19.
Aantekeningen uit correspondentie,
februari – maart 2007

Pieter Wisse

Wat volgt zijn tekstpassages, voornamelijk overgenomen uit emailberichten die ik schreef in de periode februari – maart 2007. De volgorde van verzending bleef gehandhaafd.

 

 

19.1
(Ook) in die overheidsorganisatie is dus een ontspoorde inkoper bezig. De uitnodiging aan marktpartijen voor commentaar is een ordinaire manier om gratis advies te tappen. Verder is natuurlijk het gehele plan tot mislukken gedoemd, ... omdat er feitelijk geen plan is. Nu is dat voor zo’n algemeen, verreikend doel/visie ook reuze onverstandig, ik bedoel een gedetailleerd plan. Het gaat daarentegen, als je tenminste serieus bent, om een veranderingsproces dat zelf ook weer veranderlijk is. Daarvoor kan je niet domweg in één klap het werk aanbesteden. De gemeente in kwestie moet organieke stapjes zetten, maar lijkt nog geen enkel procesbenul te hebben.
Dus, nee, ik zou zeggen helemaal niet ingaan op wat in dit stadium een vraag naar gratis advies is. Nou ja, als wezenlijke uitzondering zie ik het leggen van contact met burgemeester en/of gemeentesecretaris om ze met hoogste spoed het klinkklare advies te geven dat het op hun oorspronkelijke manier niets is en ook nooit wat kan worden. Of wij dan weten hoe je dan moet aanpakken? Ja! De allereerste stap is om de huidige aanbestedingsboel subiet in de prullenbak te gooien. Zeker voor mijzelf zou trouwens iedere verdere seconde die ik eraan besteed vergeefs zijn. Want langs die weg kan ik daar toch nooit een betaalde opdracht verkrijgen. En zoals ik het zie, geldt hetzelfde voor jullie bedrijf. Dat jullie in dezelfde gemeente gevestigd zijn, verandert daaraan volgens mij niets. Alleen op een manier die verrassend anders is, en in positieve zin zo overkomt op burgemeester/gemeentesecretaris, heb je een kans. Daarvoor moet je vooral verder niets voorbereiden. En voor zulk contact kan je juist wèl weer gebruik maken van “Wij zijn een werkgever in deze gemeente,” of zoiets. De hamvraag in dit stadium is of je in gesprek komt, of niet. De inkoopmeneer moet je links laten liggen; die begrijpt er toch niets van. Als dat niet (meer) lukt (bijvoorbeeld omdat de gemeentesecretaris je niet wenst te spreken, want “de procedure loopt. Daarvoor moet u bij onze inkoper zijn”), moet je helaas die gehele gemeente als potentiële opdrachtgever verder maar vergeten. Wij moeten onze tijd dan beter besteden.

19.2
Als ze lange tenen hebben, moeten we er maar eens bovenop gaan staan.

19.3
Wellicht bestaat een verschil in benadering erin dat ik, zeg maar even populair, gemeenschapszin als een eigenschap van de mens beschouw. Als ik het goed heb, heet die consequente oriëntatie op het individu: methodologisch individualisme. Daaruit volgt onder meer dat ik gemeenschap niet zie als een karakteristieke, aparte actor, maar als resultante van interacties van consequent menselijke (lees dus ook: individuele) actoren. Daarom veronderstel ik als referentiekader voor interactie twee exemplaren van een semiotische enneade; zie mijn latere tekst Dia-enneadic framework for information concepts. Zoals ik compliance bedoel, blijkt dan slechts begrijpelijk volgens dat kader voor interactie (met dus feitelijke gemeenschap als resultante). De ene actor pleegt met een teken een request for compliance, dus een verzoek aan de andere actor om zich op een bepaalde manier te gedragen. Daarmee is natuurlijk niet zomaar gezegd, dat die andere actor inderdaad gehoor geeft aan zo'n verzoek. Vandaar dat die ontvangende actor ook een eigen enneade voor semiosis kent. Het niet-opdoen van betekenis via een teken is principieel onmogelijk. Het betreft immers semiosis, waardoor object-teken-interpretatie onlosmakelijk verbonden zijn. Waar het dus om gaat, is welke betekenis? Waardoor is de ene, teken-voortbrengende actor succesvol met zijn verzoek? Wat moet een teken zijn/doen, opdat de andere, teken-waarnemende actor voldoet aan het verzoek in kwestie? In dat verband vind ik overigens: non-compliance is altijd ook compliance. Een verbod e.d. telt volgens de algemene slogan “every sign is a request for compliance” dus ook als een verzoek. Inderdaad kan de andere actor op zo'n verzoek non-compliance vertonen, sterker nog, ... Het is m.i. noodzakelijk om (teken)gedrag van betrokken actoren te onderscheiden, kortom methodologisch individualisme.
'Request for compliance' bedoel ik dus juist radicaal omvattend. Elk teken is eerst en vooral zo'n verzoek. Daar'binnen,' als je dat zo kunt noemen, kunnen aspecten aan de orde zijn, zoals een nota bene ook altijd noodzakelijkerwijs weer subjectieve schets van de werkelijkheid. Maar volgens mij bestaat dus zo'n propositie onafhankelijk gezien niet, punt. Het gaat altijd om een inschikkelijkheidsverzoek. Hoe je naar aspecten enz. van een verzoek kunt graven, heb ik in hoofdstukken 7 en 8 van Semiosis & Sign Exchange uitgewerkt gesuggereerd voor de voortbrenger, respectievelijk de waarnemer van een teken. Dergelijke verschillen zie ik niet als paradoxaal, maar als 'gewoon' dankzij dat methodisch strikte onderscheid tussen voortbrenger en waarnemer van een teken. Het betreft louter nog een paradox vanuit het perspectief dat er een overkoepelende taligheid is waarin gemeenschappelijke betekenis (wat dat ook is) als het 'ware' vastligt voor alle deelnemers aan communicatie. Bijvoorbeeld zoals ik Umberto Eco's semiotische theorie begrijp is, of in elk geval: was, dat zijn opvatting; zie hoofdstuk 5 van S&SE voor mijn kritiek.

19.4
Je wijst met je opmerkingen over Klacht over ICTRegie terecht op een communicatief dilemma. Mijn ruime ervaring met iets-vriendelijk-opschrijven leert echter dat daarmee helemaal niets gebeurt. Zo van, blijkbaar vindt de schrijver het niet werkelijk belangrijk, want anders zou hij wel een andere toon aanslaan. Nu is mijn inmiddels netzo ruime ervaring met iets-wat-feller-opschrijven precies hetzelfde; de reactie is dan gemakkelijk, ja, met zo iemand valt niet te praten. Op die manier kan iemand zich dus altijd onttrekken aan verantwoordelijkheid. Blijkbaar gebeurt dat ook consequent. Of mis ik iets? ICTRegie, bijvoorbeeld, is toch ingesteld voor bevordering van innovatie met informatie- en communicatietechnologie?! En ik mag toch wel begrip ervoor veronderstellen dat fundamentele vernieuwing, zeker in het vroegste stadium, altijd "nogal ingewikkeld" overkomt. Inderdaad, het is per definitie onmogelijk om daarvan een uitnodigende beschrijving te verschaffen. Nota bene, daarom is het ook zo belangrijk dat er een instelling bestaat zoals ICTRegie met als taak om zich van dergelijke populaire eisen aan communicatie niets aan te trekken en aldus een voorstel op merites van vernieuwing te beoordelen. Nee, dus.
Nogmaals, nee, ik heb nog niets gehoord. Natuurlijk kan ik zo'n brief altijd beter schrijven, maar principieel acht ik het niet mijn fout dat reactie uitblijft. Ik spreek zo'n instelling aan op haar taak, punt.

19.5
Ik krijg dat vaak, advies waarvan ik blijkbaar moet vinden dat het goedbedoeld is. Dat komt echter nogal eens op angst neer. Het moet erop lijken dat ik geholpen ben, bijvoorbeeld met aansporing om mijn voorstel beter, verleidelijker enzovoort op te schrijven. Dat maakt echter niets uit. Ik ben daarentegen natuurlijk pas ècht geholpen wanneer ik èlders openlijke steun verkrijg. Maar bijna iedereen is blijkbaar bang dat ‘de baas’ zulke steun opvat als kritiek. Daar durven ze niet, maar aan mijn adres wel met stagnatie van vernieuwing als gevolg. Mag ik zulke mensen dat kwalijk nemen? Gedragen zij zich onverantwoordelijk, nalatig? ‘Wij’ hebben er voor noodzakelijke vernieuwing per saldo in elk geval niets aan. En wat ik ervan vind maakt praktisch niets uit.

