dat ook de opzet voor structuurvariëteit met huidige techniek 'slechts' een tussenoplossing is, dus bedoeld om op korte termijn in elk geval kwantitatief de meeste problemen opgelost te krijgen (en dat is gelukt). Dat is een èxtra reden om terughoudend te zijn met investeringen in wat op wat langere termijn toch ànders moet; sterker nog, maatwerk als wijziging van zo'n programmatuurpakket mag niet (!) meer aan de orde zijn.

50.8
Dat lees in natuurlijk graag. In zijn artikel Mapping the Past schrijft Gavan McCarthy (p. 3):

Pieter Wisse in his benchmark 2001 book Metapattern: Context and Time in Information Models laid the groundwork for a decade of conceptual thinking that was in effect trying to revolutionize how we think about information systems and how we build them.

Op mijn beurt stuurde ik de auteur een bericht; zie de aflevering van gelijktijdige engelstalige aantekeningen (notes).

50.9
Een nota bene principiële misvatting, theorie dus, is onder meer dat standaardisatie doorgaans wordt verward met absolute uniformering. U kunt daarentegen niet vroeg genoeg beschikken over een theorie die helpt om reële verschillen te erkennen èn daartussen samenhang te vestigen.
(Ook) een standaard is betrekkelijk, en namen van gemeenten vormen daarop zeker géén uitzondering. Het is dan zaak om steeds de relevante betrekkelijkheid te duiden: context. Over een methode daarvoor, dus ook alweer onmisbare theorie, licht ik u graag in. Maar dat heeft slechts zin voordat u begint aan “overzicht.” Mocht u eerst zo’n overzicht willen opstellen om vervòlgens pas te kijken naar de methode ervoor, is het uiteraard alweer te laat.

50.10
Wanneer je het opstel Platoonse bewegingsleer voor ontwerpers maar rommelig vindt, maak ik prompt ervan dat het mijn opzet was, dus alvast bedankt voor je compliment. :-) Want met fragmenten-zonder-conclusie probeer ik onvermijdelijke voorlopigheid uit te drukken. Ik had er nog jaren mee kunnen dóórgaan, van alles en nog wat erbij halen, de tekst eindeloos laten groeien ... Maar minder rommelig wordt ‘ie daardoor natuurlijk niet, integendeel.
Het is dan wèl weer zo, dat die indruk (pas) mogelijk is, omdat de opsteller zich met enige uitdrukking netzo onvermijdelijk vastpint. Daardoor krijgt de lezer ruim gelegenheid om te vèrzinnen wat volgens haar/hem ontbreekt. Het is niet anders ...
Zo struikelen we van het ene naar het andere tussenstation in de hoop dat ze dienen als onze trefpunten, maar zonder ooit te weten of er überhaupt een eindstation ‘is,’ laat staan dat we weten waar dat ‘staat,’ en zoiets als vasthouden doen we al helemaal nooit. Tja, wat je niet eens vasthoudt kan je ook niet loslaten. Het is, alweer onvermijdelijk, lòs, punt.
Intussen ervaren we dat we verder moeten, en dat doen we dan maar ... Als we ons daarvoor op wèrkelijke samenleving oriënteren, zie Plato, doen we het eigenlijk best goed. Enfin, dat nemen we dan maar aan. En daaraan hebben we zelfs méér dan genoeg.

50.11
Dat plan is niet allemaal onzin ..., maar ook de minste flauwekul garandeert mislukking. Wat m.i. ook hier vooral ontbreekt, is uitwerking van structuur voor informatie. Ja, ik vind het (dus) een goed idee om allereerst te proberen dat ze een pauze nemen; het gaat toch ook weer om een hoop geld zònder resultaat.

50.12
Zeer bedankt voor het uitgooien van dat visje ... (Want) de vangst is zorgwekkend, maar nu weten we dat tenminste. Oeps, er is dus zelfs helemaal geen zgn referentiearchitectuur in de zin van wat traditioneel een functioneel ontwerp heet. Een functioneel ontwerp behandelt wàt voorzieningen geacht worden te – helpen – doen; een functioneel ontwerp moet de vraag beantwoorden naar behoeften van deelnemers aan informatieverkeer. Je zou toch zeggen dat je dàt allereerst probeert te duiden. En vervolgens pas aangeeft hoé dat eventueel gebeurt (en dat staat traditioneel bekend als technisch ontwerp).
Maar, nee, ze slaan daar de wat-slag (functioneel) domweg over. In plaats daarvan staat blijkbaar de hoe-slag onmiddellijk centraal met referentiearchitectuur als nota bene technisch ontwerp. Was het alleen maar onzin! Als je zeker wilt weten dat voorzieningen nooit doen wat je wilt, moet je je inderdaad niets aantrekken van wat relevante verkeersdeelnemers ... willen.
Kortom, doorgaans hebben opstellers niet of nauwelijks een idee van waaraan zo’n architectuur ... refereert. Nogmaals, van – het ontbreken van – een zgn referentiearchitectuur valt daarom te leren wat er geheid mislukt. Maar ook hoe het heersende – gebrek aan – denken luidt, of wat er tot dusver volkomen voorbij gaat aan besluitvormers, en dùs waaraan je eventueel kunt appelleren met een stelselmatig voorstel. Dat wordt weliswaar nog lastig, maar is hoogstnoodzakelijk.
Overigens is er voorts van alles en nog wat op te merken over het gebruik van de term referentie. In functionele zin ligt het voor de hand om zo’n ontwerp als voorbeeld, leidraad e.d. te beschouwen. Dat helpt wanneer meerdere organisaties resp. onderdelen ervan allemaal vergaand ‘eigen’ voorzieningen treffen. Naarmate die organisaties enz. qua (informatie)behoeften vergelijkbaarder zijn, kunnen ze één en hetzelfde ontwerp ervoor benutten. Het delen van functioneel ontwerp is daarbij, zeg maar, principiëler dan delen van technisch ontwerp.
Wanneer – als het ware daarentegen – de “referentiearchitectuur” als “technisch ontwerp” vastgelegd is in parameters van het “ontwerptool” verkrijgt referentie sterker het karakter van standaardisatie, zelfs uniformering. Let wel, dat technisch dan niet ‘slechts’ technisch is, maar altijd een functionele keuze inhoudt. De functionaliteit is daardoor echter impliciet bepaald. Dat maakt functionele aanpassingen vrijwel onmogelijk, vooral omdat de technici een bevoorrechte positie wisten te verwerven en ... eigenlijk geen idee hebben waarover je het hebt.

50.13
Zo zie je maar weer dat je aan – mijn – ongevraagde suggesties niets hebt.

50.14
Intussen heb ik een korte notitie geschreven. Ik koos voor de engelse taal (daar heb ik ’t kort genoeg voor gehouden). Jij staat als eerste auteur vermeld, omdat het basisidee van – de praktijk met – meervoudige horizonten van jou stamt. En nu (ook) maar hopen dat ik het al enigszins adequaat verwoordde (en vertekende ...). In elk geval hebben we nu iets om verder over te praten.

50.15
Het blijft me verbazen hoe vlot je elkaar weer te schrijven kunt krijgen, of er nu een halve aardbol tussen zit of niet. [...] Hier ploeter ik maar door om met, zeg maar, contextgerichtheid enige voet aan de grond te krijgen. Nee, principieel is niets veranderd vergeleken met wat jij destijds aan programmatuur ervoor ontwikkelde. O.a. die proefopzet voor buitenlandse dienstreizen was natuurlijk een pareltje. Dat begrijpen ‘ze’ dus nog altijd niet. Volhouden maar.

50.16
Eén van de betekenissen van recht, als zelfstandig naamwoord, betreft een financiële, door de overheid opgelegde heffing. In die betekenis komt het o.a. voor als griffierecht. Als het ware ontmoet het daar een àndere betekenis van recht.
Voor, zeg maar, administratieve logistiek van rechtspraak is een organisatie(onderdeel) opgesteld: griffie. Aldus komt griffierecht eigenlijk neer op een verplichting. Want wie dat recht niet betaalt, heeft zelfs überhaupt geen – oeps, daar is datzelfde woord weer, maar in de zoveelste context – recht op civiele resp. bestuurlijke rechtspraak.
Nota bene, dat gaat dus vèrder dan bemoeienis van (een) griffie. Kortom, de term rechtrecht is veel preciezer, ware het niet dat daardoor andere, stellig nog grotere verwarring dreigt. :-)
Voor een nadere verkenning van wat rechtspraak een burger in financieel opzicht direct kost, stel ik daarom nog een ander alternatief voor griffierecht voor. Dat luidt: rechtspraakgeld. Of, kortweg: rechtgeld.
Rechtgeld is dan overigens iets anders dan rechtheffing, om nòg maar eens een passend woord te verzinnen. Dit laatste, rechtheffing, is onderdeel van algemene belastingen annex algemene middelen. Op die manier betaalt èlke belastingbetaler mee aan een gedeelte van de organisatie van de rechtspraak. Rechtgeld blijft echter beperkt tot wie aanspraak maakt op rechtspraak.
Of griffierecht, hier verder rechtgeld genoemd, rechtstreeks aan – financiering van – rechtspraak wordt besteed, kan ook weer hier in het midden blijven.
De noodzaak van grondig begrip van rechtgeld dient zich opnieuw aan vanwege zgn digitalisering. Dat zit ‘m in variëteit. Handhaven ‘we’ de huidige opzet? Zo varieert het tarief voor – toegang tot – rechtspraak. Welke factoren zijn bepalend? Wie stelt één of andere factor vast? Wanneer zijn ze volledig – genoeg – bekend? Volgt het tarief in kwestie eenduidig uit de verzameling relevante factoren, of zijn ze daarvoor – vervolgens – onderhevig aan menselijk oordeel? In welke gevallen wèl resp. juist niet? En, zo ja, wie doet dàt dan? En in welk stadium van de civiele c.q. bestuurlijke (rechts)procedure?
Zonder uitputtende antwoorden op dergelijke vragen kunnen, nu dus met digitale technologieën, onmogelijk deugdelijke voorzieningen ter facilitering van informatieverkeer voor rechtspraak worden ontworpen, laat staan daadwerkelijk gemáákt, gebruikt enzovoort. Dat zou al voor rechtgeld mis gaan.
Maar waarom zouden ‘we’ de huidige opzet handhaven? Is rechtgeld niet vooral bedoeld als stuurmiddel? Wat is dan het maatschappelijke doel? En wordt dat redelijkerwijs ermee bereikt? Maakt de term rechtgeld die vraag niet herkenbaar relevanter? Is een andere opzet denkbaar? Maar hoe zit het daar dan mee qua variëteit, en zo door naar eventuele digitale voorzieningen voor informatieverkeer?

50.17
Ik heb er al een tijdje een ‘onrustig hoofd’ over.

50.18
Wat me voorts aan de term rechtgeld bevalt, is dat hij besef oproept van tegenstrijdigheid in het a priori-karakter van de huidige praktijk. Want het is natuurlijk een gotspe – vooruit, dat vind ik vooralsnog als ontwerper – dat behoud, herstel e.d. van recht een burger – ook nog eens, meestal èxtra – geld kòst. Hij moet er als het ware in investeren.
Waarom draaien ‘we’ het niet om? Dus geen rechtgeld vooràf, maar een eventuele vordering opnemen in de uitspraak. Dan wordt de partij die – volgens de rechter – (het) recht geschonden heeft, (pas) door de rechter mede tot rechtgeld veroordeeld. Over tegenstrijdigheid gesproken, daardoor zijn ‘we’ eveneens minder gebonden aan variëteit van zoiets als gestandaardiseerde tarieven; de rechter beoordeelt ook wat de zaak in kwestie in geld uitgedrukt kostte aan rechtspraak, en dat heeft de veroordeelde partij maar te betalen. Had zij zich maar ‘goed’ moeten gedragen, nietwaar? Het gaat uiteraard te ver om de rechtspraak winst te laten maken ...
Ja, ik begrijp ook wel dat, als het bovenstaande al geen pertinente onzin is, de meeste mensen dat prompt zo zullen beschouwen. Dat mag ons echter niet hinderen, vind ik althans, om op de achtergrond met wat ideeën te spelen. Wie weet wat dat pràktisch oplevert ...
Als onmiddellijk bezwaar komt stellig “Ja, maar zonder toegangsdrempel raakt de rechtspraak overspoeld met zaken.” Oh, ja? Zouden mensen juist niet extra nadenken of ze aan rechtsgang beginnen, wanneer ze weten dat ze daarmee het risico lopen van veroordeling tot betaling van rechtgeld? En dat bedrag kan aardig oplopen, nota bene mede door eigen gedragingen tijdens de procedure. Haha, nu ik dit opschrijf krijg ik het idee dat de betrokken advocaat pakweg de helft van rechtgeld voor zijn rekening moet krijgen. Als ook hij financieel risico loopt, is de neiging wellicht minder groot om een burger te verleiden tot resp. ‘bij te staan’ in een op voorhand kansloze zaak.
Ik bedoel maar, zo verzin je nog eens iets. Haalbaar is het doorgaans niet, nee, maar op z’n minst ontstaat alweer scherper beeld van (wan)verhoudingen. :-) En dat is onmisbaar voor ontwerp enz. van passende voorzieningen voor informatieverkeer.

50.19
Ik ben blij te lezen dat je volgt wat ik zoal publiceer op mijn website. Hoera, dan doe ik het niet helemáál voor mijzelf.

50.20
Vakantie voorbij, terug aan het werk ... Volgens Plato is je werkplek ergens diep in zijn overdrachtelijke grot gelegen. Hij spoort je tot afdaling aan, zie Platoonse bewegingsleer voor ontwerpers. Daar krijg je het dus weer moeilijk, maar als ontwerpers hebben we geen alternatief.

50.21
Het informatiemodel in aantekening 49.61 heb ik ‘verdeeld’ over twee horizonten: zie onderstaand.

Een korte inleiding tot deze modelleervariant biedt Handling perspectivism in federated practice.
Wat niet bovenstaand model niet valt af te zien, althans niet duidelijk, is de veronderstelling dat <activering> van een <functionaris> tot een vòlgend exemplaar van <actor>, opnieuw leidt tot <typering>. Het idee erachter is dat door dergelijke typering bekend is of er al dan niet recursie van <functionaris aan de orde is. Dat lijkt me handig om te ‘weten’ hoever je moet gaan met het ophalen van informatie voor begrijpelijke presentatie. Met volgnummers heb ik dat uiteraard primitief aangegeven. Dat kan ook relatief. Dat is beter, want dan is het ‘open’ wat het aantal recursies betreft. Zoiets als een tussenweg biedt dan een homogene hiërarchie.

50.22
Dit herinnert me aan mijn werkperiode bij Smit Zeesleep- en Bergingsbedrijf. Overdrachtelijk is er nu een schip in nood ... Op het Rotterdamse hoofdkantoor zeiden ze dan: “more days, more dollars!”
Zolang ze daar voorrang geven aan zulke reddingsoperaties, moeten wij zeker geen haast met de structurele proef maken noch erop aandringen e.d. Want die ‘noodzaak’ herkent voorlopig inderdaad niemand, hoezeer ook daardoor de problemen (veel) eerder opgelost zouden raken (en dan meteen duurzaam) . Maar zo tussendoor, als het uitkomt, alvast voorbereidingen ervoor treffen, helpt ons aan de juiste positie voor de vèrdere toekomst.

50.23
(Ook) dat slotzinnetje, over platoonse beweging(sleer) voor ontwerpers gesproken, is natuurlijk dubbelzinnig. “Wàt ook al weer...?”Een ontwerper moet zowel zichzelf niet al te serieus nemen, als gefrustreerd zijn omdat hij niet serieus genomen wordt.
Je wijst nogmaals op belangwekkende samenstellingen van ‘werpen’ met – zoiets als – een voorzetsel. Het lijkt erop dat slechts de variant ‘ontwerpen’ verwijst naar authentiek ‘moeten,’ te weten ... ‘ontmoeten.’
Als contragram: de ontmoeting van authenticiteit is de authenticiteit van ontmoeting (en zo dóór: the encounter of design is the design of encounter). Verder: de gemeenschap van de persoon is de persoon van de gemeenschap. En zo zijn we onvermijdelijk weer bij subjectief situationisme, toch?

50.24
Wat kan structuralisme opleveren? Begin met: iets. In eerste aanleg lijkt dat zichzèlf. Maar het kan ook worden opgevat als resultaat van samenloop van, zeg maar, factoren. De simpelste structuurveronderstelling luidt dat er precies twee van zulke factoren aan de orde zijn. Stel dat de ene factor (ook) slechts één waarde kan aannemen, en die andere factor twee bijbehorende waarden. Het aantal samenlopen bedraagt dan één-maal-twee-is-twee.
Als het zo uitkomt dat het aanvankelijk opgevatte iets neerkomt op één van beide samenlopen, geldt het als een (specifiek) geval van de (algemenere) structuur. In dit voorbeeld telt de structuur dus nog een ànder geval.
Voeg nu aan de mogelijke waarden voor elke factor toe: niets. Ervan uitgaande dat de overige waarde(n) òngelijk aan niets zijn, kan de ene factor twee en de tweede factor drie waarden aannemen. Er zijn daardoor zes samenlopen. Met de waarde voor één van beide factoren ‘op’ niets, verschijnt de andere factor als beperkt geval van de – totale – structuur.

50.25
Met als metafoor dat niemand over zijn eigen schaduw kan springen, vind ik dat zijnsleer (ontologie) tegelijk kennisleer (epistemologie) moet zijn, en zo door naar tegelijk tekenleer (semiotiek). Dat heb ik modelmatig geschetst met de semiotische enneade. In Relativitätstheorie des Menschengeistes (Rascher, 1958) las ik onlangs daarom met onmiddellijke instemming de oproep door Marc A. Jaeger tot een (p. 15)

Revision der zeitgenössischen Philosophie unter psychologischen Gesichtspunkten.

Volgens Jaeger heeft vooral Carlo Sganzini (p. 15)

die kritische Situation [...] erkannt[, weil] in der bisherigen Psychologie der Versuch einer grundsätzlichen, logisch-kategorialen Bestimmung ihres Grundbegriffs [fehlt], die erlauben würde, die psychologischen Phänomene als logische Strukturen zu erkennen und mit allen sonstigen Strukturen in Zusammenhang zu bringen.

Prompt heb ik vervolgens Sganzini’s werk erbij gehaald; zie Sganziniaans ritme voor enkele aantekeningen die ik maakte over diens zgn fundamentele structuurtheorie.
Ook Jaegers voorstelling vind ik het eerlijk gezegd niet ‘halen’ bij de semiotische enneade, die nota bene als relativiteitstheorie m.i. meer zgn passende variëteit biedt. Dit neemt niet weg, dat werk van zowel Sganzini en Jaeger vooral in kritisch opzicht vergaand actueel gebleven is.
De crisis die zij aanduiden, houdt dus helaas aan. Volgens mij ligt dat (dus) niet aan het ontbreken van een geschikte semiotische relativiteitstheorie. Het ontbreekt alom echter aan relevant probleembesef met bijbehorende aandacht voor oplossing.
Zoals de enneade aanwijst, is een concept inherent gemotiveerd. Zònder motief ervoor komt relativiteitstheorie als concept nooit ‘op.’
(Slechts) door vroege opleiding heeft – ontwikkeling van – zo’n motief een kans. Maar hoe krijgen de nodige opleiders een ... kans? Zoals blijkt uit het ‘bestaan’ van o.a. Sganzini en Jaeger zijn ze er altijd wel, maar meestal alweer dood zonder dat ze gelegenheid hadden voor opbouwende educatieve invloed.
Als het meezit, zijn in elk geval enkele van hun geschriften beschikbaar gebleven. Daarmee moeten we dan maar verder zien te komen.

50.26
Ik moet me natuurlijk afvragen, of het wel zin heeft om allemaal tekstjes te schrijven met de boodschap: Hoor je het ook eens van een ander!
Voorlopig blijf ik echter getroffen, steeds opnieuw wanneer ik ‘werk’ lees waarin ik meen te herkennen dat de schrijver ervan ‘werkt’ aan de (levens)opgave van opbouwende (verkeers)verhoudingen. Zeg ook maar, samenhangende verschillen.
Hoe ik daar dan op mijn beurt iets over schrijf, heeft m.i. qua opzet doorgaans iets weg van een variant op Platoonse dialogen. Met citaten probeer ik een gesprek voor te stellen. De indruk ontstaat hopelijk dat vooral de aangehaalde schrijver het onderwerp van gesprek koos. Op die manier hoort de lezer het dan inderdaad zelfs primair van een ànder, en wie weet luistert z/hij dan alweer iets aandachtiger.
Nee, voorzover ik weet ben ik volgens deze aanpak nog helemaal niets opgeschoten. Omdat ik echter geen beter plan heb, ga ik er maar mee door. Zoals gezegd, in elk geval blijf ikzèlf getroffen door zulke ontmoetingen ondanks afstand in plaats en tijd. En betuig ik met zo’n ‘gesprek’ erkenning van en erkentelijkheid voor stelselmatige bijdragen. Zie ditmaal De stelselmatige levenskunst van Hella Haasse en Sganziniaans ritme.

50.27
De ‘bovenkant’ van het model in aantekening 50.22 heb ik verdicht:

Voorts hanteer ik de veronderstelling dat een actor niet alleen als (een) functie gemanifesteerd kan zijn, maar tevens kan zijn getypeerd als … functie. Dit staat toe, althans voorzover ik thans overzie, om o.a. typen van betrekkingen te registreren inclusief welke (typen) actoren daarbij een rol spelen (lees dus ook: een functie hebben). Dat zou een stap moeten zijn om ‘recht’ stelselmatig met alle variëteit van dien te registreren; zie ook Over rechten en plichten met intersituationele regelkringen voor maatschappelijk verkeer. Volgens mij lukt dat door te beginnen met een type (maatschappelijk) verkeerssituatie als actor. Die krijgt een functioneringsrelatie met functie (lees ook: rol) als … functie. Daarna kunnen actoren in de zin van soorten deelnemers (lees ook: functies) als functionarissen gelden.
Hmm, vermoedelijk klopt zoiets als een gemengde opzet beter. Dat vergt concrete functies voor betrokken (gezags)instanties, met dito concrete actoren als functionarissen in kwestie, terwijl de hierboven abstracte opzet past voor aanduiding van sóórten deelnemers (die voor de allermeeste regelingen immers nooit uitputtend opgesomd – kunnen – zijn).
(Nog) geen idee of dat zo werkt …

50.28
Voor het vak dat wij als informatieanalyse leerden, heb ik analyse altijd de verkeerde aanduiding gevonden. Daarvoor klopt de term ontwerp alweer beter. Dus, geen informatieanalist, maar informatiekundig ontwerper.

50.29
Laat ik, vooruit dan maar, vieren dat het alweer tien jaren gelden is dat de nota Informatieverkeer in publiek domein verscheen. De opdrachtgever was destijds de zgn programmanager bij Ictu van het programma Architectuur Elektronische Overheid. Ofwel, zònder hem was dat onverminderd actuele verhaal er nooit gekomen. Tja, als niemand er enig acht op slaat, nota bene inclusief de opdrachtgever, is duurzame actualiteit helaas geborgd.

50.30
Vraag niet waarom dat zo is, althans, vraag het niet aan mij.

50.31
Over draagvlak gesproken, volgens mij mag je je onmiddellijke opdracht zeker opvatten als opbouwend bedoelde aansporing. Me dunkt dat je alle reden hebt “tevreden” te zijn met dit tussenresultaat. Of zoals Lionel Brett al zei, zie ook Verantwoordelijk ontwerpgedrag, de ontwerper

has to give without bias the whole of the criteria by which a right and responsible choice can be made.

Graag doe ik een stellig overbodige suggestie (omdat ik verwacht dat jijzèlf dat idee al hebt). Je zou ter voorstelling van “[a]lternatieve oplossing(srichtingen)en” een spectrum kunnen schetsen, met helemaal-niets-doen-aan-huidige-registers als het ene en inrichting-van-compleet-nieuw(e)-register(s) als het andere uiterste. Praktisch gezien komen ze allebei niet in aanmerking. Evident, nietwaar? Het ene niet omdat daardoor de problemen aanhouden resp. groeien, het andere niet omdat ..., nou ja, verzin maar iets. En verzin dan wat jij gelet op “plus-en-min punten” vindt dat de evenwichtige opzet is. Inderdaad, dat had je allang bedacht. Want dat is natuurlijk de inrichting/opzet waarmee je in eerste aanleg een proef wil doen. Markeer die optie ergens in het midden van het spectrum, waarna je aan weerzijden elk pakweg twee verdere alternatieven opvoert en steeds ook weer toegelicht met relevante “punten.” Tja, je zou bijna zeggen dat je dat niet langs een rechte lijn, maar volgens een ... V kunt schetsen. :-) Met jouw voorkeursopzet onderaan, is het bedoeling om waardering ernaartoe te leiden en daar te laten dóórstromen tot het besluit voor de proef. Een beetje helpen mag toch wel? Maar de presentatievorm zou ik het voor je publiek op een rechte lijn en daardoor eenvoudiger associatie met een spectrum houden.
Ook vèrder alle succes gewenst!

50.32
Dat klinkt commercieel, personeelsmatig e.d. - toenemend, zelfs - grootschalig, terwijl qua vakmatige grondslagen alles bij het oude lijkt te blijven (zoals ik uit mijn ervaring hier in Nederland vaststel). Mag ik desondanks iets over "productiviteit" opmerken? Als ik me ook dàt goed herinner, :-) bezorgde ik je ooit een boek van F. Brooks over de mythische manmaand. Brooks stelt dat de hoeveelheid werk voor een professioneel resultaat vooral bepaald wordt door de, zeg maar, schaal waarop het resultaat betrouwbaar enz. moet functioneren. Toen hij dat boek schreef, was de infrastructurele schaal nog niet zo duidelijk herkenbaar (in elk geval had hij het er nog niet over). In mijn column Professionele factoren vermeld ik die tegenwoordig reële 'factor' expliciet. Dat blijft echter uiteraard een factor op z'n Brooks, zij het dat we nu moeten erkennen dat een heuse infrastructurele voorziening met, waarvoor jij terecht pleit, dienovereenkomstig "ingebouwde flexibiliteit" nu eenmaal méér kost dan zomaar een app-je.
Haha, jijzelf verkeert dus allang in de situatie waarvan ik altijd het beste probeer te maken. Als je het toch moet "overlaten," doe het dan aan mensen die het véél beter kunnen. Zo vertrouwde ik destijds graag op jou! En voor Information Dynamics besef ik nu dat Martijn Houtman in menig opzicht alles beter weet èn kan dan ik ooit zou kunnen. Prachtig, dan schiet het tenminste op! Nu weet ik natuurlijk niet in hoeverre jij zeggenschap hebt over toelating van mensen tot 'jouw' groep.
De vakmatige kritiek in je bericht kan ik slechts beamen. Jij hebt het over "kinderschoenen" ter duiding van het stadium waarin het ontwerpen van software thans verkeert. Met wat je aldus impliciet schrijft over - ontbrekend - informatiekundig ontwerp, bevestig je m.i. zelfs dat 'we' dat (als) vakgebied helemaal zijn kwijtgeraakt, laat staan dat er ruimte voor bestaat op infrastructurele schaal. Inderdaad, met architectuur in de zin van evenwichtig ontwerp op/voor relevante schaal hebben naar hun aard toegespitste informatiebehoeften van zgn 'de business' niets van doen, integendeel. Maar als "klant" zitten daar alweer sinds jaar en dag de budgethouders annex machthebbers en zo door naar opdrachtgevers. Zolang zulke opdrachtgevers menen dat ze niet alleen gelijk hebben, maar ook verdienen te krijgen, kunnen opdrachtnemers er op hun beurt goed aan ... verdienen. Beide partijen staan niet toe, dat er iemand ànders tussen komt. Wie in de ogen van een opdrachtgever (te) moeilijk doet, kan verdere opdrachten gauw vergeten ...
Laatst kreeg ik een, vooruit, ontwerprapportje onder ogen dat was opgesteld voor een rijksdienst. Er werd nadrukkelijk verwezen naar resp. beroep gedaan op een "referentiearchitectuur." Mij maakt dat prompt reuze nieuwsgierig (lees ook: argwanend). Ik gaf de ambtenaar die mij inzage had gegeven de tip om navraag te doen. Helaas verraste het mij niets dat zo'n "architectuur" er in conceptuele zin niet is. Maar ik hoorde er toch van op, zoals mijn contactpersoon toegelicht kreeg, dat het zou gaan om instellingen 'in' het ontwikkelgereedschap (en om die reden bestond er geen beschrijvend document). Volgens mij laat je je dan als opdrachtgever ook nogeens belazeren ... Excuus, ik dwaal àf. Ik ben het met je eens dat gebruikte etiketten voor "rollen" vaak (zeer) misleidend zijn.
Waar jij m.i. op doelt, is op zoiets als een omslagpunt. Het gaat met die factoren op z'n Brooks niet volgens een meetkundige (vermenigvuldigings)reeks dóór. Met infrastructuur is de grens bereikt voor voorzieningen met passende variëteit. Zodra we erkennen dat de reële behoeften met informatieverkeer onlosmakelijk voorzieningen op die schaal vergen, zijn ze op die manier het ... goedkoopst. Wie kleinschaliger mikt, zit mis en komt onherroepelijk in problemen. Dan moet het overnieuw, enzovoort.
Voorts wijs jij er - volgens mij - op dat de gebruikte gereedschappen een wanverhouding vertonen met wat mensen ermee - willen - maken. Niemand gaat naar de kruidenier met een containerschip. Ofwel, de inzet van een nodeloos rijk gevarieerd, of domweg verkeerd georiënteerd middel betekent overhead. Daaraan gaan tijd, geld en moeite verloren die beter besteed hadden kunnen worden aan toepasselijke opschaling van de voorziening in kwestie. Ik zie geen andere oplossing dan dat we naar omstandigheden zo professioneel mogelijk handelen. Daar hoort bij dat we naar vermogen proberen (juist) die omstandigheden te (laten) veranderen. Toegegeven, de kans dat dàt lukt is overigens gering, nee, ik slaag er nog steeds niet in, maar vind het in elk geval voor mijzèlf onverminderd leerzaam om vol te houden.
Ja, tijdens een gesprek kunnen we elkaar nog beter begrijpen. Ik kijk ernaar uit!