19.6
Je maakt op basis van iDNA Manifest met zijn principe van informatie-eigendom duidelijk dat allerlei privacyregelingen feitelijk lapmiddelen zijn om ondeugdelijk fundament te compenseren. En omdat het zo nooit netjes lukt, stel je terecht dat het per saldo ook in het belang is van je werkgever als houder van een verzameling persoonsinformatie om zo'n principe te erkennen en hanteren.

19.7
In het korte bestek van die eerste stappen heb ik een verdere verfijning van interdependentie in het midden gelaten. Een reden ervoor is dat ik geen algemeen geldige regels voor samenhang herken. Ik zou daarom niet weten hoe ik dat in slechts enkele aanvullende stappen kan verklaren. Zo is er passiviteit. Bijvoorbeeld, voor wie zich op enig moment actief per fiets verplaatst, blijft geldig dat zij (of hij) ergens een woning huur, bezit of inwoont. Nu kan iemand fietsend in een nieuwe situatie terechtkomen, zelfs veroorzaken, zeg een ongeval. Voor de verzekeringspapieren moet zij dan haar woonsituatie erbij halen. En als iemand sterft, komt daardoor gelijk een streep door — de mogelijkheid van — gedrag in allerlei andere situaties.
Er bestaat slechts situationeel gedrag. Dat is per definitie overkoepelend, algemeen geldig, of wat dan ook, te weten in/voor die situatie. Wanneer het zo is dat gedrag onvoldoende bepaald blijkt door een situatie, dan klopt die keuze van situatie blijkbaar niet. Het is natuurlijk wel zo dat ervaringen in, planningen voor enzovoort allerlei andere situaties mede van invloed zijn op feitelijk gedrag in die ene situatie. Althans, dat lijkt mij geldig voor menselijk gedrag, omdat een mens via enneadische semiosis tot bepaald gedrag komt. Inderdaad, ik denk dat onlosmakelijk met die gedragsbepaling op basis van concept de situatiebepaling op basis van motief samenhangt. Dus, situatie is voor motiefgedreven wezens niet zozeer iets statisch, maar eveneens steeds cognitief-emotioneel geconstrueerd. Een schets van dergelijke dynamiek vond ik, nogmaals, buiten het bestek liggen van de eerste stappen naar een ontologie voor interdependentie. Maar over interdependentie gesproken, we ontkomen er niet aan. Praktisch gezien acht ik dat echter weer teveel stappen tegelijk voor menig lezer, laat staan voor besluitvormer over informatievoorziening. En als we ons concentreren op administratieve informatievoorziening en aldus op zgn precoördinatie (waarbij je volgens vooraf bepaalde structuur werkt), dan komen we met het weliswaar veranderlijke, maar desondanks redelijk statische situatiebegrip al keurig waar we moeten zijn. Filosofisch, cognitief-psychologisch e.d. ligt daar inderdaad precies een open gedeelte in het interdependentiemodel, maar praktisch informatiekundig zit het m.i. in elk geval voorlopig dicht genoeg.
Dat houdt verband met wezenlijke verandering van het identiteitsbegrip, zeg maar van alle-gedragingen-omvattend voor een individu naar louter-schakelingsmogelijkheid-tussen-gedragingen voor een individu. Nota bene, het gaat daar dus enerzijds om schakeling tussen een bepaalde situatie en bijbehorend gedrag voor een individu, anderzijds om ook nogeens tussen dergelijke schakelingen te kunnen ... schakelen. Daarvoor is nodig dat elke situatie/gedrag-schakeling voor een individu tevens eenduidig dat individu in kwestie bepaalt. Wat hun aanwijzing van een individu betreft, zijn de relevante situatie/gedrag-schakelingen dus ... identiek.
Over de grens van een object zou ik niets met zekerheid kunnen beweren. Het beginsel van interdependentie suggereert dat we ons niet zo druk hoeven te maken over 'het object' als onafhankelijk bestaand. Waar ik met mijn reeks inleidende stappen maar gestopt ben, is vóór de uitwerking van implicaties van het pragmatisch realisme (zoals gesymboliseerd door de semiotische enneade). Als bijvoorbeeld dat idee van die dubbel-gelaagde schakeling een beetje klopt, is het dus steeds een subject die een samengesteld object concipieert. Zeg maar, ik (hier even subject) ken jou (hier even object) in die situatie als zus, in een andere situatie als zo, enzovoort. Hoe herleid ik dat allemaal tot één noemer? Hoe dat neurologisch werkt, daarvan heb ik geen idee. Maar als model vind ik mijn gewijzigde identiteitsbegrip zo gek nog niet. Dat houdt overigens in dat als ergens in die dubbel-gelaagde schakelingen de verwijzing-naar-jou vervaagt of anderszins verloren gaat, ik die situatie/gedragcombinatie over jou vergeten ben. Of stel dat de verwijzing-naar-jou op welke manier dan ook vervangen raakt door de verwijzing-naar-mij. Ineens hoort de situatie/gedragcombinatie in kwestie tot mijzelf als object. Volgens mij gebeurt dat voortdurend, ik bedoel dat mensen de prestaties van anderen aan zichzelf toeschrijven. Ik kan slechts hopen dat ik er geen last van heb ... :-)
Nee, ik vind niet dat het object "[zich] manifesteert [...] middels een specifieke, situationeel bepaalde identiteit." Ik zou zeggen, manifestatie is synoniem met gedrag. Dus, een object gedraagt zich situationeel. Middels zijn identiteit bestaat onlosmakelijke samenhang tussen situatie en gedrag. Wat mij betreft is de crux juist dat gedrag en identiteit (en situatie) zoveel mogelijk òntkoppeld zijn voor hun optimale samenhang.

19.8
Het betreft louter een paradox vanuit het perspectief dat er een overkoepelende taligheid is waarin gemeenschappelijke betekenis (wat dat ook is) als het 'ware' vastligt voor alle deelnemers aan communicatie. Maar goed, ik maak dus geen onderscheid tussen gemeenschappelijke betekenis en, zeg maar even, persoonlijke betekenis. Ik vind dat gemeenschappelijke betekenis gewoon niet bestaat, zodat ik in dat opzicht niet door een paradox geplaagd ben. Dat is al winst. Ja, persoonlijke betekenis is natuurlijk wel resultaat van gemeenschapsproces.

19.9
Zojuist kwam zowaar een brief van de minister van OCW. Maar een serieus antwoord, nee. U moet niet bij mij zijn, staat er met zoveel woorden. Ik zal er een opruiende reactie op schrijven, nog vruchtelozer dan mijn vorige pogingen. Maar het gaat natuurlijk allang niet meer, helaas, om een kans op normale relaties voor nodige vernieuwing, maar om mijn private experimenteel onderzoek naar hoe verknipt het (niet) werkt. Ik kan het niet veranderen, maar mij erbij neerleggen is ook weer zoiets.

19.10
Allemaal prachtig, maar methodologisch voegt "gemeenschap" niets toe aan mijn fundamentele begrip. Het zijn en blijven meningen van individuele personen (ook nog eens toegespitst op situaties; vandaar subjectief situationisme). Natuurlijk zijn er processen van meningconvergentie (of hoe je dat zou willen noemen), maar nota bene als gevolg van gemeenschap ook van meningdivergentie. Voor het levensvatbare, ontwikkelende gemeenschap is (kan zijn?) immers tevens specialisatie functioneel.
Blijkbaar heb ik nog genoeg van de zestiger jaren meegekregen, en behouden, voor wantrouwen. Is gemeenschap iets overstijgends, belangeloos? Of is het, after all, een speel- of liever vechtveld waarop sommige actoren onder verwijzing naar gemeenschap hun request for compliance proberen te versterken? Dat lijkt me lastig te ontkennen, zodat je überhaupt die individualistische insteek nodig hebt. Maar is de gemeenschap dan nog wel actor? Of is het, zoals ik dus meen, op z'n gunstigst een soort stenografische aanduiding van statistiek-van-individuen en op z'n slechts een slinkse machtsslogan? Overigens beoefenen we op dit punt allang geen wetenschap meer, maar rommelen we wat met axioma's. In die zin heeft wetenschap onvermijdelijk politieke keuzes als basis (of hoort dat nog bij mijn axioma's?:-). Ik bedoel ook, daarover moeten wij niet te lang discussiëren, laat staan ruzie over maken. Je mag verwachten dat ik zo nu en dan opmerk dat volgens mijn aannames — zo ze verschillen — een ander resultaat geldt.