50.33
Nee, ik ben geen jurist.
Volgens het zgn verkeersprofiel geldt een – ivm functionaris-geënte kwalificatieketens, zie aantekening 49.47, ook nogeens recursieve – veralgemenisering voor iedereen en alles waaraan gedrag toegeschreven kan zijn. Dat is: actor (eerdere aanduiding: deelnemer). Dat maakt actor beschikbaar als situationeel en/of objectmatig aanknopingspunt voor verdere verbijzonderingen. Dat is natuurlijk (ook) nuttig voor conceptuele modellering van ...
Ja, deelnemer, handelaar e.d. lijken zeker in eerste aanleg vreemde termen, dat wil zeggen in dit ... verband. Maar dat is precies aan de orde. Een stelselmatig model biedt een synthese van/volgens voorheen afzonderlijk opgevatte verbanden (lees ook: contexten, situaties). Ter aanduiding van vooral de (aanknopings)punten voor integrale(re) samenhang komt de ene of andere voorheen specifieker gebruikte term gauw ‘krom’ over. Dat blijkt vooral wennen. Uiteraard, een toepasselijker term is altijd welkom. Maar zo’n term is dus niet de crux voor stelselmatigheid; wat telt is het èxtra verband.
Om stelselmatig vat te krijgen op facilitering van rechtsgang pak ik de insteek op die ik alweer bijna een jaar geleden nog slechts grofweg documenteerde; het desbetreffende model dd. 25 november 2013 is hier opgenomen als figuur 1.

figuur 1: zonder ervaring geen zaak.

 

Dat was een poging om rechtsgang àfgeleid te positioneren, zeg ook maar binnenstebuiten. Daaraan heb ik inmiddels een radicaler vervolg gegeven. Allereerst in figuur 2 doet daarom , als het goed is, helemaal niets meer denken aan rechtsgang, althans niet exclusief. Ik deed explicieter ter karakteristiek de veronderstelling dat rechtsgang door-en-door verslagen zowel beoordeelt als opstelt. Dan ligt het voor de hand om eerst maar eens (meer) in het algemeen te modelleren wat er zoal bij een verslag komt kijken. Toegegeven, zeg maar op de achtergrond hield ik rekening met wat al dan niet dienstig aan eventuele rechtsgang is (voorzover ik dáárop kijk heb).

figuur 2: “wie schrijft, die blijft.”

 

Ook figuur 2 biedt operationeel stellig nog geen toereikend model. (Maar) in dit stadium gaat het erom te verkennen, of – informatiekundige voorzieningen voor – rechtsgang pas aansluitend zinvol vallen te modelleren, enzovoort. En zo ja, biedt vooralsnog focus op verslag een bruikbare basis annex – reculer pour mieux sauter – aanloop?
Het begin voor bedoeld vervolg lijkt erg op de ‘bovenkant’ van figuur 2. In figuur 3 is het een verschijnsel waarin een actor aanleiding ziet om als rechtzoeker op te treden.

figuur 3: niets is zonder aanleiding ...

 

Een rechtzoeker kan al dan niet vermeend recht in eigen hand nemen (eigen rechter spelen). Daar houdt wat die ene actor betreft het ‘zoeken’ naar recht ook meteen op, zodat modellering vanuit dat perspectief geen voortzetting vergt. Inderdaad, daarmee kan het voor een ànder als rechtzoeker beginnen ...
Met figuur 4 gaat het om een rechtzoeker die een verschijnsel vervolgens ook aanhangig maakt. Het is de aanhangigmaker (lees ook: aanlegger) die – zoiets als – een procedure (lees ook: zaak) start. Zo’n procedure is (dan) óók een verschijnsel, maar (uiteraard) een ander exemplaar dan het verschijnsel waarin de aanhangigmaker de aanleiding ervoor ziet.

figuur 4: explicitering van initiatiefnemer.

 

Let op wat er gebeurt door het model van figuur 4 toe te voegen aan het model van figuur 2. Aldus is er in één klap een model dat tevens verslaglegging tijdens een procedure behelst. Daar hoort het vonnis bij.
Vooralsnog slechts als voortzetting van figuur 4 komt er de toewijzing van een rechter bij. Overigens manifesteert zich op dit ‘punt’ wederom de moeizame stelselmatige terminologie. Want deze verkenning bedoelt tevens bemoeienis door een zgn arbiter, mediator e.d. te omvatten.
De procedure constitueert partijen. Als partij komt in aanmerking een actor die figureert in een verschijnselverslag. In figuur 5 is voorts weergegeven dat een partij zich tijdens – formele – rechtsgang kan resp. moet laten vertegenwoordigen. De vertegenwoordiger (lees ook: procureur, gemachtigde) in kwestie is eveneens – afgeleid van – (een) actor.

figuur 5: partijen met eventuele vertegenwoordiger(s) voor de rechter

 

Volgens de modelleertaal Metapatroon (waarmee de modellen in deze notitie opgesteld zijn) geldt zgn contextuele verbijzondering als beginsel. Zo ‘betekent’ het model van figuur 5 dat een partij één of meer eventuele vertegenwoordigers heeft pèr procedure. Dat kan voor verschillende procedures dezèlfde vertegenwoordiger zijn. Dat hoeft echter niet, en daarom moet (ook) de vertegenwoordiger per procedure apàrt opgegeven zijn. Dergelijke verbijzondering is o.a. onmisbaar voor autorisatie. Het gaat dan immers ook om een partij in een àndere procedure.
Een partij stelt zich in een procedure op als eiser. Als zodanig bepaalt de eiser welke andere partij telt als verweerder. Wat de eiser aan de verweerder telastelegt zijn gedragingen die aan de partij als figuur in een verslag toegeschreven zijn.
De telastelegging wordt ‘als regel’ onderbouwd met rechtsgronden. Daartoe dienen vooral – verwijzingen naar – wet- en regelgeving en jurisprudentie. Dat moet als absolute competentie stroken met de toegewezen rechter. Voor de relatieve competentie zijn het meer de aangegeven omstandigheden van het verschijnsel die van belang zijn.

figuur 6: samenhangende positionering volgens – oorspronkelijk – verschijnsel, enzovoort.

 

Zoiets als het eerste contact tussen partijen in een procedure verloopt formeel met een dagvaarding. Het is eenduidig(er) om daarvoor aan te knopen bij de actor in de hoedanigheid van – via rechtzoeker – aanhangigmaker. Daaruit volgt een relatie met een andere partij als gedaagde (lees ook: opgeroepene). Vervolgens kan ook de dagvaarding ook worden opgevat als een ... verslag, zoals in het verlengde dáárvan geldt voor het desbetreffende exploot. Zie figuur 7 voor het – relevante gedeelte van het – model.
Nota bene, (de) dagvaarding is onmisbaar voor een procedure. Voor een stelselmatig informatiemodel lijkt het echter een valkuil om ervan uit te gaan. Daarentegen past ‘het’ netjes nadat context ervoor geëxpliciteerd is.

figuur 7: nog meer verslagen ...

 

Ik doe nog de suggestie dat voor het onderscheid tussen conventie en reconventie geen (verdere) structurele voorziening nodig is. Want volgens het model in figuur 6 kan een willekeurige partij eiser zijn, enzovoort. Dat omvat de mogelijkheid van tegeneiser, enzovoort.
Voor wie het nog niet duidelijk is besluit ik deze verkenning met de stellige verzekering dat ik besef me aan vergaande speculatie gewaagd te hebben.

50.34
De Tijdelijke commissie ICT, een commissie van enkele leden van de Tweede Kamer, bracht op 15 oktober eindrapport uit: Parlementair onderzoek naar ICT-projecten bij de overheid (Tweede Kamer, vergaderjaar 2014-2015, 33 326, nr. 5). Mijn commentaar kan ik kort houden. Eén van de conclusies luidt dat “[h]et [...] de rijksoverheid [ontbreekt] aan lerend vermogen op ICT-gebied.” Het werk(stuk) van de commissie blijkt daarvoor zelfs exemplarisch ... Het is daarom het verstandigst om dit zoveelste rapport prompt in de prullenbak te gooien. Want door de overheersend administratief-bestuurlijke aanbevelingen, nee, niets nieuws, ja, al vaker mislukt, ook nogeens serieus te nemen, gaat er nòg meer mis.
Uiteraard moet tevens adequaat bestuur e.d. opgetuigd zijn. Maar dat moet afgestemd zijn op de reële, nota bene kwalitatief verander(en)de opgaven. Andersom is onzin.
Er valt zelfs geen spoor te herkennen van erkenning van wat in/voor een, herstel, ònze zgn informatie- annex netwerksamenleving allang het karakteristieke ontwerpobject is voor (de) overheid(sinstellingen), te weten infrastructurele voorzieningen voor informatieverkeer op maatschappelijke schaal, nota bene inclusief internationale betrekkingen. Laat staan dat de commissie het groeiend gebrek heeft opgemerkt zowel aan opdrachtgevende tot en met controlerende politici, bestuurders en ambtenaren met die infrastructurele visie, als aan informatiekundige ontwerpers die opgaven door-de-schalen-heen aankunnen. Dienovereenkomstige aanbevelingen voor o.a. opleidingen, onderling vertrouwen, enzovoort heeft ook weer deze commissie dus domweg niet kunnen doen. Het blijft bij herkauwde symptoombestrijding en daar komt alleen maar méér stront van.
Het klopt dat de term ontwerp verschijnt in het eindrapport in kwestie, maar de commissie vindt het vooral iets “technisch.” Dat is een rampzalige vertekening. Dus heeft de commissie niet alleen geen idee van het werkelijke object, maar evenmin van wat het ontwerpen ervan altijd met voorrang inhoudt: Welke samenleving willen we? Dat lijkt me zeker voor leden van de Tweede Kamer een toepasselijker (ontwerp)vraag. Aansprekend antwoord dáárop bepaalt doel resp. richting, en dan valt er natuurlijk ook pas o.a. te sturen.

50.35
Het gaat al mis door van een “analysemethode” te spreken ... Voor korte uitleg, zie Bescheidenheid, mijn bespreking van een – later – boek door Nijssen. De N in Niam stond aanvankelijk voor zijn (achter)naam. In wat stellig een poging was tot bredere marktoriëntatie, werd Niam de afkorting van Natural language Information Analysis Method.
Volgens Niam, even kort door de bocht, zit betekenis ‘in’ vergaand gestandaardiseerde syntax (onderwerp, gezegde). Volgens Metapatroon wijst zo’n zinnetje echter hoogstens op situationeel gedrag. Wat je beschouwt als gesitueerd object resp. objectsituatie (lees gemakshalve ook: context) is een kwestie van ontwerp! Voor eenduidigheid moet dat er dus allemaal bij(gehaald en opgetekend worden).
Daarvan abstraheert Niam, zodat het slechts geschikt is voor de piepkleine schaal waarop geen reële betekenissenvariëteit aan de orde is ... en zgn analyse de schijn van ontwerpen heeft. Maar met aanhangers van Niam e.d. bestaat doorgaans een ernstig communicatieprobleem (waarvan zij zich niet bewust zijn). Zij herkennen de beperkingen van die modelleermethode/-taal niet. Dat ligt aan geloof in absoluut geldige atomen (lees ook: objecten).
Zoals de natuurkundige Niels Bohr (1885-1962) m.i. terecht leert, moet eenduidige beschrijving (lees ook: modellering) van werkelijkheid uitgaan van complementaire verschijnselen: voilà gesitueerde objecten. Diezelfde werkelijkheidsaanname kent o.a. – serieuze – sociale psychologie, enzovoort. Allemaal niets nieuws, dus, maar principieel ànders. Metapatroon biedt dáárvoor en passende modelleermethode/-taal; die is daarom bruikbaar voor variëteit op èlke schaal.
Overige, nog steeds gangbare methoden, of methoden die daarop aanspraak maken zoals Niam, zitten ‘vast’ aan – logisch – atomisme, met zeer beperkt toepassingsgebied van dien.
Laat zulke stellingen echter niet door een voorstander van Niam lezen. Z/hij kàn dat niet begrijpen, en bestrijdt situationisme vanuit niet-situationistische aannames. Dat komt nooit verder dan welles-nietes. Dan helpt het helaas evenmin om te verklaren dat situationisme o.a. ook atomisme omvat; dat geldt immers in het geval van precies één situatie. Door aldus af te dingen op de claim dat Niam universeel ‘is,’ denkt de voorstander van atomisme echter prompt nòg overtuigder dat je helemaal gek bent. Dat is typisch voor een sekte.

50.36
In Bescheidenheid (column, 2001) beweer ik slechts dat de universaliteitsclaim van Nijssen met Niam onzin is, terwijl ik dat in Metapatroon als logica van goedverbijzonderde informatiemodellen (opstel, 2013) grondig verklaar voor de gehele klasse van modelleermethoden/-talen waartoe Niam behoort (wat de reden is dat ik zulke aparte methoden/talen daar niet eens noem). Als je die verklaring wel gelooft, prima.

50.37
Tjonge, dat “tussenresultaat” gaat over ... alles. Klopt, met het oog op reële stelselmatigheid kan dat natuurlijk nooit ànders. Het voorspelbare excuus om de inhoud te negeren luidt dat het te veel is.
Een criterium voor – vooralsnog – weglaten kan je ontlenen aan je schatting van wat het publiek in kwestie pertinent niet zien wil. Daar heb je echter meteen het dilemma ... duidelijk, te weten dat wat mensen niet willen zien juist dàt is dat zij met voorrang moeten leren om – er bij – te zien.
Wat ‘ze’ van zo iemand als jij in zoiets als jouw functie bereid zijn te aanvaarden, is m.i. dat je facilitering met, vooruit, informatie- en communicatietechnologieën optimaliseert, nou ja, hèlpt optimaliseren. Over zeg maar wàt er valt te optimaliseren, laten ‘zij’ zich echter niet beleren, en al helemaal niet door zo iemand als jij in zoiets als jouw functie ... Want als ze iets vinden, is het dat zij dáárover helemaal zelf gaan. Dus, ja, geef – zo mogelijk samenhangende - opsommingen van onderwerpen onder noemers zoals zaken (business), organisatie, maatschappij en technologie. Maar vermijd daarbij elke indruk dat jij dat op jouw eigen gezag voorstelt. Vermeld daarentegen steeds bron(nen) die je publiek wèl als gezaghebbend waardeert. Precies, je hebt het het gemakkelijkst als je leden van dat publiek als zulke bronnen kunt opvoeren. De kans om dat reëel te doen is echter klein, ... want anders waren er niet zulke problemen, nietwaar?