19.11
Volgens André Gluckmann is domheid dermate slim georganiseerd dat er geen doorkomen aan is. Bijna niet, blijf ik maar doende hopen.

19.12
Wat thematiek betreft, is beveiliging/veiligheid natuurlijk op infrastructurele schaal zelfs wezenlijk.

19.13
Informatievoorziening stagneert omdat er nog altijd geen opdrachtgever te bekennen is die een visie heeft volgens het, zeg maar, civiele informatiekundige paradigma, laat staan bijbehorende opdrachten verstrekt, Daarom zijn er in dit stadium mensen nodig die initiatief nemen om ze daarin op te voeden. Overigens vermijd ik in dergelijk verband liever de term praktisch e.d. Dat hoor ik steeds als drogreden tégen noodzakelijke vernieuwing. Alsof ik niet praktisch ben! Integendeel, ik weet werkelijk niets praktischer, niets waarmee we èchte risico’s beter bestrijden dan a. ophouden met wat niet meer werkt en b. aan de gang gaan volgens wat wèl werkt.
Bedoeld voorlichtings- respectievelijk opleidingsinitiatief is dus gericht op wie wat zou kunnen gaan zien in de civiele informatieschool en, als dat lukt, daaraan de handelingsconsequentie verbindt van verdere pogingen tot ontwikkeling en verspreiding van dat wezenlijk ruimere paradigma. In de gauwigheid bedenk ik voor een kort seminar drie verwante onderwerpen. Allereerst interdependentie als verkeersbeginsel. Ten tweede de vergelijking van integratie volgens de gangbare enterprise-insteek (hoe een oplossing onderdeel van het probleem vormt) met die volgens interdependentie (passende variëteit voor informatieverkeer òngeacht de schaal van het verkeersstelsel). Ten derde het iDNA Manifest. Bijelkaar valt zo het civiele informatieparadigma aardig te illustreren.

19.14
Nee, mijn denkbeelden vind ik op dat punt niet zozeer gewijzigd, althans niet met enige structurele betekenis. Dat meet ik hier dan sinds het oerontwerp van de semiotische enneade (hoofdstuk 4, Semiosis &Sign Exchange). Dat (meta)model ontstond in het najaar van 1999. Ik ben over nog wat langere termijn echter wel enkele termen anders gaan gebruiken. Dat gebeurde dankzij verdere waardering voor onlosmakelijke samenhang met de bedoeling van nadere precisie. Je kunt ook zeggen dat mijn aanvankelijke terminologie her en der nogal slordig was. Of, hoewel ik me daarvan enigszins bewust was, probeerde ik nog in herkenning vanuit het oude paradigma te voorzien. Bijvoorbeeld, toen ik in 1998 een manuscript uit 1993 aanvulde met wat de hoofdstukken 26 (Tijd) en 27 (Orde) in Informatiekundige ontwerpleer vormt, was mijn oriëntatie inderdaad nog het integrale objectmodel. Zeg ik maar dat ik nog altijd onder één noemer àlle gedifferentieerde gedragingen wilde samenvatten. Hoezeer dat theoretisch ook klopt, ik ontdekte toen wel, dat je voor praktisch gebruik daardoor slechts een schijnoverzicht opmaakt. Door contextuele orde met ook nogeens consequente tijdverbijzondering explodeert immers de variëteit op de totale objectschaal, waardoor je er praktisch geen wijs meer uit kan. Dat is de precies de reden waarom ikzelf daar de ontwikkeling van mijn formalisme meteen voorzie van onmiskenbaar spottend (bedoeld) commentaar, zeg maar een parodie op schijnnauwkeurigheid. Zo staat ergens in hoofdstuk 26 “De toevoeging van geldigheidswaarden G aan — het ontwerp van — de objectadministratie is, op dit punt aangeland, ongecompliceerd” waarop een volstrekt ontoegankelijke formule volgt. Toen ik die zgn formule hem opstelde, begreep ik hem wel (dacht ik), maar vraag me nu ajb niet wat er staat. Als ik dat zo droog aangekondigd zie, dus ter inleiding van alweer iets dat vrijwel onmiddellijk tot onbegrijpelijkheid verzonk, moet ik nog altijd lachen.
Na voltooiing van het manuscript voor Informatiekundige ontwerpleer raakte ik verderop in het jaar 1998 dankzij — het schrijven van — Metapattern: context and time in Information models kennelijk tevens voor de weergave pas vrij genoeg van het klassieke ontologisch mandaat van objectintegriteit annex -identiteit. Van desondanks resterende ònduidelijkheid is inderdaad de aanduiding partial identity een duidelijk voorbeeld. In mijn latere pogingen tot consistentie heb ik het daar niet of nauwelijks meer over. Inderdaad, eerder gebruikte ik identiteit dus (mede) in een andere betekenis dan welke nu m.i. (wederom) behoorlijk strak in die tekst over een ontologie voor interdependentie voorgesteld staat. Want ook de aanduiding volgens part vóóronderstelt te simpelweg nog een eindig whole met dus een keurige, aftelbare, of hoe je het noemen wilt, verzameling van die parts. Inmiddels spreek ik me er ook (hopelijk) duidelijker over uit dat dat — object als — whole juist géén duidelijke grens kent.
Dankzij je analytische terechtwijzing besef ik een kiem van mogelijke verwarring niet verwijderd te hebben. Ik bied je mijn verontschuldiging aan voor de nodeloze moeite die je daardoor besteedde. En meteen hartelijk bedankt voor je aanleiding om terminologie nog scherper te verantwoorden.

19.15
Je weet inmiddels hoe het werkt. Als ik stof voor een aantekening herken, voer ik tegenwoordig meteen maar zo snel mogelijk een eventuele bewerking uit voor algemene consumptie.

19.16
Ik vind het vervelend om een negatieve voorspelling te doen. Dat heeft trouwens helemaal niets ermee te maken dat ik niet tegen mijn verlies zou kunnen. Ik ben eraan gewend dat juist mensen met oude problemen blijkbaar niet willen kijken naar een nieuwe oplossing. Maar met meer van hetzelfde blijft het nu eenmaal een zooitje; zij zijn beslist geen uitzondering van alsmaar sterker groeiende onbeheersbaarheid.
Mocht het jou gaan opvallen dat het helaas niet gaat werken, aarzel ajb niet om alsnog contact op te (laten) nemen. En gemakkelijker en goedkoper dan het gratis eens voor te doen, kan ik het natuurlijk ook niet maken. Gratis gold slechts het oorspronkelijke aanbod voor een proefopstelling, dat wel.

19.17
Zoals je weet, houd ik met Klachtenspel een verslag bij van de behandeling van mijn klacht over ICTRegie. Hierbij stuur ik je onderstaand apart mijn laatste aanvulling, te weten van 12 februari jl. Die is nogal uitgebreid vanwege een bizarre ontwikkeling: een minister probeert haar verantwoordelijkheid botweg te ontwijken. Zo gaat het niet langer uitsluitend om mijn ene klachtje. Als je het met me eens bent, dat zo'n handelswijze de vertrouwensbasis voor maatschappelijk verkeer corrumpeert, hoop ik nogeens extra dat je gehoor geeft aan dit verzoek tot inschikkelijkheid. Hulp!

19.18
Met inherente stelselmatigheid van informatieverkeer valt apartheid af als leidraad voor beveiliging en veiligheid.