50.38
Tijdens ons gesprek noemde ik o.a. de informatierotonde. Mijn gesprekspartner kon zich herinneren het woord rotonde elders gezien te hebben. Naderhand stuurde hij mij attent de desbetreffende verwijzing. Het betreft een rapport van de Programmaraad Stelsel van Basisregistraties, Visie op het stelsel van Overheidsgegevens (4 maart 2014).
Rotonde? Het blijft knap hoe een idee zodanig verminkt kan raken dat het nooit valt te operationaliseren ... De opsteller van het rapport is zelfs compleet verdwaald in de beeldspraak. Zo verschijnen lanen die op de rotonde aangesloten zijn, waarbij op een – sectorale – laan op hun beurt allerlei zgn informatiehuizen ... aangesloten zijn. Kortom, ook wat daar als laan voorgesteld staat, vergt een ... informatierotonde. Nee, dergelijke meervoud in een – opnieuw – stelsel van informatierotondes is voor jou en mij niets nieuws, zie Informatierotonde(s) op wolkmaat.

50.39
Heb je iets meegekregen van het eindrapport van de Tijdelijke commissie ICT? In een vraaggesprek met NRC Handelsblad (15 oktober 2014) deed commissievoorzitter Elias nog eens zijn uiterste best om het wel erg simpel te maken om de aanbevelingen te laten afschieten. Hoewel ik dàt prima vind, want ook maatregelen volgens deze lichting aanbevelingen zouden averechts uitpakken, is er nog altijd geen zicht op stelselmatige aandacht, en zo verder tot en met wat werkt. Ik beperkte mijn reactie – voorlopig? – tot aantekening 50.34.

50.40
Je bent me vóór, en dat maakt het mij alweer gemakkelijker om mijn voorgenomen boodschap te formuleren.

50.41
Ik vind het erg fijn om dat allemaal te lezen. Ik besef dat het je extra moeite kost vergeleken met ‘even bellen,’ maar van mijn kant steek ik graag extra moeite in nalezen ...

50.42
Tja, waarmee ben je bezig? In elk geval verbruik je je erfenis om allerlei ervaringen op te doen. Dat is dus allemaal: leren. Je kunt je geld véél slechter besteden, en als je een beetje zuinig bent houd je dat een tijdje vol. Hopelijk teer je dankzij betaald werk steeds minder in op je vermogen. En, wie weet, ben je binnenkort zelfs rijk!

50.43
Ook in die subcultuur is het stellig zo, dat de meeste leden maar moeilijk begrijpen als iemand zich zo veelzijdig gedraagt zoals jij. Dat lijkt een dilemma: veelzijdigheid maakt eenzaam. Kan het zijn dat wat jij ervaart hoort bij je keuze voor een open leven, dus met alle onzekerheid van dien omdat je vooraf niet weet welke opgave je dàn weer ontmoet (lees dus ook: mede zelf opgeroepen hebt). En als je hebt bedacht hoe je dat aanpakt, blijf je onzeker over het resultaat totdat je hebt bereikt – of definitief niet, want dat is ook duidelijk – wat je je voornam.
Onzekerheid geeft het gevoel van tot en met – lichamelijke – misselijkheid. Wat je er op z’n minst aan kan doen, is je mengen in situaties waarin je voor jezelf op voorhand – als je überhaupt een keuze in de hand hèbt – een redelijke kans van slagen ziet. Maar ja, wanneer je vooraf al helemaal zeker bent van succes, vind je het natuurlijk niet interessant.
Kortom, besef dat je leeft met golvend gevoel. Je zoekt iets nieuws op. Ja, logisch dat je er o.a. bang voor bent. Nieuw, nietwaar? Hoe is wat leeft erop toegerust door evolutionaire ontwikkeling? Dat angstaandeel mag niet verlammen, maar moet vlot dienen ter aansporing. Naarmate je er beter mee leert omgaan, het kunt veranderen, enzovoort, wordt nieuw ... oud.
Waar wordt je nu werkelijk misselijk van? Is dat niet – het vooruitzicht op – de herhaling? Zo ja, daar ga je weer ... Oeps, ben ik nu Nietzsche aan het ... herhalen? De een heeft die behoefte, te weten aan, vooruit, herhaling van het nieuwe, meer dan een ander. En die ander kan de ene nooit begrijpen. En, ja, je kunt het overdrijven. Dat gebeurt als mensen zichzelf structureel te gronde richten, maar dat al gauw niet meer door – kunnen – hebben.
De relativering zit ‘m m.i. in het dubbele gevoel tegenover iets nieuws. Je voelt wel èn niet dat je ergens – goed – uit komt. Als je veelzijdig bent, moet je waken voor evenwicht.

50.44
De spreiding van productiviteit vind ik véél groter. Zo is een prutser zelfs oneindig ònproductiever dan een heuse professional. Begin er echter geen discussie over met iemand die dat toch niet begrijpt.

50.45
Tja, hoe serieus geïnteresseerd is hij dan? Ik ben het volkomen met je eens, dat je allereerst dat probeert te ontdekken. Maar zijn eerste reactie klinkt inderdaad niet overtuigend.

50.46
Ik zou zeggen, helemaal nergens op ingaan. Houd het zsm bij de korte opmerking dat je het ten zeerste betreurt dat je voorstel niet beantwoordt aan zijn verwachtingen. Spreek je begrip ervoor uit dat hij zich voor zijn bedrijf zakelijk elders oriënteert, en uiteraard elk moment kan terugkomen op jouw voorstel indien uit die oriëntatie blijkt dat juist wat jij voorstelt hem meerwaarde biedt.

50.47
Prima, het komt vaak voor dat de, zeg maar, conceptuele richting van een relatie die een contextuele verbijzondering constitueert willekeurig is. Kies daarom ajb een richting voor interpretatie – en, naar ik aanneem, implementatie – die jij het passendst acht, en dan zien we wel weer ... Het is natuurlijk niet zo gek, dat die richting gauw òmgekeerd is.
Die willekeur blijkt, zoals ik overigens pas onlangs ontdekte, volgens Niels Bohr zelfs een ‘oplossing’ onder de noemer van wat hij qua paradigma bedacht als complementariteit. Wat we – menen te – kennen is een verschijnsel. Daarvoor maken we ‘in’ het verschijnsel in kwestie willekeurig onderscheid tussen waargenomen object resp. waarnemingsinstrument. Zo levert licht-als-verondersteld-waargenomen-object gemeten met het ene waarnemingsinstrument een verschijnsel met golfkarakakter op, terwijl licht met een ander waarnemingsinstrument een verschijnsel met deeltjeskarakter is. Beide verschijnselen zijn niet tot elkaar te herleiden. Met een ander woord, aldus Bohr, zijn ze complementair. Wat Bohr als complementariteit van subatomaire verschijnselen aannam, beschouwde hij als veralgemenisering van klassieke mechanica. Subjectief situationisme – waarvan de aanzet m.i. duidelijk te herkennen is in het werk van John Dewey – kan dan gelden als veralgemenisering van complementariteit à la Bohr.

50.48
In het algemeen geldt uiteraard dat het model leidend is voor implementatie, niet andersom. Dat neemt niet weg, dat het model vrijwel altijd beter kan, of onverhoopt zelfs nog ronduit verkeerd is.

50.49
Jullie correspondentie heeft in elk geval een kolossale fopvatting van hem opgeleverd:

Ik ben altijd in voor iets vernieuwends, maar het moet ook simpel (in gewone mensentaal) uit te leggen zijn aan beslissers.

En over “specialisten” gesproken, ik acht het waarschijnlijk – vrijwel zeker? – dat juist hij zo wordt gekarakteriseerd door de “beslissers” wier gunst hij blijkbaar volgzaam zoekt. Het is maar wat je vernieuwend noemt, laat staan iets nieuws. Jij wijst hem terecht op de openheid om als ontwerper zonodig een afwijkende opvatting te ontwikkelen, enzovoort. Dat is voor een kwalitatief nieuwe opgave dus geen kwestie van “een volgende stap,” maar vergt met voorrang een àndere beginstap. Enfin, in negatieve zin lijkt hij mij op voorhand in een hokje te hebben geplaatst. Zo ja, dan geeft hij mij netzo prompt de schuld ervan dat hij niet eens luistert. Hoezo, hokje? En wie zit er feitelijk in?
Tja, wat is wijsheid? Zullen we er een – voortzetting van een – veranderkundig experiment aan wagen? Wat mij betreft laat je hem weten, dat ik door – wat ik begreep als – zijn etikettering van mij als specialist-die-zich-ergens-in-verloren-heeft helaas niet verwacht dat we een zinvol gesprek kunnen voeren over ‘informatieverkeer in publiek domein’ en wat daarvoor volgens zowel jou als mij als rijker informatiekundig paradigma en zo door naar een modelleermethode/-taal met daarvoor passende variëteit onontbeerlijk is. Je kunt hem voorts aanraden zich wat breder op mijn werk(ervaring) te oriënteren; hij kan dan o.a. ontdekken dat ik ooit bij het ministerie van Buitenlandse Zaken de functie had die thans CIO heet. En hij kan over mij navraag doen bij [X] (althans, indien [X] voor hem niet onbereikbaar ‘hoog’ is in het ministerie in kwestie :-).
Als je vindt dat ik overreageer, zeg het ajb.
En er is natuurlijk veel ervoor te zeggen dat “[jij] (eerst) maar beter alleen [gaat.]” Mocht jij daaraan – al dan niet bij nader inzien – de voorkeur geven, laat dat verdere experiment maar zitten, in elk geval voorlopig. Of draai het helemaal om! Laat hem weten dat je het volkomen met hem eens bent om er even geen specialisten bij te betrekken. (En zo maak je tussen de regels duidelijk hem niet te erkennen als iemand die ergens werkelijk verstand van heeft.)

50.50
Zoals ik de richting daar aangaf, is dus zonder meer ... verkeerd! Excuus voor de verwarring. Ja, je hebt natuurlijk (ook) verder gelijk dat, dus in veel gevallen, de richting andersom moet. Een vraag is daarom, waarom ik dat kennelijk vaak ‘fout’ doe. Zoals ik eerder probeerde te duiden, heeft het wellicht te maken met onderscheid tussen 1. allereerst iets verzinnen en 2. vervolgens structureel – moeten kunnen – gebruiken.
Blijkbaar moet je wat je ooit verzon deels kunnen loslaten om voor een deugdelijk model enz. zonodig iets ànders te ... verzinnen. Nu heb ik altijd nogal nonchalant gedaan over de ‘richting’ van de verbijzonderingsrelatie. Met dank voor je aandringen, vind jij het toepasselijk – om af te spreken – dat een verbijzonderingsrelatie ‘vertrekt’ vanaf het knooppunt waarvan je de verbijzondering als zgn eigenschap registreert?
Heb ik trouwens goed begrepen, dat je presentatie zó kunt inrichten dat een verbijzondering structureel vanaf zowel het ene als het andere constituerende knooppunt ‘benaderd’ kan worden? Zo ja, dan maak je het mij (veel) gemakkelijker om me te houden aan een discipline voor relationele annex verbijzonderingsrichting. :-)

50.51
Allereerst herhaal ik dat ik als ontwerper nogal onzorgvuldig omga met het modelmatig richting-geven aan relaties. Je kunt me dus vaak wijzen op inconsistentie.
Zeg maar even qua kennisleer resulteert – modellering van – een gesitueerd object uit de veronderstelde ‘relatie’ van een object en een situatie. Dat is altijd een binaire relatie. Altijd, omdat met een kunstgreep ook de voorwaarden voor grensgevallen daarop afgestemd zijn. En omdat de relatie altijd binair is, is de ene richting equivalent met de andere.
De ene noem ik kortweg situatiegedreven resp. objectgericht, de andere objectgedreven resp. situatiegericht. Over context gesproken, objectgericht in de hier bedoelde betekenis is dus weer iets anders ... :-)
In het boek Metapattern (2001) heb ik – toegegeven, nog vergaand onbewust – de situatiegedreven richting toegepast; de relatie ‘begint’ bij het knooppunt dat de (verbijzonderings)situatie in kwestie vertegenwoordigt en ‘eindigt’ bij het knooppunt dat het (te-verbijzonderen-)object in kwestie vertegenwoordigt, en – impliciet – zo door naar de zgn nil-identiteit van dat object. Ofwel, de pijl wijst vàn de situatie náár het object.
Naarmate ik met Metapatroon modelleerervaring opdeed, gaf ik meer voorkeur aan de objectgedreven richting. Ik haal een passage aan uit het opstel Get into the rhythm of Metapattern (2013, pp. 4-5):

Please note that in figure 5.c the direction of the relationship has been reversed as compared with figures 5.a and 5.b.
In Metapattern’s original notation, it was believed ‘logical’ to have the identity of the situated object point to that object’s nil identity. By implication on account of the axiomatically dual nature of the relationship, the node at the relationship’s other end would be equally rigorously indicated as the relevant context, i.e. its connecting situated object.
The direction shown in figure 5.c is believed to correspond more to how a modeler practices differentiation. S/he starts from a situated object-to-be-additionally-differentiated, say dragging it to and then dropping it in a situated object-seen-as-representing-situation. It results in-between in yet another situated object, and so on.
Of course, the relationship being dual, one direction is equivalent to the other. The basic requirement is that some direction should be consistently applied within a single model.

Nee, wel beschouwd gaat de modelleur natuurlijk niet uit van “a situated object-to-be-additionally-differentiated.” Want als je dat wilt verslepen naar “a situated object-seen-as-representing-situation,” moet (ook) dàt er ‘om te beginnen’ zijn om wat anders daar te droppen.
Voor het opstellen van een conceptueel model praktiseer ikzèlf dus vaak de objectgedreven richting voor verbijzondering. Dankzij jouw opmerkingen begrijp ik nu (pas) dat jij voor het ontwikkelen van de registratievoorziening de richting precies òmgekeerd opvat.
Gelet op de equivalentie van beide richtingen maakt het principieel niets uit (als het maar consequent gebeurt). Maar wanneer we daardoor misverstand vermijden, bezorg ik jou graag een situatiegedreven modelversie. Of ik zet er bij dat de versie objectgedreven is; in dat geval draai je voor jouw ontwikkeling elke richting òm. :-)
Ook graag houd ik voor ontwerp de mogelijkheid van wisseling van richting open. Dat doe ik principieel, omdat die richting m.i. niet ... principieel is. En waarom zou de richting niet de voorkeur van de ontwerper kunnen ... volgen?
Hoe dan ook, een bepaald knooppunt kan voor – verdere – verbijzonderingen twee soorten van gedaante aannemen: 1. object en 2. situatie. Als de richting(spijl) voor de ene soort ervanàf wijst, wijst de richting(spijl) voor de andere soort ernaartoe. Afgezien van de manier van tekenen moeten we volgens mij inderdaad iets doen met dat onderscheid. Jij stelt: “[B]ij het bekijken kan je natuurlijk ook de andere kant opzoeken.” Wat mij betreft komt dat erop neer, dat je voor een bepaald knooppunt kunt kiezen voor het perspectief van òf situatie, òf object. Als je kiest voor situatie, dan kan je – verder – kiezen tussen de bijbehorende gesitueerde objecten. En als kiest voor object, dan kan je – verder – kiezen tussen ‘zijn’ – nadere – verbijzonderingen.
Voor navigatie kan de gebruiker zich oriënteren op een gedeelte van het model. Klopt, dat moet dan wel consequent óók toonbaar zijn.