19.19
Met je analogie stel je natuurlijk ook principieel méér ... Want ik meen dat wij allebei zgn materialisten zijn, of monisten zo je wilt. (Ook) zoiets als semiosis (wat het ook is) voltrekt zich dus nooit apart van fysiekheid, maar is daar gewoon een verschijningsvorm van. Over situatie gesproken. Je wijst uit de losse pols wel opnieuw (analyse!) op het, zeg maar, probleemgebied dat ontstaat door het referentiekader met verscheidene elementen (hoe onlosmakelijk we die van de weeromstuit ook veronderstellen). Ik bedoel hier de overgang van object op subject, vice versa. Jij schrijft dat "een object tot het menselijk bewustzijn doordringt." Is hier ook interdependentie aan de orde? Het klinkt wat merkwaardig, maar zodra je ze onderscheidt èn onlosmakelijk veronderstelt, moet je eigenlijk wel zeggen dat object en subject elkaar wederzijds doordringen (waarbij, nota bene, de aanname van het ene als object en het tweede als subject tevens een derde als teken inhoudt). Hoe dat materieel wellicht niet "alle kanten op" werkt, maar op z'n minst daartùssen, begrijpen we alleen niet zo best. Maar komen we zo niet precies uit — inderdaad paradoxaal gesproken — op het onzekerheidsprincipe? Hoor eens, jij begint over kwantummechanica. :-)
Je vermeldt trouwens "het menselijk bewustzijn." Daarover hebben we het al kort gehad en mijn idee van bewustzijn lijkt — tja, hoe moet ik dat nu zeggen terwijl ik er eerlijk gezegd geen flauw idee van heb — dat het waarschijnlijk — schaduw van kwantummechanica? — iets ànders is. Anders dan wat? In elk geval vind ik dat semiosis zeker niet tot bewustzijn beperkt is. Als je het een beetje wetenschappelijk (laat maar even zitten wat dàt dan weer is) wilt doen, is de vraag primair hoe in evolutionaire termen een hypothese van voordeel-door-bewustzijn luidt. Ik zou zeggen, dat moet pragmatisch voordeel zijn, dus via aangepaster gedrag door het organisme (mede) dankzij zijn bewustzijn. Het antwoord mag op z'n minst géén materiële tegenstrijdigheid — ja, als we zo bezig zijn: bestaan er überhaupt andere soorten tegenstrijdigheden? — oproepen. Kortom, ook daarover zijn we voorlopig niet uitgesproken.

19.20
Bedankt voor wat ik graag beschouw als je compliment voor doorzettingsvermogen. Mijn eigen motivatie voor die brief van 12 februari 2007 aan de minister van Onderwijs enz. (zie Klachtenspel) voelt overigens allerminst verheven. Het is eerder wanhoop en ik zie geen alternatief. Ja, dan moet je wel doorzetten zolang het vermogen ertoe reikt: moed der wanhoop, hoogstens.
Niet dat deze manier van formele aanspraak ooit langs directe weg kan werken. Arnon Grunberg heeft stellig gelijk. Niemand beseft waarover je je beklaagt. Zelfs hoe langer de polemiek, des te kanslozer. In dit geval ervaar ik zelfs een tweeledig dilemma.
In de eerste plaats verklaart nu precies de instantie zichzelf immuun die in ons maatschappelijk bestel ervoor ingesteld is ... om dat probleembesef tot werkbare oplossing te begeleiden.
Nogmaals, wat is de eigenlijk de kern van mijn Klacht over ICTRegie? Stel dat een orkest een officiële vacature voor een altviolist(e) heeft. Neem verder even aan dat als eis voor deelname aan de auditie opgegeven staat, dat de kandidaat daar een nieuw werk voor altviool moet uitvoeren. Prima, mijn echtgenote is altvioliste. Maar daar komt het! Als zij zich terdege voorbereid voor de auditie meldt met haar originele compositie, weigert de betrokken orkestcommissie überhaupt ernaar te luisteren. Waarom? Zij krijgt te horen dat de commissie haar werk niet kent. Daar staat ze dan. Als dat inderdaad zo was gebeurd, bestaat grond voor een formele klacht. Wie behalve kennelijk zo’n aanstellingscommissie begrijpt dat niet?
De overheid heeft niet slechts het geweldmonopolie, maar primair het monopolie van laatste beroepsinstantie. Het 'doorzetten' van de uitkomst blijkt inderdaad niet altijd op basis van redelijkheid te gaan. (Het beginsel van) de geweldmacht van de overheid is daarom slechts afgeleid van wat wezenlijk is voor solidaire maatschappelijke dynamiek: een extra noodzakelijk kwaad.
Het tweede dilemma betreft nader de essentie van wat ik met metapatroon als vernieuwing propageer. Metapatroon, met de semiotische enneade als grondslag, omvat borgingspotentieel voor ruimere redelijkheid op de schaal van open interdependentie. Je zou dus kunnen zeggen, dat metapatroon dat gewelddadig opgelegd is ... nooit heus metapatroon kàn zijn, althans niet met infrastructureel bereik. Zodoende veroordeelt metapatroon tot redelijkheid, met hier veroordeling in de zin van een onherroepelijke koers. Nee, dat is allerminst een straf. Metapatroon biedt vrijheid voor en door interdependentie. Wat willen we voor een solidaire samenleving nog meer?! Ja, dat houdt meteen al op voor wie niets opheeft met solidariteit.
Ook met vermelding van "cultuurdragers" noem je m.i. een kernbegrip. Waarover wij allang corresponderen, Informatiekundige Groningendagen houden, enzovoort, is au fond een behoorlijk ingrijpende cultuurverandering. Je zou dan machtsdragers van een heersende cultuur kunnen definiëren als naar de aard van hun machtpositie veroordeeld (sic!) tot ònvermogen om het nieuwe cultuurbeeld te waarderen. Daarbij past onderdrukking van wie zij onmiddellijk op basis van enige afwijking oordelen dat het opstandelingen zijn. Dat is wat er overal praktisch gebeurt.
Maar als ikzelf daarvan de onvermijdelijkheid inzie, waarom waag ik me dan überhaupt aan de uitdaging? Onderdrukking kan lang duren, maar de werkelijkheid is altijd sterker dan de heerser.
Ik laat gemakshalve maar in het midden dat met een nieuwe cultuur een aangepaste heerschappij ontstaat. Goed, daarover toch kortweg dit, met ironie ondermijn ik mijn eigen kandidatuur. Ik besef dat ik daardoor mijn polemiek extra moeilijk verteerbaar maak, maar ik vind het per saldo de laagste prijs voor inconsistentie.
Ik ben ervan overtuigd dat onze samenleving hoogzwanger is van het cultuursprongetje dat we onder de noemer van stelselmatig informatieverkeer kunnen vatten. Welke vlinder het precies is, die het 'weer' gaat wijzigen, weet ik helemaal niet. Maar volgens mij loont het al de moeite om als, zeg maar, protovlinder ernaar op zoek te zijn.
Ik ben realistisch genoeg om, nota bene, ònze bemoeienis te positioneren in het stadium vóór ònomkeerbaarheid van het omslagproces. Al mijn geschrijf mag je daarom gerust ook als volgt opvatten. Met duurzamere tekens, eenvoudig verspreidbaar, probeer ik de kans op katalyse te vergroten. Ik vind dat het zin heeft en geeft om te mikken op opbouwende semiosis voorbij levende aanwezigheid.
Wanneer die ene vlinder ooit zijn beslissende vleugelslag maakt, haasten de machtsdragertjes zich naar hun aangepaste positie. Ineens hebben zij het zèlf bedacht, enzovoort. Ook dàt is wat er overal praktisch gebeurt. Dat vind ik allemaal best.
Hoewel ik natuurlijk het liefste meteen positieve ontwikkeling zie, biedt bijvoorbeeld de minister van OCW mij zelfs een aardige kans om tenminste wat constructieve verwarring te zaaien. Je weet immers niet wèlke beweging de ene vlinder wekt. Dat probeer ik door het niet te eenvoudig te maken mij néér te zetten als opstandeling, terrorist en ga zo maar door (terwijl ik dat natuurlijk wel degelijk bèn vanuit hun dogmatisme beschouwd :-). Dus, met zorg redeneer ik, ironiseer daarbij, maak geen dreigementen, nou ja, niet te openlijk, roep geen opperwezen aan, onderteken met academische titels. Dat werkt inderdaad in zoverre dat ik, het duurt wel even, antwoord krijg. Het is eigenlijk wel schattig om te zien, hoe serieus zo'n poging naar omstandigheden nog is. Als àfwijzing kan het echter niet ànders dan grof inconsistent zijn, althans volgens mijn paradigma. Zolang ik een reactie dáárop als aanleiding zinvol acht — nota bene, omdàt ik vooralsnog helaas geen alternatief zie — om tenminste via verwarring verdere vlindersignalen als oproep tot vernieuwd paradigma te zenden, zet ik daarmee door. Heel praktisch is het dus ook zo, dat ik prompt die hele minister van OCW en haar krakkemikkige ministerie met ergens ICTRegie en noem maar op rechts laat liggen zodra ik links een gunstiger perspectief herken. Het middel is natuurlijk het doel niet. Het probleem met heersend links is trouwens dat het altijd ook weer (on)behoorlijk rechts is ...
Ik ben er maar even voor gaan zitten om blijkbaar ook tegenover mijzelf te verklaren dat het nu eenmaal lastig is, maar daarom nog geen reden om niet zolang mogelijk vol te houden. Je ziet de wereld interdependent, of je ziet het niet.
Ongetwijfeld kan je dit bericht ooit als aantekening nalezen, met voor de zoveelste keer dank voor je inspiratie!

19.21
Mijn praktische probleem met acceptatie van metapatroon is dat inzicht van de tweede orde niet berust bij potentiële opdrachtgevers. Met die tweede orde bedoel ik besef dat a. méér van hetzelfde principieel niet langer werkt, integendeel en b. de nieuwe benadering met wezenlijk passende variëteit ook nogeens grote voordelen biedt (lagere kosten, hogere kwaliteit, beheersbaarheid enz.). Alleen al dat inzicht is inderdaad nog zeldzaam. Wanneer iemand daarover ergens in een organisatie al beschikt, durft hij er doorgaans nog niet mee de baas. Wie dat wèl doet, ontmoet als pionier de gebruikelijke hindernissen. Dat moet je liggen. Een opdracht is dan nog lang niet aan de orde.

19.22
Onze zakelijke posities liggen nogal uit elkaar. Zo draag ik niet het gemak van een sterk merk enzovoort waarvan jij dankzij jouw werkgever doorgaans profiteert. Natuurlijk, je zult er ook weleens nadeel van beleven. Inderdaad, voor mijn vernieuwende en aldus merkmarginale positie koos ikzelf. Hier bedoel ik praktisch dat ik bijgevolg met zomaar een verkooppoging van buitenaf geen opening gegund krijg. Daarvoor is metapatroon nu eenmaal, zeg maar, te paradigmatisch. Als vernieuwing is het per definitie nog geen zgn proven technology. Je moet er in dit pioniersstadium dus over willen nadenken, wat nogal een straffe eis is aan een potentiële opdrachtgever. Aan zomaar je afstandelijke verwijzing heb ik dus niets. Als het al zo simpel was, had ikzelf allang een lijstje afgewerkt. Mocht jij daar inderdaad goede relaties hebben en menen dat zij een vraagstuk/kans hebben waarvoor ze metapatroon dringend nodig hebben, laat ze mij vooral bellen of schrijven. Als dat gebeurt, bestaat kennelijk belangstelling. Omgekeerd, zonder belangstelling gebeurt er niets.

19.23
Met zulke bedrijfswinst kan je inderdaad structurele problemen met stelselmatige informatievoorziening voor een tijdje blijven ontkennen. Bij de overheid lukt dat door kritiekloze toekenning van budget.

19.24
Wat ik niet begrijp is hoe je in de wetenschap van zekere mislukking toch kunt doorgaan op de verkeerde weg. Natuurlijk heeft iedereen het steeds drukker met wat eerst in het honderd loopt, vervolgens in het duizend en ga zo maar door. Als dat zo duidelijk is, waarom houd je er niet mee op?

19.25
Ik voel me zoals wellicht een hartchirurg zou doen in de volgende situatie. Stel dat allerlei kundige tandartsen, nota bene, als tàndarts, met hun tandheelkundige vakkennis & -spullen ook open hartoperaties gaan verrichten. Kijk, die patiënt hebben ze al in hun stoel liggen. Dat blijken telkens langdurige, moeizame operaties. De vaste uitkomst is dat de patiënt tijdens de operatie sterft.
De kundige hartchirurg, nota bene, als hàrtchirurg, weet daarentegen prima hoe het wèl moet. Hij probeert verdere beunhazerij met evident noodlottig gevolg te vermijden. Zo probeert hij de tandartsen die hart en vaten met boor en vulling aanpakken voor te lichten dat het een ànder vak betreft. Fijn dat ze er zoveel belangstelling voor hebben, dat is het niet, maar doe het alsjeblieft goed! Hij biedt tevens aan een deugdelijke hartoperatie ter bewijsvoering vóór te doen. Naar die voorlichting wil echter geen enkele tandarts luisteren, zijn aanbod voor een operatieve demonstratie slaan ze geërgerd af. Precies, de tandartsen menen dat ze daarvoor helemaal geen tijd hebben vanwege hun … operaties. Intussen blijven de tandartsen zich wel uitgerekend bij de hartchirurg beklagen dat ze het zo druk hebben en dat hun patiënten allemaal doodgaan. Van dat gezeur over wat vanuit zijn optiek professioneel ònverantwoordelijk gedrag is, wordt ook de hartchirurg ziek.
Zo weet ikzelf het ook niet meer. De huidige lichting informatiekundigen is domweg niet toegerust voor opgaven op stelselmatige schaal. Erger nog, de volgende lichting is dat geheid evenmin. In termen van de vergelijking, de enige opleiding voor hartchirurg is nog onverminderd die voor tandarts.

19.26
Luther? Daaraan heb ik voor die opsomming van stappen niet gedacht. Maar je hebt gelijk, het betreft een reformatie in informatiemanagement.
Ken jij iemand die welwillend staat tegenover zo'n fundamentele heroriëntatie? Jijzelf, soms? Mijn ervaring is dat niemand zich eigenlijk al wenst te verdiepen (zoals Kuhn ook veronderstelt; wat buiten het eigen paradigma ligt, bestaat niet of nauwelijks) in zelfs maar de mogelijkheid/noodzaak van een rijker paradigma voor een open informatiestelsel.

19.27
Wanneer iets praktisch onmogelijk valt te veranderen, vind ik het altijd nog mijzelf wat helpen om te begrijpen waarom dat zo is. Verder ben ik strijdvaardig genoeg om te waarderen, dat met zulk inzicht tenminste gauw duidelijk is wanneer zich tòch opnieuw een kans voordoet voor een volgende poging.
Van de hopeloosheid van zo'n aanspraak ben ik mij op voorhand bewust. Desondanks ..., nou ja, omdat er praktisch nooit iets zinvols uit kan komen, heb ik inderdaad het hele spulletje maar in ironie gedrenkt. Vind ikzelf in literair opzicht best een aardige oefening. Iemand anders moet maar beoordelen of ik dat genre een beetje beheers, maar zolang ik de halte van het cynisme nog niet bereikt heb, probeer ik het maar zo. Ik weet dus ook dat de zichtbaar geadresseerde, resp. haar ambtenaren dat helemaal niet kan/kunnen plaatsen. De paradigma's zijn onverenigbaar, punt. Het is nu de kunst (zie ook verderop over kunst) daarvan iets te maken.