50.52
In Kritiek op de pure methode (1995) schrijf ik o.a. “over twee soorten architectuurmethoden.” Met Metapatroon als zgn stelseltaal voor modellering kan met verschillende doelgroepen worden gecommuniceerd: enerzijds opdrachtgevers en belanghebbenden, anderzijds ‘aannemers.’ Moeten voor kortsluiting hooguit eventueel de relaties volgens tegenoverstelde richtingen aangegeven zijn?

50.53
Nee, dat was natuurlijk nooit zijn bedoeling, te weten dat jij serieus denkt een heuse boodschap aan hem kwijt te kunnen. Het is echter helemáál verkeerd om niet te proberen om mensen voor informatieverkeer enz. een stelselmatig perspectief aan hun verstand te peuteren. Maar om dat te kunnen blijven doen, moeten we blijkbaar onze verspilde moeite van geval tot geval zien te minimaliseren. Dank je wel voor deze poging!

50.54
Zolang de “baas” niet kijkt, is er een “richting” die jijzèlf optimaal acht voor je organisatie en zgn belanghebbenden? En kan je dan maar alvast – verdere – voorbereidingen treffen, op zo’n manier dat de “baas” zodra hij wèl tijd voor je heeft er zowaar zijn eigen ... “richting” in, vooruit, herkent?

50.55
De crux van Metapatroon is zgn contextuele verbijzondering. Daardoor is een informatieverzameling (groten)deels opgebouwd uit herhalingen van verwijzingen die voor gebruikers betekenisloos zijn. Neem drie knooppunten met namen die wèl betekenisvol zijn: A, B en C.
Een extra knooppunt kan met Metapatroon ontstaan door de relatie van A met B; dat knooppunt A/B geldt dan als verbijzondering van A (als object) volgens B (als context). Een aparte naam krijgt A/B niet.
Omgekeerd kan ook, dus B/A. Dat is dan de verbijzondering van B (als object) volgens A (als context).
Verbijzondering kan worden herhaald, bijvoorbeeld C/(A/B). Dat staat voor de verbijzondering van C (als object) volgens A/B als context.
Enzovoort.
Uit het geschetste karakter van een informatieverzameling à la Metapatroon als gerichte graaf volgt dat ‘op’ een bepaald knooppunt zèlf als verbijzonderingsresultaat géén informatie onmiddellijk beschikbaar is die de betekenis ervan laat aflezen. Die moet ‘opgehaald’ worden en daarvoor moeten de relaties terùg worden gevolgd tot de knooppunten – zoals A, B en C – die zulke betekenisvolle ‘namen’ wel bevatten.
Waarom worden die namen niet óók opgenomen in verbijzonderingen? Metapatroon kiest voor radicale enkelvoudigheid. Wanneer een naam wijzigt, geldt die wijziging daardoor voor àlle relevante verbijzonderingen. Dat borgt actualiteit, betrouwbaarheid e.d. Informatiebeheer behoeft niet te rekenen met kopieën; zonder de noodzaak voor zulke afstemming bestaat een bron van veel fouten zelfs niet.
Het ophalen van informatie om te tonen wat een bepaald knooppunt in een gerichte graaf betekent, is gediend met systematiek. Dat maakt het opstellen van rapportages (veel) eenvoudiger.
En zelfs in eerste aanleg is zo’n systematiek van belang voor registratie; dat vergt immers rapportage van de knooppunten die als object resp. context door een relatie ertussen een knooppunt opleveren als vèrdere contextuele verbijzondering

50.56
Zie Metapattern for complementarity modeling voor zoveelste ‘bewijs’ van nut en noodzaak van toepassing van Metapatroon, ditmaal ontleend aan niemand minder dan Niels Bohr ...

50.57
En laten we afwachten, over context gesproken, wat “wat meer betrokken” betekent.

50.58
Van nogal wat parodismen is het achteraf inderdaad verbazingwekkend dat niemand er eerder op gekomen is. Zo lijkt kretoriek nieuw ... Althans, waarmee Google volgens dat trefwoord ‘komt,’ is dat je stellig retoriek had willen opgeven. Nee, dus.

50.59
In zijn boek Organisaties: Management, Analyse, Ontwerp en Verandering; een systeemvisie (Van Gorcum, tweede editie, vierde druk, 1990; oorspronkelijk 1986) heeft A.C.J. de Leeuw paragraaf 2.2.4 (pp. 107-132) gewijd aan “besturingstheorie.” Precies zoals jij het tekende, is wat De Leeuw (p. 110) “het meest eenvoudige geval [van] een besturingssituatie” noemt, te weten met “een besturend orgaan (BO) en een bestuurd systeem (BS) in een omgeving.” Nota bene, hij voegt er meteen aan toe dat “men [... vanwege] vereiste pluriformiteit [...] in het algemeen [...] gebruik [maakt] van netwerken van BO’s en BS’en.” En “[h]et gevarieerd representeren van de werkelijkheid als netwerk van BO’s en BS’en noemen we het BO-BS spel.”
Wat me verwart, is dat er expliciet slechts gekwalificeerd sprake is van systeem, te weten als “bestuurd systeem.” Het lijkt er echter (ook) op, dat De Leeuw BO en BS samen neemt als systeem in kwestie. Zo ja, dan telt BS kennelijk als deel- of subsysteem.
Over representatie gesproken, in dat opzicht geeft hij m.i. een te rooskleurig beeld van zijn werk. In elk geval kan ik in genoemd boek geen aanwijzingen e.d. ontdekken voor zulk “gevarieerd representeren.” Door het bij de aanduiding “BO-BS spel” te laten, wekt de Leeuw hoogstens de suggestie van iets gevarieerds. Hoe dat “spel” systematisch valt te modelleren verklaart hij niet; het blijft qua model bij “een eenvoudige besturingssituatie” (op p. 110 onderschrift van een illustratie). Zoek het daarmee maar uit, lijkt De Leeuw te opperen. Zo stelt hij verderop dat (p. 235) “[b]ij toepassing van het BO-BS spel [...] de organisatie [wordt] gezien als een kluwen van besturingsconfiguraties. Door toepassing van de besturingstheorie [...] is na te gaan of de besturing effectief van zijn.” Oh, ja? Maar zolang we de “kluwen” de “kluwen” – moeten – laten, ontbreekt zicht op de (p. 108) “vorm[en] van gerichte beïnvloeding” die De Leeuw “[o]nder besturing verstaa[t].”
Het lijkt erop, dat De Leeuw – vergaand impliciet – logisch atomisme beoefent. Inderdaad zijn samenstellingen dan niet problematisch. Volgens situationisme klopt dat niet (en zo blijkt dat De Leeuw de term situatie naïef gebruikt). Neem het gedrag van ‘een’ BO. Zodra die BO verkeert in een omgeving met andere BO’s enzovoort, geldt een dienovereenkomstig gewijzigde ... situatie. Dus, ànder gedrag.
Volgens de, vooruit, gedragingencomplementariteit à la Metapatroon valt de “kluwen” (dus) pas te ontrafelen door “een eenvoudige besturingssituatie” te positioneren als, zeg maar, nul-bestuur ...
Ach, zolang iemand nog niet doorheeft dat het systematiseringspotentieel van “het besturingsparadigma” op z’n logisch atomistisch gebrekkig is, kan je er voor projectie gerust een beroep op doen. Neem dan het model van “het meest eenvoudige geval,” zou ik zeggen (ook al, nogmaals, omdat De Leeuw voor een samengesteld geval geen serieus voorstel doet voor modellering). En wat vind je er (dan) van om van èlke pijl er twee te maken? Aldus geef je aan de “gerichte beïnvloeding” – primair – fysiek van karakter is òf gebeurt ‘via’ tekens (lees ook: informatie). Ik noem het maar even primair, want als je iemand duwt en aan haar/hem trekt, vat z/hij dat geheid als teken op ... En elk teken is ‘natuurlijk’ fysiek, want heeft noodzakelijkwijs een drager ... Voor alle duidelijkheid, onderstaand schema is resultaat van minimale bewerking van De Leeuws illustratie op p. 110 van zijn boek.

Met informatieverwerking (inclusief bewaring) als criterium ziet zoals als een röntgen-opname er als volgt uit:

Stel dat je je slechts verantwoordelijk acht (a) voor de – middelen voor – informatieverwerking van/door het zgn besturend orgaan. Even een kwartslag gedraaid (b) moet je informatieverkeer van/naar twee andere ‘blokken’ faciliteren. Dat lijkt (c) op evenzovele, twee dus, poten ... En er moet natuurlijk ‘iets’ tussen ... Hmm, dat lijkt op de letter H. Maar als je dat tussenstuk laat zakken, klopt helemaal, ziet het met wat goede wil eruit (d) als de letter V.

Als iemand van opeenstapeling van onzin wijzer meent te worden, moet het maar even, mits je er tijdig weer vanàf kunt komen.
Indien je de illustraties – kan je ze überhaupt ‘zien’? – bewerkbaar wilt hebben, laat ajb weten.

50.60
Ik maak nog enkele bestuurlijke opmerkingen. Wat zich met het zgn besturingsparadigma niet semiotisch, op z’n enneadisch bedoel ik uiteraard, laat ... situeren, is dat zowel ‘omgeving” als “bestuurd systeem” behoren tot (een) situatie voor het “besturend orgaan” in kwestie. Het lijkt er (dus) op, dat het besturingsparadigma eerder zoiets als een stelling – hooguit een vermoeden? – is volgens zoiets als het systeemparadigma.
Blijkbaar is het nogal simplistische idee dat de omvattende werkelijkheid grofweg twee categorieën telt. Zeg maar, wat tot de ene behoort kan je weliswaar proberen te beïnvloeden, maar je ‘gaat’ er niet ‘over’ zodat je maar moet afwachten of ‘ze’ zich iets van je aantrekken. Dat heet omgeving. En dan is er de categorie waarvan je aanneemt, dat er min of meer klakkeloos gebeurt wat je wilt (als je dat zegt). Me dunkt dat die veronderstelling voortkomt uit het feit, want, ja, dat klopt, hoewel, nee, meestal is het jouw geld helemaal niet, dat je salaris betaalt aan die uitvoerders, dat benodigde spullen van jouw geld gekocht zijn.
Hoe dan ook laat je criteria gelden om het ene tot (je) organisatie(systeem) te rekenen, en het andere juist niet.
Volgens tekenleer zit die grens echter in de weg. Ja, voor het (teken)gedrag dat je kiest, houd je rekening met o.a. ontvankelijkheid, bereidheid e.d. Maar neem reclame. Voor dergelijke boodschappen geldt als bestuurd orgaan vooral wat je vanuit je ‘eigen’ organisatie(systeem) als omgeving beschouwt. En als je kijkt naar hun beursnotering, krijgen bedrijven tegenwoordig de allerhoogste notering indien beleggers menen dat ze grenzeloos ‘besturen.’
Inderdaad, met ‘gratis’ diensten ‘betalen’ platformbedrijven hun gebruikers wel degelijk, met inschikkelijkheid door die gebruikers als gevolg.

50.61
Ja, wat een èxtra mooie variant, dat van – de voorrang voor – de kwaliteit van wat-er-niet-meer-is, te weten het geboorde gat. En het is natuurlijk al heel wat dat De Leeuw beseft dat er méér is dan “een eenvoudige besturingssituatie.” Maar door (p. 110) “de werkelijkheid als netwerk” te duiden als “het BO-BS spel” houdt hij het voor dat complete “spel” m.i. onverminderd op één en dezelfde zgn omgeving. Jouw aangepaste aanduiding als “O-BO-BS spel” geeft inderdaad alweer veel beter blijk van – erkenning van – reële variëteit. Precies, voor wie in termen van elementen van het besturingsparadigma wil blijven spreken, het is dus het teken geïnterpreteerd als “de O-BO combi [... dat] als een context voor [een] BS fungeert.”
Hoe jij de V-vorm wil bereiken, heb ik ook overwogen. Mijn bezwaar was, dat ik – toegegeven, esthetische – weerzin ondervond bij het schuin zetten van de rechtopstaande ‘kolommen.’ :-) En om onderáán zo’n driehoek te plaatsen, als het ware een omgekeerde sluitsteen, vond ik niet stroken met de, zeg maar, functie ervan (hoewel ik met het laten zakken van de dwarsbalk natuurlijk niets anders doe dan onderaan een verbindings- annex sluitstuk plaatsen). Mocht jij dat bezwaar niet kennen, dan heeft wat jij als “alternatief” schetst natuurlijk verre de voorkeur als valse voorstelling.
Begrijp ik goed dat jij e.e.a. in omgekeerde volgorde wil tonen? Gebruik je het model van de eenvoudige juist als model van de complexe “besturingssituatie, in dit geval dus als V-vorm”? En laat je vervòlgens daarbinnen elk apart informatiesysteem ook als een V zien? Zo ja, prachtig, (want) dat is wel qua falsificatie zo logisch ...

50.62
Het model afgebeeld in figuur 4 van aantekening 49.48 blijkt nodeloos verwarring te zaaien. Dat ligt aan functie (en was te verwachten).
Met functie heb ik – vooral – zoiets als functie-van bedoeld. Dus A hééft een bepaalde functie, waarvan de vervulling (dan) gebeurt door B. Maar vaak wordt dat òmgekeerd opgevat, te weten als functie-door. In dat geval is het A die de functie vervult, en dat doet voor B.
Facilitering van zulk onderscheid vergt navenant verschillende knooppunten: functie (functie-van) en rol (functie-door).
Hier door is verwarring uiteraard niet uitgesloten. Want ook rol is daarvoor vatbaar, ofwel rol-van (functie-door) en rol-door (functie-van). Over het verschil zijn en blijven dus – contextuele – afspraken nodig, maar die zijn m.i. dankzij het onderscheid tussen functie en rol gemakkelijker te maken (met om te beginnen te noodzaak ervoor).

Organisatie e.d. staan hierboven nog ‘simpelweg’ aangegeven, dus niet als homogene hiërarchieën.

50.63
Je voorstel aan je ronselende ‘klant’ vind ik opnieuw duidelijk, zakelijk. Ik zou zeggen, gewoon eraan vasthouden. Hij beseft allang dat hij een groter probleem heeft dan jij, maar probeert jou nog steeds met bluf e.d. te intimideren. Ga er niet op in, maar schets reële verhoudingen en geef zonodig jouw grens aan.