Kort geformuleerd beschouw ik overheid als instrumentatie voor maatschappelijke solidariteit. Ik heb dus primair iets met die solidariteit.
Ja, die wezenloos lange laatste brief aan de minister van OCW heb ik inderdaad gepost. Die haalt daar niets uit, maar niets doen had ik mijzelf kwalijk genomen. Schriftelijke uitwerking helpt mij voorts bij analyse. Hoe vind ik dat het zit waarover ik me opwind? Daarin kan ik me inderdaad vergissen. Mocht dat zo zijn, is dat dankzij documentatie beter aanwijsbaar en daardoor te verbeteren.
Wat ik tzt nog wel een humorvolle actie zou vinden is om aan de nieuwe minister van EZ (politiek co-verantwoordelijk voor ICTRegie) een briefje te sturen dat ik via de minister van OCW in het vorige kabinet niets bereikte. Ach, waar doe ik dat voor?
Je ziet aan Grunbergs werk mooi wat er gebeurt wanneer polemiek simpelweg niet ontvankelijk verklaard wordt. Dat wordt kunst. Het ziet er weliswaar nog uit als polemiek, maar dat is het niet langer omdat je feitelijk geen partij mag zijn. Een nar met frustratie is narrig. Daaraan ontsnapt Grunberg doordat hij genoeg met zijn kunst verdient, wat weer knap is. Zover ga ik nooit komen, maar wat marginale positie betreft zie ik geen wezenlijk verschil.
Op mijn tweede brief aan Financiën [zie aantekening 18.65] ontving ik zojuist antwoord, wederom namens de minister door DG Belastingdienst (maar daar stellig opgesteld door mijn kennis, de medewerker van de afdeling Innovatie). Opnieuw zelfs vriendelijk van toon. Zo staat er: "Ik snap uw gedrevenheid maar vind het toch jammer dat U geen enkel vertrouwen in de door mij gekozen aanpak kunt hebben. Dit temeer omdat er voor dit soort verbeteringen meestal niet één maar vaak meerdere oplossingen mogelijk zijn in het hele scala van voorzichtig en bewezen werkend tot zeer innovatief en risicovol." Tenslotte staat er dat zij haar "huidige voorzichtige aanpak daarom niet wil inruilen voor de risico's die de rol van een launching customer met zich mee brengt."
Inderdaad, onverenigbare perspectieven. Mijn redenering is juist dat de huidige aanpak risicovol is, omdat die ... nooit kan werken gelet op de semantische variëteit op wat inmiddels operationele schaal van informatievoorziening is. Of je wilt of niet, er is geen andere keuze dan vernieuwing. De grootste, nee, de enige zekerheid ligt in de benadering met zgn passende variëteit. Als je daarvoor onverhoopt launching customer moet zijn, moet je dat als àfgeleid risico maar voor lief nemen. Zo stelde ik dat ook voor. Zij draait dat helemaal om en verklaart vernieuwing tot primair risico, zonder acht te slaan op de ònmogelijkheid om het informatievraagstuk op huidige, laat staan toekomstige schaal opgelost te krijgen met die "huidige voorzichtige aanpak." Over mijn waarschuwing stapt zij, nou ja, die medewerker dan, domweg heen.
In elk geval wekt de Belastingdienst tenminste nog de schijn van het uitwisselen van argumenten. Dat stadium lijkt bij OCW onbereikbaar.

19.28
De les luidt dat het de volgende keer anders moet, wat overigens blijkbaar inhoudt dat het überhaupt niet kan.

19.29
Als het niet klein begint, groeit het tot niets. Dit is dus een prima begin.

19.30
Hun verhaal verduidelijkt voor de goede verstaander (lees: voor iemand met het paradigma met passende variëteit) dat de oplossing op die manier onbereikbaar blijft. Ze zoeken ernaar waar ze het probleem gewaar geworden zijn. Dat is bij de verwerkingsprogrammatuur. Daar heerst weliswaar inderdaad chaos, maar voor orde op de nieuwe schaal van stelselmatigheid moet je daar nu net niet beginnen. Daarvoor moet je wèl zijn bij stelselmatige betekenisordening, waardoor (ook) verwerkingsprogrammatuur (wederom) netjes verspreid zijn plaats krijgt. Voilá. Dat is natuurlijk wel een lastig verhaal aan iemand die, wie weet, met ziel en zaligheid werkt volgens een ander paradigma. Tien voor inzet, dat is het dus niet. Zo lastig is vernieuwing nu eenmaal. Dat krijgen we heus niet eenvoudiger door feitelijk op het oude paradigma terug te vallen want dan zijn we terug bij de oorzaak van het probleem.

19.31
Ja, mooi woordenboek! Fijn dat je het zo goed kunt gebruiken. Hoewel het een editie is uit 1974 (herdruk 1979), lijkt me dat voor theologie modern genoeg. En houd je nu even vast. Ik betaalde er gisteren op de boekenmarkt op het Plein pèr deel ... vijftig eurocent voor. “Ja,” zei de standhouder, “dat is niet veel, maar toen ik ze voor twee-vijftig probeerde te verkopen, lukte het niet.”

19.32
De redenering is inderdaad bizar. Maar ja, als je er geen verstand van hebt, leidt angst weleens tot precies de verkeerde keuze.

19.33
Wanneer hij ons direct doorverwijst naar zijn 'specialisten,' is het meteen al bijna onmogelijk ze te verleiden om eens een ander perspectief zelfs maar te overwegen.

19.34
Zo eenvoudig [zoals gesteld in aantekening 19.30] kan ik het ook zien, omdat ik niet bekneld zit in een economische structuur die meent te 'leven' van het achterhaalde paradigma. Als buitenstaander van die economie dreigt voor mij voorlopig slechts faillissement, dat is het dan. Aan de andere kant, zonder vernieuwer komt er helemaal nooit iets van vernieuwing.
De crux van mijn reactie is natuurlijk dat de meeste informatici bezig zijn met symptoombestrijding. In medische termen, de diagnostiek heeft geen gelijke tred gehouden met de gegroeide gezondheidsrisico's.

inleidende opmerking voor volgende tekstpassage:
Zie ook 18.62 en 18.65.