50.64
Dat moet natuurlijk veel algemener opgezet zijn om ooit wat stelselmatigs te worden. Zie bijvoorbeeld figuur 8 (p. 30) in Informatieverkeer in publiek domein, een nota uit ... 2004. Concrete bewegingen in informatieverkeer zijn ‘slechts’ variaties op dat thema.

50.65
Dat is een verrassing! Ik verkeerde in de veronderstelling als vrijwilliger met Sterk door samenhang op schaal een nuttige bijdrage te leveren. Vind je het goed wanneer ik die illusie blijf koesteren en daarom àfzie van het honorarium waarmee je me nu ‘overvalt’?
Het is natuurlijk niet zo, dat ik geld nodeloos wil laten liggen. Maar ik had er helemaal niet mee gerekend, dus laat het in dit geval ajb zo; ik vind dat ik normaal reageerde op een verzoek voor een bijdrage aan Od[, (Overheidsdocumentatie)].
Een “bewijsnummer” stel ik uiteraard wel zeer op prijs, dus alvast hartelijk bedankt ervoor.

50.66
De notitie Werk in uitvoering is resultaat van mijn poging om ons gesprek van afgelopen maandag modelmatig samen te vatten. Nee, korter lukte niet. Opzettelijk heb ik veralgemeniseerd. Het is niet zozeer dat daardoor de noodzaak van vertrouwelijkheid als het ware verdampt, maar vooral dat een model aldus geheid veel ruimere variëteit dekt. Voorts kan je er voor verdere behoeften stellig eenvoudiger op aanknopen, enzovoort.
Laat ajb weten als je meent dat het nog niet klopt, wat je er onbegrijpelijk aan vindt e.d.

50.67
Intussen staat Metapattern for complementarity modeling ook op het ww web. Nieuw zijn verder Sterk door samenhang op schaal en Werk in uitvoering. Wellicht dat je aan laatstgenoemde ‘schets’ meteen concreet iets voor je eigen ‘projecten’ hebt ... De modelleeroefening die ik aan het eind van par. 4 opgeef, moet je algemener beschouwd natuurlijk niet oplossen zoals ik daar suggereer, maar liefst enkelvoudig geënt op actor ... en daarvoor moeten o.a. projectleider en medewerker dus eerst geactoriseerd zijn.

50.68
Interessant, nietwaar, om ‘zomaar’ wat navraag te doen!? Zoals jij nu bevestigt, nee, wat de term ‘architect’ betekent weet ik allang niet meer. Herstel, ik weet alweer sinds jaren zeker dat juist de meeste mensen die zichzelf ‘professioneel’ zo afficheren, geen idee hebben ...
De proef op de som is inderdaad simpel. Jij vroeg een ‘architect’ naar het ontwerp, geen merkwaardige vraag, toch, maar dat blijkt z/hij niet te kunnen tonen.

50.69
Nu gaat het met een narcist àltijd anders dan je denkt, dus wie weet ..., oeps, dat is natuurlijk ook alweer een gedachte over hoe het gaat. Je moet je over jezèlf pas echte zorgen gaan maken, zodra je verwachtingen over gedragingen van zulke mensen uitkomen. :-) Geef jezelf dus steeds een Groot Compliment voor Geestelijke Gezondheid als blijkt dat je voor zoveelste keer misrekende.
Wat gezondheid betreft, naar mijn, vooruit, gevoel moet je bereid zijn om de investering die jij op jouw initiatief (en bijgevolg voor je eigen zgn rekening en risico) deed, als verliespost te ‘nemen.’ Kijk eens hoe hoog jouw emotionele ‘kosten’ reeds opgelopen zijn, trend stijgend. Jammer dat het a. geen modulaire voorziening is (anders zou je haar kunnen verwijderen) en b. aldus onlosmakelijk reeds onderdeel vormt van het operationele programmatuurpakket.

50.70
Prachtig, Jan sloeg de spijker met grote precisie op z’n kop door die romantitel te noemen. In het recente opstel Metapattern for complementarity modeling heeft paragraaf 7 de titel “object without qualities: nil-identity.” In een voetnoot staat toegelicht: “The title of this paragraph refers to Der Mann ohne Eigenschaften (English: The Man without Qualities), a novel by Robert Musil (1880-1942). In this context, qualities should be understood as properties.” Eerder heb ik Metapatroon bij diverse gelegenheden beschreven als taal zonder eigenschappen. Daarmee bedoel ik dat Metapatroon o.a. géén eigenschappen vóóronderstelt, maar dat ze met ontwerp naar behoefte opgezet moeten/kunnen worden: flexibiliteit voor reële betekenissenvariëteit.

50.71
En in het algemeen nodig ik mezelf altijd graag uit voor eindelijk weer eens een normaal gesprek.

50.72
Hij vroeg me om zoiets als een plannetje op te stellen. Mij lijkt dat in dit stadium slechts een slag in de lucht te kunnen opleveren. Daarom stelde ik voor om de informele oriëntatie voort te zetten. De afspraak is nu dat ‘we’ een dagdeel wijden aan casuïstiek om met enkele van zulke concrete gevallen te tonen hoe dat volgens Metapatroon werkt. Over zo’n bijeenkomst krijg ik nader bericht.
Dit positieve verloop is méér dan we verwachtten. Zeer bedankt voor je voorzetten! Wat vind je ervan als ik vraag of jij die a.s. sessie bijwoont?

50.73
Ja, haha, als je het van juridische terminologie moet hebben ... En interessant vind ik dan weer dat “hard” een – onbedoeld – effect is, nou ja, op wie ervoor gevoelig is (en waarvoor/-tegen juist juristen doorgaans immuniteit ontwikkeld – moeten – hebben), van het gebruik van woorden die letterlijk(er) vrijwel het tegendeel van abruptheid e.d. betekenen.

50.74
Het lijkt me trouwens niet kloppen om wat hij eenzijdig verlangt te etiketteren als “compromisvoorstel.” Het resultaat kan een compromis zijn. Vooruit, de bedoeling met een voorstel kan – en, als het goed is, moet – dat zijn. Maar tussen voorstel en compromis bestaat juist onlosmakelijke spanning. Hun samengestelde aanduiding wekt zelfs de verdenking van zijn kwade trouw (die hij met die truc jou verwijt). Zo van, jouw afwijzing van het “compromisvoorstel” geeft hem dan prompt het recht om jou onbetrouwbaar enz. te vinden.

50.75
Okee, we kijken aan hoe het loopt ... Op die manier heb jij mij immers de afspraak met hem bezorgd, dus zo gek is die aanpak niet.
Voor alle duidelijkheid, die tijd en moeite voor verdere oriëntatie heb ik gekenmerkt als mijn investering. Dat heeft voor hem enz. resp. zijn organisatie dus nog geen financiële gevolgen.
Hij verzocht ook om de opgave wat gerichte literatuur. Hmm, of iemand dat dan daadwèrkelijk leest? Tijdens ons gesprek liet ik al – heel kort – Metapatroon, handboek stelselmatig informatieverkeer zien. Maar louter een herhaalde verwijzing ernaar ‘werkt’ in dit stadium niet. Ik moet dus een selectie maken, maar welke opstellen e.d. zijn in dit geval toepasselijk?

50.76
Dank je zeer voor je bemoeizucht! Ik was al met een presenteerlijn begonnen, en in jouw opmerkingen lees ik graag een bevestiging ervan (en het is mijn schuld als ik je helemaal verkeerd begrepen heb :-).
Als aanzet wil ik echter toch een ambitieuze poging wagen. Tijdens dat gesprek ervoer ik positieve weerklank op mijn suggestie van een informatiekunde voor infrastructuur voor informatieverkeer. Als tekst met een hoog hoor-je-het-van-een-ander-gehalte heb ik daarvoor Civiele informatiekunde vergelijkenderwijs in de aanbieding. En vooral dàt acht ik de crux van jouw aanbeveling, te weten om àndere boodschappers in te schakelen. En verder?
Dus, ja, over op dezelfde lijn zitten gesproken, nummer 1 van de Onderzoek- annex ontwerpreeks Stelselmatige semantiek had ik inderdaad reeds opgelijnd. En ik volg graag jouw suggestie op om nummer 16 toe te voegen. Daartussen verwijs ik dan nog naar Semantiek op stelselschaal, dus nogeens drie documenten waaraan een overheidsorgaan zijn expliciete zegen gaf.
Ja, ook een goed idee, om ons Multifocaal netwerkmodel op te voeren!
Afschrift volgt.

50.77
onderwerp: motivering vanuit civiele informatiekunde
Tijdens ons gesprek op 20 november jl. luidde, met nogmaals hartelijk dank ervoor, jouw uitnodigende verzoek ‘Doe ajb een voorstel.’ Ik antwoordde zo professioneel als ik kon in de trant van dat ik slechts een slag in de lucht kan slaan zonder voldoende relevante kennis.
Daarom deed ik zoiets als een tussenvoorstel. Als vervolg van wederzijdse oriëntatie investeer ik graag enige tijd in concrete modelleerverkenning. Dan besteden we pakweg een dagdeel aan enkele van jullie concrete modelleeropgaven op stelselschaal (die problemen ken ik immers nog niet). Wat is voor zulke problemen de oplossingsrichting met Metapatroon (de modelleermethode/-taal die jullie nog niet of nauwelijks kennen)?
Intussen denk ik ook verder wel degelijk na over jouw, zeg maar, oorspronkelijke verzoek. Zo kan ik me voorstellen, dat je moet kunnen aangeven waaròm Metapatroon eigenlijk nodig is voor informatieverkeer ‘over’ de zgn Laan van de Leefomgeving (en daarbuiten).
Wat mij betreft is naast informatieverkeer daarvoor inderdaad infrastructuur een sleutelbegrip. In de tot dusver gangbare informatiekunde hebben ze echter nergens plaats, laat staan dat ze ervoor bepalend zijn.
Zoals ik tijdens ons gesprek zei, vind ik dus dat er een informatiekundige (deel)discipline met die karakteristieke focus bij moet. Die heb ik – voorlopig? – informatieverkeerskunde genoemd, of civiele informatiekunde. Wie de noodzaak van civiele informatiekunde herkent, met behoefte aan beheersing van structurele betekenissenvariëteit van dien, kàn bijna niet meer missen dat het gebruik van Metapatroon voor desbetreffende stelselmatige modelleeropgaven volkomen logisch is.
Als ik goed begrepen heb – verbeter me ajb prompt als ik onverhoopt de spijker missla – dat jij met voorrang over informatiebeleid ‘gaat’ (en alweer minder over daadwerkelijk modelleren van informatie), heb jijzèlf in dit stadium wellicht het meest aan een inleiding tot civiele informatiekunde. Wat naar mijn idee prima uitkomt, is dat ik voor opbouwende positionering van civiele informatiekunde eerder de vergelijking maakte met stedenbouw. Waarom, dacht ik, zouden we het wiel proberen uit te vinden, als het elders van oudsher zinvol draait? Kortom, zie Civiele informatiekunde vergelijkenderwijs (in: PrimaVera, working paper 2007-10, Universiteit van Amsterdam, 2007).
Als je die tekst zorgvuldig wilt bestuderen, heel graag! Dat kost weliswaar even tijd, maar helpt je als het goed is aan een aanvullend, productief perspectief. Zo zie je dat de gekozen opzet voor de Laan van de Leefomgeving impliciet al van alles en nog wat weg heeft van civiele informatiekunde. Dankzij zo’n expliciet referentiekader kan je er alweer gerichter sturing aan geven.
Wat ik helemaal prachtig zou vinden, is wanneer je in genoemd opstel de motivatie nader geformuleerd vindt voor de Laan, enzovoort. Volgens mij staat het er duidelijk ...
Natuurlijk kan ik niet nalaten op te merken dat ‘infrastructuur voor informatieverkeer’ m.i. bij uitstek een thema, van beleid tot en met enkele van de operationele infrastructurele voorzieningen, is voor het ministerie van … Infrastructuur en Milieu. Die opvatting zal je in Civiele informatiekunde vergelijkenderwijs dubbeldik onderstreept zien.
Een beleidsmatig getinte inleiding tot de modelleermethode/-taal Metapatroon zèlf, voorzover dat überhaupt mogelijk is, biedt bijvoorbeeld het rapport Stelselmatige semantiek door Suwinet (2008). Dat stelde ik samen in opdracht van (Bureau) Forum Standaardisatie (BFS) die er een overtuigende modelleercasus in zag voor wat zgn semantische interoperabiliteit betreft.
Eén van de vervolgrapporten met overheidsstempel-van-goedkeuring is Semantiek op stelselschaal: issues en oplossingsrichtingen (Bureau Forum Standaardisatie, 19 juni 2009). Daarin nam ik de bijlagen B en D voor mijn rekening; zie daar voor enkele beknoptere voorbeelden van informatiemodellering met Metapatroon. Bijlage C doet verslag van de evaluatie van Metapatroon door een derde partij; daarvoor gaf BFS opdracht en ik c.q. mijn ontwerpbedrijf Information Dynamics werkte uiteraard graag eraan mee.
Eveneens voor BFS modelleerde ik hoe door-en-door gecontextualiseerd een begrip als ‘ingezetene’ is; voor een presentatie waarmee zich de opbouw van het model(letje) stap voor stap laat volgen, zie Ingezetene, ontwerp van een contextueel-semantisch diagram met Metapatroon (BFS, 2010). Je zou er zelfs om te beginnen alvast kort naar kunnen kijken.
Mocht je de smaak te pakken krijgen (of iemand anders er alvast naar willen laten kijken), voor een inleidend modelleervoorbeeld dat Jan van Til en ik samen uitwerkten kan je terecht in Multifocaal netwerkmodel (2006).
Ik herhaal dat het nut van Metapatroon pas blijkt, over context gesproken, met het oog op informatieverkeer op de schaal waarop reële betekenissenvariëteit gefaciliteerd moet zijn. Dat is de reden waarom ik graag allereerst je aandacht vraag voor een opstel zoals Civiele informatiekunde vergelijkenderwijs.
Je reactie op vooral de eerste van bovenstaande leestips stel ik op prijs! En ik ben je uiteraard erkentelijk voor verwijzingen die jij me kunt geven ter voorbereiding van zo’n modelleerverkenning met Metapatroon.

50.78
Ik begrijp de redenering voor het criterium (nog) niet. Je kunt blijkbaar pas iets worden, als je het allang ... was. Ervan uitgaande dat het geen onzin is wat er staat, moet het een kwestie van verschillende contexten zijn. Welke zijn dat dan precies?

50.79
Voor mij zit pensioen er voorlopig niet in. Het probleem met het ‘vak’ dat ik beoefen is dat het alom zelfs steeds minder als zodanig erkenning krijgt. Een praktisch gevolg? Daardoor is het vrijwel onmogelijk om aan opdrachten te komen.
Mag ik het eens vergelijken met een nieuw vliegtoestel? Ja, dat is jouw vak en stellig kan je mij dus wijzen op het manco van zo’n vergelijking. Ik probeer het toch maar. Wanneer een opdrachtgever meteen een constructiewerkplaats aan de slag laat gaan, weet je zeker dat ‘het’ nooit kan vliegen, laat staan veilig enzovoort. Er is immers geen ontwerp gemaakt, wat heus een apart ... vak is.
Kleine informatiesysteempjes werken altijd wel. Die zweven als het ware vanzelf door hun gebrek aan gewicht. En als ze niet functioneren, ach, wat zou het? Het gaat mis met voorzieningen voor serieus informatieverkeer, dus op maatschappelijke schaal. Klopt, informatie- resp. netwerksamenleving. Omdat die hulpmiddelen vaak uit elkaar vallen nog voordat ze goed en wel in gebruik worden genomen, is de constructeurreflex om ze alsmaar zwaarder uit te voeren. Meer omzet is nooit weg, nietwaar? Qua vliegen werkt het natuurlijk averechts.
Als eerst en vooral opdrachtgevers daarentegen eens zouden aannemen dat ‘we’ niets kunnen laten vliegen zonder ‘grondige’ beheersing van aerodynamica!
In overdrachtelijke zin blokkeren de constructeurs van informatiesystemen de oplossingsrichting nogeens èxtra. Zij zijn zich architect gaan noemen. Dat lukt met volkomen ondeskundige, zo niet onbenullige opdrachtgevers. Het effect? Professionele ontwerpers zijn verdrongen. Vrijwel iedereen doet maar wat. De spreekwoordelijke vliegtuigen storten neer, of komen zelfs nooit van de grond. De probleemanalyse, zoals onlangs voor de zoveelste keer met de Tijdelijke commissie ICT (Tweede Kamer), blijft netzo blind de plank misslaan. Voor voorlichting over het informatiekundige equivalent van aerodynamica hebben ze echter het allemaal te druk.
En daar heb ik het dan weer druk mee, te weten om voor infrastructurele voorzieningen voor informatieverkeer desondanks aandacht te proberen te vestigen op de noodzaak van vakkundig ontwerp. Het paradigma waarnaartoe we m.i. moeten wisselen heb ik de afgelopen decennia aardig op een rijtje gekregen (en uitvoering gedocumenteerd). Effectuering van zo’n wissel kost echter, tja, geen idee ... Het vliegen met een toestel lukte ook niet van de ene op de andere dag. Maar het had natuurlijk nog veel langer geduurd zonder de vroegste pionier, en zo door.

50.80
Ja, haha, je hebt gelijk, maar zodra “schade” onvermijdelijk is kan je ‘m maar beter geluk noemen. Je kent vast wel een godsdienst die dat zo leert. Christendom, soms? Voordat ik vèrder afdwaal ... Inderdaad, “lange termijn,” maar ajb niet zó lang dat je het nooit meer meemaakt. Over les gesproken: Metapatroon. En tòch ...!

50.81
Ik bedoel dat je weet dat iets lang gaat duren, in mijn geval dat mensen wat van Metapatroon begrijpen, het gaan gebruiken, enzovoort ... Maar ik weet dus niet, of ikzelf dat nog meemaak. Erop hopen, dan maar, en aandacht ervoor blijven proberen te krijgen.

50.82
Zoals je weet broed ik al een tijd op de productiefste insteek – voor de hefboom – om die kei aan het rollen te krijgen. Veel ingewikkelder dan ik daar aangeef hoeft ’t volgens mij niet ... Of ben ik ergens blind voor? Ik ben benieuwd of jij ziet of e.e.a. onverhoopt niet klopt!

50.83
Ik besef dat je louter gejuich verwachtte. Neem ajb aan dat ik je idee zó serieus neem, dat ik er ook serieus naar kijk. Hierbij stuur ik je alvast enkele opmerkingen.
Het is volgens mij in elk geval zo, nota bene, dat een ‘gebruiker’ niet zèlf beschikt over haar/zijn eigen profiel. Dat houdt zo’n bedrijf opgeslagen in zijn informatieverzameling.
Voor zover ik het begrijp, zijn zulke apps dus onlosmakelijk onderdeel van een (veel) omvattender bedrijfs- resp. verdienmodel. Het gaat erom je als klant te binden. Nogmaals, daarvoor is de klant als het ware zelfs de allerlaatste die ‘mag’ beschikken over haar/zijn ‘eigen’ informatie. Het bedrijf in kwestie ‘beschermt’ de klant ertegen. Anders gaat zijn het exclusieve positionering verloren als verkoopkanaal voor leveranciers (die het bedrijf in kwestie ervoor betalen, ingewikkelder is het m.i. niet).
Jouw idee voor ònderlinge handel van tweede-hansgoederen kan werken op basis van een app waarmee iemand zèlf beschikking krijgt over haar/zijn profiel. Als zo’n app er is, moet je precies weten hoe dat profiel in elkaar zit. Dat is nodig om profielen met elkaar te kunnen vergelijken. Hoe meer variabelen in het spel zijn, des te ingewikkelder (en willekeuriger, als je niet oppast) pakt vergelijking uit.
Als zo’n ‘vrije’ app niet bestaat, zou je contact kunnen opnemen met dat bedrijf met het aanbod om die “community” voor ze op te zetten. Maak je zo een slapende hond wakker? Of zijn ze daar allang klaarwakker? Het voordeel is dat zij de Internet-opzet ervoor al helemaal klaar hebben. En die ‘techniek’ moet je niet onderschatten.
Iets bijzonders voor Metapatroon zie ik er trouwens niet in. Dat zou het wel zijn, als je jouw idee opvat als aanzet voor verfijning van, bijvoorbeeld, Marktplaats. Op die algemene schaal (!) bestaat immers behoefte aan allerlei profielen. Veranderlijk meervoud, dus. Hoe houd je ze uit elkaar? Wat Marktplaats groepen c.q. rubrieken noemt, zijn – aanzetten voor – contexten.
Als klant kan je ‘op’ Marktplaats blijkbaar een profiel opgeven, maar met vraagverfijning gericht op aanbodverfijning heeft dat nog niets te maken.
Je zou ook Marktplaats kunnen proberen te interesseren. Als ze er zelf niet al aan dachten, is het probleem met je idee dat je het niet kunt beschermen. Zodra je het iemand vertelt, kan z/hij ermee vandoor gaan.

50.84
Nav je zinsnede “eventueel zelf een database aan[...]leggen” heb ik enig commentaar. Stel dat je ergens fietst (kan ook loopt zijn, enz.). Op een bepaald punt vind je het uitzicht prachtig. Je wil er daarom op die plek een huis bouwen. Nou ja, laten bouwen. Je schakelt een aannemer in. Wie weet vindt ook z/hij het uitzicht daar geweldig, maar dat neemt niet weg dat je haar/hem gewoon moet betalen. Maar is die locatie wel geschikt voor een bouwwerk? Bijvoorbeeld, wanneer de grond moerassig is ... En màg daar überhaupt worden gebouwd? Zo ja, een huis is méér dan een uitzichtpunt. Je wilt er ook (verder) in wonen. Dat zijn allemaal redenen om tijdig een degelijk ontwerp te maken, dus vóórdat je een aannemer inschakelt.
Als je zelf de opgave niet overziet, moet je juist een aannemer nooit om een ontwerp vragen. Want een aannemer begint domweg maar al te graag en blijft facturen sturen. Trouwens, is dat uitzicht er (nog) ècht? Of speelde er een optische illusie? En als je een aannemer haar/zijn gang laat gaan, mag je niet raar opkijken als z/hij precies in de richting van je mooie uitzicht een blinde muur optrekt.
Zonder een idee gebeurt er natuurlijk helemaal niets. Dus, ja, stel je open voor ‘uitzicht.’ Denk echter niet dat ‘het’ zomaar werkt. En zet vooral geen andere mensen aan het werk, met betaling ervoor, aan wat voor jou een bodemloze put kan zijn. Hoe dan wèl.
Over werk gesproken, de eerstvolgende stap is dat je zèlf je idee uitwerkt tot een plan. En als je hulp vraagt, beperk dat voorlopig tot dat plan. Dergelijke hulp krijg je vaak nog gratis (als je een relevant ‘netwerk’ hebt). Klopt het wat je als het ware in een flits bedacht? Zo nee, houd ermee op; vòlgende idee ... Zo ja, wat is er zoal nodig om ‘het’ aan de praat te krijgen en houden?
Volgens mij zit je nog in het stadium dat je nagaat of je idee hout snijdt en/of het wel zo oorspronkelijk is. Daar botst creatieve euforie met analyse. Prijs je ajb gelukkig dat je zulke meestal pijnlijke ontmoetingen ervaart, want de allermeeste mensen hebben nooit ook zelfs maar een flauwste ... idee.
Mijn indruk is dat je inmiddels meent dat ‘het’ niet zo eenvoudig ligt zoals je aanvankelijk dacht. Voor een goede, verantwoorde ontwerper gaat dat voortdurend zo. Z/hij krijgt weliswaar talloze ideeën. Maar daarvan kan, en dus gaat, z/hij slechts met een minieme fractie verder, en dan moet het ook nog reuze meezitten.
Wanneer je iemand opdracht geeft om een database te maken, krijg je stellig een database geleverd ... Je hebt er alleen niets aan, wanneer je niet precies (!) opgegeven hebt wàt erin moet, hoe dat erin komt, enzovoort. Nu gaat zo’n opdracht geld kosten, (veel) méér dan je kunt betalen. Wat potentiële investeerders willen zien, is een ... plan. Ik zou zeggen dat er reeds allerlei vergelijkbare ontwikkelingen zijn. Wat onderscheidt jouw ‘bedrijf’?
Als investeerder zou ik kijken naar wat jij nu ècht weet van de spullen in kwestie, optimaal gebruik ervan, enzovoort ... Enthousiasme is niet genoeg. Vakkennis gevraagd!
Als investeerder heb ik allang in de gaten dat het voor een – doorgaans overigens kortstondig – bedrijfsplan mogelijk is om mee te liften op, zeg maar, sociale media. Dat lukt door een karakteristieke “community” te vestigen. Daarop komen leden af dankzij een toegevoegde waarde die beantwoordt aan één van hun specifieke interesses. Maar hoe komt die toegevoegde waarde tot stand? Daarvoor kan je, om het ruw te zeggen, parasiteren; je pikt informatie op die reeds gegenereerd is en borduurt erop voort (wat dan slechts een minimale toevoeging vergt). Zodra het ‘bedrijf’ dat jou op die manier zulke informatie als het ware beschikbaar stelt zulk afgeleid gebruik echter dóór krijgt, kan dat bedrijf eenvoudig met jou concurreren (vanuit een veel sterkere positie). Want die minimale toevoeging is voor hen nòg eenvoudiger. Zover laten ze overigens vrijwel nooit komen; wat de kritieke informatie (lees ook: profiel) vormt voor het bedrijfsmodel houden ze immers strikt voor zichzèlf en komt dus niet beschikbaar voor een meeliftactie door wat zij als valse profiteur bestempelen (Duits: Tritbrettfahrer).
Neem Google. Dat is één en àl gebruikersprofiel. Denk maar niet dat je je eigen profiel te pakken krijgt, laat staan hoe dat vergeleken wordt met adverteerderprofielen. Hetzelfde gold zelfs eerder voor Amazon, wat later voor Facebook, enzovoort, enzovoort. Kortom, gemeenschap (community) en profilering zijn onlosmakelijke aspecten van bedrijfs- annex verdienmodellen ‘op’ het Internet.
Overheidsorganisaties beschouwen dat steeds vaker andersom. Voor het verzamelen van informatie is reeds met belastinggeld betaald, zo is de terechte redenering. Die informatie stelt de overheid actief beschikbaar (noemer: open data), opdat bedrijven er met toepassingen waarde aan toevoegen. Denk aan weer- en filemeldingen.
Dat jij het zoekt in “community” lijkt mij passend. Het sleutelbegrip vind ik: vertrouwen. Wat kunnen mensen van jou zelfs èxtra vertrouwen? Als thema kom jij m.i. uit bij jazz. Ervan afgezien dat ik jou het liefst vooral zèlf hoor zingen, heb jij qua “community” onder de noemer van jazz kans op succes. Sterker nog, jij hebt met Live Jazz in The Hague al een belangrijke etappe van een track record!
Iedereen mag de website als ware het een plakkaat lezen. Als ik het goed begrijp, kunnen mensen al zoiets als een profiel laten bijhouden; dat bestaat uit hun emailadres, waardoor jij ze signaleringen kunt sturen. Je zou kunnen nadenken over uitbreiding van dat profiel (maar houd het zeker voorlopig op jazz!). Gelijktijdig kan je je plakkaatformule verspreiden, met zoiets als een redacteur per stad-waar-iets-met-jazz-valt-te-beleven (zoals die aanzet voor Amsterdam).
Ik hoor wel, of je doorwil met je aanvankelijke idee. Concentreer je daarvoor nù ajb op plàn. Nee, gelet op gewettigd vertrouwen als noodzakelijke succesfactor voor “community” verhul ik niet dat je m.i. veel beter kunt doorgaan op het spoor dat je met jazz reeds ingeslagen bent èn deels succesvol afgelegd hebt.

50.85
Ik bedoelde dat juist jij kan verzinnen wat ‘profiel’ zinvol kan inhouden voor liefhebbers van wat dàt onderwerp betreft. Volgens mij als leek is ook dat er in allerlei soorten en maten. Als je dat begrijpelijk kunt sorteren (lees: classificeren), kan je mensen helpen die selectief willen zijn. Zo van, laat alles volgens die ene soort maar zitten, ik ben vooral geïnteresseerd in optredens (filmpjes, cd’s, t-shirts, ...) van mensen die ‘het’ op z’n zus-en-zo spelen. Het stramien is dus steeds profilering op z’n community’s. En hoe meer je thuis bent in het kernthema van een – mogelijke – community, des meer kun je vertrouwen op het ... vertrouwen van – mogelijke – deelnemers.

50.86
Zie verder Werk in uitvoering - 2. Daardoor kreeg het eerdere werkstuk met die hoofdtitel alsnog volgnummer 1. Ik kan me voorstellen dat jij met zo’n systeempje à la deel 2 zou willen experimenteren.
Enne, nee, van die ministeriemedewerker kreeg ik nog geen reactie. Heb ik met civiele informatiekunde toch te zwaar ingezet? Ook vanuit Australië blijft het vervolgens stil ...

50.87
Wat is nu het – plan voor het – zgn verdienmodel? Is dat (nog) contributie, of een aandeel per transactie? Het eerste is een drempel voor lidmaatschap, terwijl het tweede omzeild raakt door onderling contact van leden (en waarom ze ooit lid werden). Dus, tzt toch maar informatie over de leden ‘doorverkopen’ aan reclamemakers e.d.?