19.35
Hierbij bevestig ik ontvangst van de brief van 14 februari 2007 met uw kenmerk DGB 2007-00559 die de directeur-generaal Belastingdienst mij namens u stuurde.
De directeur-generaal “vind[t] het jammer dat [ik] geen enkel vertrouwen in de door [haar] gekozen aanpak k[an] hebben.” Wanneer zij het zo stelt, bevond mijn vertrouwen zich volgens haar reeds op het dieptepunt. Inderdaad herken ik in wat zij mij nader schreef helaas slechts bevestiging van heersende informatiekundige verwarring. Zij is er zeker niet in geslaagd mijn vertrouwen ook maar het minste op te krikken. Dat vind ik op mijn beurt niet zomaar jammer, maar onverminderd uiterst verontrustend.
Nee, ik reageer ditmaal niet met de bedoeling van voortzetting van correspondentie. Mijn initiatief vind ik na twee directe pogingen aan uw adres voldoende gefrustreerd. Dit neemt natuurlijk niet weg dat uzèlf, de directeur-generaal en haar medewerkers met vragen natuurlijk altijd welkom zijn. Ik veronderstel dat het besef ooit doorbreekt, dat het principieel ànders moet. Waarschijnlijk gebeurt dat overigens pas bij opvolgers van de huidige functionarissen, maar hun vervanging komt wellicht spoedig genoeg gelet op berichtgeving in ondermeer de Volkskrant van 16 februari jl. Voor uzelf is het inderdaad nog maar een kwestie van dagen. Mij maakt het niets uit, als er eindelijk maar iets opbouwends gebeurt.
Ik heb wel de behoefte om gedocumenteerd alvast kort te weerleggen wat ik ervaar als onzindelijke of, omdat ik het hier graag vriendelijk opmerk, amateuristische redenering door de directeur-generaal en haar betrokken medewerkers. In eerste aanleg ontvangt u dit als brief, terwijl ik dezelfde tekst later als aantekening (onder nummer 19.35; voor mijn eerdere twee brieven aan u, zie nummer 18.62, respectievelijk 18.65) publiceer op mijn website www.wisse.cc. Voor de publieke zaak acht ik openbaarheid noodzakelijk over het informatieprobleem van maatschappelijke omvang dat de Belastingdienst veroorzaakt.
De directeur-generaal suggereert een tegenstelling tussen enerzijds “voorzichtig en bewezen werkend,” anderzijds “zeer innovatief en risicovol.” Voor de complexe opgave van verbetering van de informatievoorziening bij de Belastingdienst deugt zo’n volkswijsheid — in uw eigen termen zou u het een tegeltjeswijsheid kunnen noemen — echter niet. De voorzichtige manier volgens de Belastingdienst heeft immers genoegzaam bewezen juist nièt te werken. Niet dat u mij nodig heeft om u daarop te wijzen. Mijn vakmatige bijdrage is om u bovendien de informatiekundige oplossing met passende variëteit voor te stellen.
Het is dus de voorzichtige aanpak met wat bewezen nièt-werkt die voor de nieuwe opgave niet eens risicovol is, maar zelfs faliekant desastreus uitpakt. U kunt dat vergelijken met een patiënt waar overgeleverde behandelingswijzen niet aanslaan. Kortom, de prognose is zachtjes uitgedrukt òngunstig. Er blijkt echter een nieuwe behandeling mogelijk, uitgewerkt volgens een nieuwe theorie, waarmee de prognose aantóónbaar gunstig is. De retorische vraag: Welke aanpak kent nu wèrkelijk risico?
Soms is vernieuwing de voorzichtigste aanpak die er reëel is. De medewerkers van de Belastingdienst waarmee ik sprak over metapatroon als een nieuw of, zo u wilt, uitgebreid paradigma voor stelselmatige betekenisordening, heb ik nadrukkelijk erop gewezen dat juist eenduidig beheersbare semantische variëteit de mogelijkheid inhoudt van geleidelijkheid van veranderingsproces. Voorzover de directeur-generaal met “voorzichtig” dus vooral beheersbaar, geleidelijk en dergelijke bedoelt, bestrijdt het nieuwe paradigma zelfs expliciet de risico’s waarvan ik het volkomen, herhaal, vòlkomen met de directeur-generaal eens bent dat ze minimaal gehouden moeten zijn.
Nu begrijp ik, en ook dat schreef ik u al eerder, dat argumenten voor en rondom een nieuw paradigma domweg moeilijk beklijven bij wie nog volgens het oude paradigma luistert. Anders zou het geen paradigma heten, nietwaar? Dáárom bood ik aan een proefopstelling te realiseren. Want als je het ziet wèrken, ook al kan je het aanvankelijk niet volgen hoé, volgt acceptatie van een gewijzigde manier van denken stellig eenvoudiger. Zo professioneel nieuwsgierig zijn die medewerkers echter niet en uit uw naam steunt de directeur-generaal ze. Nou ja, diezelfde medewerkers schrijven feitelijk die brieven aan mij, zodat er praktisch gezien geen opening bestaat tot hun gesloten opstelling. Ik erken dat het mij via u ook niet gelukt is (want u … bent u niet, maar in wèrkelijkheid ergens altijd maar weer een ambtenaar en meestal dezelfde ambtenaar die het om te beginnen nog niet begrijpt; als dat ècht onvermijdelijk is als praktische behandelprocedure van een signaal van buiten, ziet het er somber uit).
De directeur-generaal schrijft me dat zij haar “huidige voorzichtige aanpak […] niet wil inruilen voor de risico’s die de rol van een launching customer met zich mee brengt.” Nogmaals, zij beseft door haar verwarring totaal niet juist risico’s òp te roepen met haar vermeende voorzichtigheid. Volgens vakkundige diagnostiek kan de Belastingdienst het zich daarentegen niet eens veroorloven om géén launching customer of op z’n minst zgn early adaptor te zijn voor nieuwe theorie (lees dus ook: paradigma) voor stelselmatige informatievoorziening, punt.
Dit brengt me op wat ik graag opvat als een compliment, te weten het begrip van de directeur-generaal voor wat zij mijn “gedrevenheid” noemt. Haar hoffelijke manier van corresponderen stel ik beslist op prijs. Precies hetzelfde compliment kan ik haar maken, wat ik hierbij graag doe. Zij en namens haar uiteraard één of meer van haar medewerkers tonen zich bij geschrifte minstens zo gedreven. Waarin zij zich echter vastgebeten hebben, is een veranderkoers die naar mijn professionele en wetenschappelijke overtuiging tot informatiekundig schipbreuk leidt. Voor een wetenschappelijke analyse van contraproductieve vasthoudendheid verwijs ik u naar het boek Groupthink: Psychological Studies of Policy Decisions and Fiascoes door Irving L. Janis. Een aanrader! In dit verband noem ik nog even dat artikel in de Volkskrant van 16 februari jl. Zoals uw benadering daar geschetst staat, neemt u met hoogstens symptoombestrijding eveneens de zekerste weg naar een fiasco.
Mocht de directeur-generaal nòg een compliment wensen, dan luidt het dus dat ik haar een zekere moed niet ontzeg doordat zij vasthoudt aan een aanpak die tot mislukking gedoemd is. Maar verstandig van haar vind ik dat natuurlijk niet en overigens evenmin van uzèlf als verantwoordelijk minister.
Een verraderlijk vaag standpunt vertegenwoordigt de directeur-generaal tevens door te verkondigen dat “er voor dit soort verbeteringen meestal niet één maar vaak meerdere oplossingen mogelijk zijn.” Waarom ik dat verraderlijk acht? Omdat zo’n platitude de noodzaak tot verantwoord beslissen èn handelen versluiert. Ja, zij heeft zeker gelijk dat er vaak alternatieve oplossingen zijn. Wat zij vergeet is het, zeg maar, oplossingskader ofwel paradigma. De Belastingdienst moet van haar oude paradigma voor informatievoorziening àf en zo spoedig mogelijk een nieuw paradigma adopteren. Hoe langer die noodzaak ontkend blijft, des te groter de wanorde in informatievoorziening. Inderdaad, ook ‘binnen’ dat nieuwe paradigma zijn er ongetwijfeld weer allerlei alternatieve, concrete oplossingen.
Wat de directeur-generaal niet valt te verwijten, is dat zij de noodzaak van een informatiekundige paradigmasprong niet inziet, laat staan dat zij gedetailleerd het nieuwe paradigma op waarde kan schatten. Nota bene, dat doet zij evenals politici, bestuurders en andere hogere ambtenaren met het oude informatiekundige paradigma echter evenmin, dat naar waarde schatten. Maar omdat zoals-het-nu-eenmaal-gaat inmiddels alweer zo impliciet heerst, lijkt het alsof niemand voor handhaving ervan — wat uiteraard netzogoed een beslissing is! — verantwoordelijk is. Dat zie ik dankzij mijn overzicht over zowel oud, als nieuw informatiekundig paradigma dus anders.
Dat overzicht brengt voor mij, meen ik althans, professionele verantwoordelijkheid met zich. Als uw directeur-generaal dat gedrevenheid wenst te noemen, prima, maar voor mij telt ‘gewoon’ beroepsethiek waardoor ik u èn haar èn haar medewerkers zo dringend waarschuw. Ik wijs u erop dat mijn waarschuwing niet zomaar een wild signaal is, maar stoelt op formele semantische theorie. Maar goed, daar houd ik direct aan uw adres dus mee op. Blijkbaar wilt u met steeds meer ballen jongleren zònder de wet van de zwaartekracht serieus te nemen.
Ik stel dan wel vast dat u nota bene als minister van Financiën ondanks herhaalde waarschuwing geld blijft verspillen aan een ònwerkbare oplossing van informatievoorziening met bijvoorbeeld als gevolg dat ik nodeloos extra belasting betaal. En het bezwaar dat ik maakte tegen de uitspraak van de directeur-generaal (20 januari jl. in NRC Handelsblad) over de ònmogelijkheid tot verdere veranderingen op redelijke termijn bij de Belastingdienst en aldus in het maatschappelijk verkeer, liet u tot op heden ònbeantwoord. Laat ook maar zitten, want blijkbaar wenst u daarop niet aangesproken te worden, althans niet door mij. Moet ik mijn eigen conclusie maar trekken, bijvoorbeeld dat de directeur-generaal met uw instemming een schot voor de kabinetsformatieboeg gaf? Een boot die uw politieke partij miste? Het blijft merkwaardig.
Voorts stel ik hier tevens vast dat u geen reactie gaf op mijn suggestie dat het werkklimaat bij de Belastingdienst restrictief is. Op mijn vraag waarom de Belastingdienst nog een afdeling Innovatie heeft, kreeg ik ook geen antwoord. Eveneens bent u niet ingegaan op het verband dat ik voor mijn informatiekundige methode & techniek legde met het kabinetsbeleid voor innovatie.[17 februari 2007, brief aan de minister van Financiën]

19.36
Met die logistieke insteek bedoel ik, dat contextuele verbijzondering à la metapatroon van informatiebeheer uitgesproken een verdelingsvraagstuk maakt.