50.88
De opmerking over clustering – met hartelijk dank aan de deelnemer in kwestie! – heb ik als aanleiding opgevat om een systematisch(er) kader te – proberen te – bedenken. Op z’n minst helpt dat tijdens ons a.s. nadere gesprek met haar om vlotter te herkennen wat we eventueel missen. (Want) dankzij zo’n model kunnen we gerichte(re) vragen stellen. Zelf meen ik dat zo’n kader alweer veel meer verduidelijkt wat de reële “scope” inhoudt.
Maak je ajb geen zorgen over wat je herkent als verschillen met het nòg omvattender model. Dat valt allemaal te plooien. De geringe afwijkingen hebben te maken met het accent dat met dit kader ligt op verdeling resp. bundeling.
Dus, als je zin hebt om mee te puzzelen ... Ik vind het model wel mooi, zo met variabele voorzieningen voor ... variëteit.

50.89
Haha, dit verzoek tot inschikkelijkheid is juist aan haar adres èxtra interessant. In/met Epistemic Responsibility doet zij de oproep dat je je moet verdiepen in c.q. niet mag afsluiten voor de mogelijkheid om kennis op te doen. Ik ben benieuwd ... Of blijkt het alweer iemand die weet wat goed is voor de ... ànder?

50.90
Benieuwd ben ik op mijn beurt natuurlijk allang naar je vorderingen langs vernieuwingsspoor. Volgt ‘de manager’ je nog (in de veronderstelling dat hij leidt)? Of moet je nòg verder allerlei zinloze zijpaden op?

50.91
Ik heb er je presentatie bijgehaald die je mij in het voorjaar stuurde. Het lijkt mij dat wat je daar toont op z’n minst een gedeelte is van “de linker poot van de V,” dwz “diverse verwerkingsslagen [...] op weg naar uiteindelijk fysiek gastransport.” Klopt dat? En zitten in je ontwerpportfolio ook niet allang enkele modellen die je kunt opvatten als geldig voor andere, elkaar deels overlappende V-slagen? Als je nu eens je complete portfolio afdrukt en de vellen op een tafelblad legt ... Herken je dan de aanzet tot één overkoepelend model?
Inderdaad, indien ‘de manager’ je als concurrent voor glorie ziet, kan zo’n ruimer bemeten model jou slechts dienen om zèlf mee te oefenen. Maar op die manier krijg je stellig bevestiging dat je ‘goed’ zit door voort te borduren op wat je reeds “aan de concrete praat” hèbt.
Wie weet snapt ‘de manager’ ooit dat de letter V pas zinvol betekenis heeft zoals in de samenstelling V-snaar. Overdrachtelijk wijst snaar op het noodzakelijk cyclisch karakter van informatieverkeer. Daar staat V als het ware – slechts – haaks op, als de doorsnee van de snaar. Tja, zolang daar überhaupt een snaar ontbreekt om te raken ...

50.92
Ik ontving een bericht van jou met je verzoek “I'd like to add you to my professional network on LinkedIn.” Ik kàn er niet op ingaan, omdat ... ik niet aangesloten ben. Waarom niet? Als je wilt, leg ik je dat uiteraard graag uit.
LinkedIn of niet, zullen we voor binnenkort een afspraak maken? We wonen er voorzover ik weet dicht genoeg bij elkaar voor.
Toen mijn boek Metapatttern verscheen, bezorgde ik je prompt een exemplaar. Ik koester onverminderd de overtuiging dat keteninformatisering zònder methode voor stelselmatige informatiemodellering, Metapatroon dus, nog steeds geen productief keten- resp. netwerkkarakter verkrijgt. Dat is ook precies waarom nu weer aanbevelingen van de TK-Tijdelijke commissie ICT niet alleen de spijker, maar zelfs de complete plank misslaan.
Voor het inherente keten- resp. netwerkkarakter van informatieverkeer op maatschappelijke schaal werkt het nooit om iedereen maar brokken (!) te laten maken. Je kunt ze wel bouwstenen gaan noemen, maar passen doen ze daardoor allerminst. Zoals juist jij weet, lukt dat pas wanneer voorzieningen principieel als schakels c.q. knooppunten opgezet zijn. Dat vergt inderdaad ècht een ander soort informatiekunde. Zolang echter zgn bestuurskundigen e.d. (overheids)informatisering blijven evalueren, komen er slechts voor de zoveelste keer averechtse bestuurlijke maatregelen.
Nog algemener dan ketens pleit ik voor infrastructuur voor informatieverkeer (lees ook: civiele informatiekunde). Omgekeerd kan zo’n infrastructuur dan allerlei ketens zoals jij ze m.i. opvat faciliteren.
Klopt, met voorrang zijn bestuurlijke maatregelen nodig voor erkenning enz. als infrastructuur. Maar vooralsnog blijft het bij alsmaar luidere valse retoriek. Dat gebeurt meer uit onbenul dan kwade trouw, maar de consequente nalatigheid bij zowel opdrachtgevers als –nemers om het eindelijk beter te weten is natuurlijk wel verwijtbaar.
Enfin, gesprekstof genoeg, lijkt me.

50.93
Over op je handen zitten gesproken ..., ook en vooral de verleiding, herstel, noodzaak “tot transformatie van het V-model” moet je weerstaan. Houd ajb je eigen, stelselmatiger model(len) zorgvuldig apart. Zo goed en zo kwaad als het kan, projecteer je dat (die) op zo’n V. Het moet lijken dat je altijd binnen de V bleef, maar je èchte werk doe je – uiteraard – met de productieve oriëntatie die je dankzij dat (die) àndere model(len) vestigde, en bijhoudt.
Op die manier maakt het trouwens niets uit welk model je daadwerkelijk ... niet gebruikt, maar waarmee iemand anders blijkbaar iets wil slijten: V(erkoop)-model. Tja, wat verkoopt zo iemand dan eigenlijk?

50.94
Ja, het naïeve, dus ook onbewuste enzovoort idee is overheersend dat (een) informatie (lees: teken) enkelvoudig een voorstelling ... voorstelt. Volgens die aanname behoeft betekenis géén problematisering, kritiek e.d. Aldus staat hèt teken immers eenduidig, absoluut voor dè betekenis. Daardoor laat betekenissenvoorziening zich vervangen door ver- en bewerking van tekenvòrmen. Op elk moment laat zich een vorm als het ware terùgvervangen door inhoud, nietwaar? Meer dan techniek voor vormpjes hebben we daarom niet nodig, toch? Wie iets anders beweert, doet nodeloos moeilijk, is maar lastig ... Zolang onbenullige mensen het voor het zeggen hebben die “informatie,” zoals jij stelt, “voor meer dan vanzelfsprekend aanne[men] en daarmee eigenlijk in het geheel niet zie[n] staan,” moeten we er als het ware ondergronds het beste van proberen te maken. Is het voor voldoende dekking dan inderdaad nodig om hun valse ijdelheid te strelen? Of bestaat het dilemma eruit, dat zij daardoor juist versterkt raken in posities waarvoor ze òngeschikt gebleken zijn? Nee, ik weet het ook niet ...

50.95
Heb je al verzameld wat op de reële schaal van informatieverkeer deelmodellen zijn? Schrik ajb niet als je merkt wanneer synthese op ruimere schaal nogal ingrijpende herordening vergt. Je bent dan belemmeringen voor stelselmatigheid op het spoor!

50.96
Ik heb nogal veel geschreven ..., zie www.wisse.cc. Een recente tekst met nadruk op – de noodzaak van – paradigmawissel en hoe een passender paradigma op hoofdlijn luidt, is Metapattern for complementarity modeling. Daarin kan je herkennen dat het qua hoofdlijn helemaal geen oorspronkelijk idee is. Maar ‘we’ moeten het eindelijk óók gaan benutten voor informatieverkeer, al helemaal sinds de schaal door-en-door praktisch grenzeloos is als gevolg van inzet van digitale technologieën. En voor dat, zeg maar, open toepassingsgebied bestond inderdaad nog geen modelleermethode annex –taal. Daarin voorziet Metapatroon.
Met problematische acceptatie van stelselmatig bemeten voorzieningen hebben wij helaas allebei ervaring. Er ontstaat geheid méér kans door het reële verband onder de aandacht te brengen. Als aanzet van mijn kant kan je bijvoorbeeld mijn korte opstel Informatiediensten in relativiteitsperspectief opvatten; zie daar ivm – variabele inrichting van – keten vooral paragraaf 5.
Als noodzakelijke fase in Verelendung heeft de Tijdelijke commissie ICT wellicht nog nut.

50.97
In de inleiding van The Philosophy of Plato (Oxford University Press, 1949, herdruk 1951) schetst G.C. Field kort Plato’s levensloop. Als “the chief work of his life” bestempelt Field “the foundation of the school or college known as the Academy” (p. 8). Field verklaart (pp. 8-9):

It is reasonably certain that Plato’s primary object in founding the Academy was the training of potential statesmen. He had come to the conclusion [...] that there was no opening for a man of his standards in direct political activity of that time, but [...] he did not abandon hope of finding some way of making things better. The foundation of the Academy showed the direction in which his hopes turned. It is clear that he hoped by the training there to build up a group of men who would approach political work in the spirit in which he thought it should be approached, and that he hoped further that when such men were produced the people in the Greek cities would gradually come to have confidence in them and turn to them for political leadership.

Terwijl Plato daarmee volgens Field “a considerable degree of success” (p. 9) boekte, besef ik door bovenstaande tekstpassage nog maar eens wat mij helaas niet lukte. Nee, ik slaag er nog steeds niet in om een ontwerpschool gevestigd te krijgen voor opleiding van wat ik inmiddels civiele informatiekundigen of informatieverkeerskundigen noem. Nu is dat inderdaad extra moeilijk, mede gelet op de noodzakelijke spanning tussen ontwerp en school; zie ook o.a. Bauhaus in de informatiemaatschappij Dat zouden vooral politici moeten begrijpen, maar Plato’s Academie bestaat niet meer …

50.98
Nota bene, de volgende historische bewering door G.C. Field (The Philosophy of Plato, p. 17) betreft context:

The familiar move in a discussion, ‘It depends what you mean by’ so-and-so, may really be said to be the invention of Socrates.

50.99
Bijgevoegd stuur ik je twee tekstuele vingeroefeningen, dwz korte opstellen. Als je er weinig tot niets juridisch in ontdekt ... heb je helemaal gelijk. Het is naar mijn overtuiging een vergissing om ervan uit te gaan, dat informatievoorziening voor rechtspraak – of voor welk volwassen ‘vak’ dan ook – zoiets als een materiële afdruk moet zijn. Juist niet! Dat zou neerkomen op rechtspraak ‘over’ willen doen, en dan niet eens dunnetjes, maar met alle betweterigheid van dien. Dat werkt averechts (zoals de lange praktijk van mislukte projecten m.i. overduidelijk aantoont).
(Ook) rechtspraak is natuurlijk een vak. En voor een vak is nu eenmaal karakteristiek dat vakmensen onontbeerlijk ervoor zijn. Het uitgangspunt mag dus juist niet zijn om de vakmensen overbodig te maken, maar om ze alweer wat beter te faciliteren. Met beide opstellen probeer ik deze optimale, want ‘beperkt’ tot faciliterende, insteek tot uitdrukking te brengen.
Zijn ze je in elk geval een kop koffie waard?

50.100
Wellicht helpt focus op dienstencentrum alweer wat verder. De samenstellende delen van die aanduiding zijn 1. diensten en 2. centrum.
Wat diensten betreft rijst de vraag: Wie zijn opdrachtgevers? Dat is een strikvraag. In een reflex luidt het antwoord: Nou, de andere onderdelen van de eigen organisatie, uiteraard! Maar is een leverancier die 'via' DC (dienstencentrum) een factuur stuurt niet ook een sóórt opdrachtgever? Zeker, je kunt stellen dat een interne afdeling oid. netzogoed opdrachtgever is voor zulk crediteurenbeheer. Maar wat is dan de, zeg maar, aard van de diensten? Klopt, DC levert vooral (informatie)verkeersdiensten.
En hoe zit het met centrum? Is er slechts één plaats waar de diensten in kwestie voortaan verricht worden, maar maakt het voor de behandeling verder niets uit? Of hebben de opdrachtgevers voordeel van coördinatie? Zo ja, waarop berust de toegevoegde waarde die DC àls centrum kan bieden? Dankzij overzicht over informatieverkeer kan DC diensten samenhangend(er) verlenen.
Wat moet DC 'weten' voor samenhangend(er) dienstverlening? Dat is allereerst precieze informatie over de deelnemers aan relevant informatieverkeer. Dat geldt zowel de in- als de externe deelnemers.
Een verkeersdeelnemer kent vaak echter niet één en dezelfde hoedanigheid voor alle - aspecten van - diensten. Dankzij een passend gevuld verkeersprofiel worden allereerst enkele knellende beperkingen opgeheven.
Een zgn verkeersprofiel mikt qua toepassing in eerste aanleg op beheersing van de variëteit van - hoedanigheden van - deelnemers aan de algemene rekening courant voor [...]. De opzet is echter algemener, dus ook om andere diensten met voordelige samenhang te kunnen leveren. Die oriëntatie gaat verder dan diensten die DC thans in beheer heeft. Daar kunnen in de toekomst diensten voor samenhangend(er) behandeling bijkomen. Met een voorziening onder de noemer van verkeersprofiel kan DC flexibel inspringen op reële behoeften van ... opdrachtgevers plùs als centrum toegevoegde waarde leveren vanuit samenhang.
De hoedanigheden van deelnemers kunnen als criteria dienen voor zgn clustering van primaire diensten & producten.
De externe deelnemers zijn uiteraard eveneens sterk gebaat bij beheersing van dergelijke variëteit. De huidige registers zijn als het ware ééndimensionaal ingericht; daardoor zijn ze principieel ongeschikt om variëteit op aspecten zoals postvoorziening en debiteurenbeheer te faciliteren.
De belangrijkste èn meest ingewikkelde 'dienst' (lees ook: opgave) voor informatieverkeer betreft autorisatie: Wie is bevoegd, of juist niet, om wat te bekijken en eventueel te wijzigen? Op de zgn stelselschaal van informatieverkeer zijn daarvoor verbijzonderingen volgens hoedanigheid onontbeerlijk. Als DC dat niet voor informatieverkeer voor de primaire diensten & producten gaat beheren, wie dan wel?

50.101
Ik heb me meteen gestort op je 2014-aantekeningen. Je biedt wederom een schitterende stortvloed van wijsheid. Vooral waar – ik meen te herkennen dat – je fopvattingen bestrijdt, vind ik je visie op evenwichtige, veranderlijke samenleving èn je frustratie over het principiële onbegrip alom ditmaal extra krachtig in heldere aanbevelingen enz. tot uitdrukking komen. Duidelijker kan je het onmogelijk maken ...
Nu omvat de betekenis van fopvatting volgens mij de vergeefsheid van pogingen om wie haar debiteert, op wellevender gedachten te brengen. Hoe lang valt dat vol te houden? Ik bewonder des te meer de bijzondere intensiteit van de inhoud van deze lichting, bedankt!

 

 

Juli – december 2014, webeditie 2014 © Pieter Wisse