19.37
Aan mobiel werken zit van alles vast.

19.38
Voor diverse van die zgn structuurelementen bij Sap geldt dat ze teveel functionaliteit tegelijk moeten faciliteren. Daarin herken ik de aanpak van wat als de handige programmeur bekend staat, maar die dat natuurlijk niet is vanwege obstakels zodra de informatiebehoeften wat ingewikkelder worden. Dat leidt tot nodeloos complexe bovenbouw en nog altijd tekort schietende voorzieningen, omdat het fundament eenvoudig niet rijk genoeg is.
Overigens vermoed ik dat ze daar helemaal niets gaan doen met de mogelijkheden waarvoor die elementen überhaupt gemaakt zijn. Ze zitten dus met een beperking opgescheept die veroorzaakt is door overbodige functionaliteit.
Waarom ze dat pakket kozen? Blijkbaar moeten ze ermee door. Totdat het mislukt? Om dergelijke beperkingen aanvaard te krijgen, lijkt het me verstandig om hun oorzaken precies te kunnen verklaren. Zodra tenminste duidelijk is dat er inderdaad geen alternatief bestaat, zijn juist Nederlanders vaak weer verstandig genoeg om er (verder) geen punt van te maken. Kijk naar de euro.
Ikzelf zou er overigens onmiddellijk mee ophouden. De crux is gewoon uitsplitsing naar relevant eenduidig gedrag. Ik haalde er wat van mijn oude referentiemodellen bij en daarop vond ik zowaar formatiehouder al verbijzonderd. Het idee is dan om formatiehouder en ook budgethouder naast werkgever (die weer naast, zeg maar, organisatie-in-het-algemeen staat) te positioneren. Dankzij zulke nevenschikking past vervolgens elke denkbare combinatie, bijvoorbeeld iemand die een dienstverband heeft bij werkgever a, vandaaruit een formatieplaats bezet onder beheer van b met financiële belasting van het budget van c, of juist weer van a, zeg het maar (en ondermeer dat budget kan trouwens bijgehouden zijn in het grootboek onder beheer van d). Wie nog rijker wenst te combineren, moet dienovereenkomstig extra gedragsvarianten toevoegen. Zeg ook maar verdere contextuele verbijzondering. Voilá.

19.39
Mijn empirische onderzoek loopt. Ik kijk naar de bochten waarin allerlei ambtenaren zich wringen om vooral maar niets opbouwends te snappen, laat staan dat ze er iets aan willen gaan doen. Vandaag werd als Digitale bloeiperiode de zoveelste uitdrukking van mijn frustratie als opiniebijdrage gepubliceerd 'op' de digitale versie van het tijdschrift Digitaal Bestuur.

19.40
Zeer interessant, want informatiebeveiliging is inderdaad een kernthema zodra we informatieverkeer opschalen tot maatschappelijk, nota bene internationaal bereik. Dat laatste is dan vooral weer mijn thema, waarvoor ik met het etiket Metapatroon een formele modelleermethode ontwierp. Het klinkt even wat ingewikkeld, maar dankzij recursieve verbijzondering van context en tijd houd je, herstel, houden we stelselmatige betekenisordening eenduidig ongeacht de schaal van het verkeersstelsel voor informatieve interacties. Als je me veroorlooft nog even door te draven, slechts op zo'n semantische basis krijg je uiteindelijk informatiebeveiliging met nodige en voldoende precisie geregeld in de informatiemaatschappij. In Digitale bloeiperiode zeg ik feitelijk dat niemand die er feitelijk verantwoordelijkheid voor draagt, daar ook nog maar een jota van begrijpt.

19.41
Wat jouw actie gericht op parlementsleden betreft, eerlijk gezegd heb ik geen idee voor enig vervolg. Jouw insteek is nog primair dat je een redelijke hoop koestert dat je langs die weg opbouwend resultaat kunt bereiken. Daarin geloof ik niet.
Mijn eigen idee is dat van wanhoop om zo iets solidairs te bereiken. Daarom stuurde ik dus onlangs aan ministers een brief, een vervolgbrief enzovoort. Ik weet ook wel dat die mensen zulke brieven nooit te zien krijgen, maar dat ze beantwoord worden, als het ooit gebeurt, door een junior ambtenaar ergens van een afdeling.
Op die manier schep ik, zeg ook maar, conceptuele kunst. Want het blijk toch steeds verrassend, zo'n reactie. Dat komt, die verrassing, omdat ik netzoals jij blijkbaar ondanks allerlei ervaring van het tegendeel nog hang aan een rationele verwachting. Het kunstzinnige eraan is dat ik enerzijds wel degelijk begrijp dat mijn vorm van rationaliteit daar niet werkt, maar dat de botte afwijzing en zelfs ontkenning ervan mij toch (nog) steeds raakt.
Dat ik het kunst noem is natuurlijk onzin.
Op diezelfde manier kan je correspondentie met leden van de Tweede Kamer beschouwen als hulpmiddel voor groeiend inzicht in jezelf. Wat motiveert je om ze zo'n bericht te schrijven? Wat verwacht je er redelijk van? Waar hoop je ijdel op?
Wanneer je meent dat jij jezelf door gemanipuleerde tegenslag beter leert kennen, ga er vooral mee door.
Blijf ook actie voeren, als dat tot een neerslag leidt waarvan mensen later een realistisch beeld van onze cultuur kunnen opdoen.
Houd er anders mee op.
Voor mij tellen die twee argumenten, zelfkennis en documentatie.
En gelukkig weiger ik pessimist te zijn.

19.42
Nog over het zgn coalitieakkoord, via de zoekfunctie op de elektronische versie heb je een aardig spelletje. De opgave is om een term te verzinnen, waarna je schat hoe vaak die term (op zichzelf, of in een betekenisverwante samenstelling) in de tekst voorkomt. Vervolgens loop je de verschijningsvormen met de zoekfunctie (Ctrl+f) even na. De vermeldingen in de inhoudsopgave en eventuele tabellen tellen mee. Ter voorbereiding van het schrijven van dat opiniestukje voor Digitaal Bestuur 'viste' ik op die manier in het coalitieakkoord (tevens eenvoudig beschikbaar via een zoekmachine).
Onderstaand vermeld ik steeds een term, met daarachter tussen haakjes het bijbehorend aantal getelde voorkomens — heel nauwkeurig deed ik dat tellen overigens niet — in die tekst: informatie (1), techniek (1), technologie (4), communicatie (1), vernieuwing (6), innovatie (38), beveiliging (0), veiligheid (41), vrijheid (7), recht (36), plicht (16), burger (52), overheid (61), mens (65), dier (17), ict (3), elektronisch (0), terreur (1), terrorisme (7), kwaliteit (34), zorg (83) en onzin (0). Interessant?
Het gaat even om het idee. Oeps, daar schrijf ik zowat: idee (0).
Ik ben uiteraard benieuwd naar welke woorden jij ... benieuwd bent.
PS
Het is bijna netzo verslavend als contragrammen: godsdienst (1), religie (1), … Die aantallen had ik dan weer niet zo laag verwacht.

19.43
Nee, ik hanteer opzettelijk geen non-disclosure agreement. Daarentegen publiceerde ik, en dat doe ik nog steeds, over de beginselen. Metapatroon betreft niet een enkel hulpmiddeltje, maar een nieuw paradigma voor informatieverkeer. Zo'n vernieuwing vergt in dit vroegste stadium primair algemene voorlichting. Zo verschijnt binnenkort een zoveelste opstel, ditmaal getiteld Ontology for interdependency.
Maar, inderdaad, we hebben met KnitbITs bijbehorend reuze praktisch gereedschap beschikbaar. Wie die uitvoerig gedocumenteerde beginselen van metapatroon meent te begrijpen, kan eigen programmatuur ontwikkelen. Dat houd ik natuurlijk met zo'n overeenkomst ook niet tegen (als ik dat al zou willen proberen, maar dat vind ik dus verspilling van moeite). Ik wens iedereen die aan een eigen versie begint overigens alle sterkte. Wij hebben een voorsprong (en ik besteed bij voorkeur tijd, geld en energie om die te behouden; dat motiveert tenminste positief). Verder is de opzet van onze programmatuur KnitbITs goed beschermd zolang ik gesprekspartner ben, want die ken ik niet. :-) Ik ben van de 'afdeling' visie en conceptuele hoofdlijn, terwijl Martijn Houtman de ontwikkeling verzorgt. Daardoor kan ik weer extra letten op vertrouwen als voorwaarde voor samenwerking. Als ik daaraan twijfel, gaan we gewoon een deur verder.

19.44
Overigens moet ik zeggen dat die auteur reuze zijn best doet. Maar het blijft zo dat hij met zijn verhaal nergens vandaan komt en nergens naartoe gaat. Bijna aandoenlijk dat hij Ogden (en Richards) erbij haalt voor de semiotische triade. Nu moet je weten dat die Ogden eerder de privé-secretaris was van Lady Victoria Welby ... die correspondeerde met Charles Peirce. Zo was Ogden op de driehoek gekomen! Eerlijk is eerlijk, in hun boek The meaning of meaning wijden Ogden en Richards een aanhangsel aan Peirce (met materiaal dat Ogden 'overgeschreven' had uit Peirce's brieven aan Welby). Wat ik echter ronduit schokkend vind, is dat zij Welby compleet onvermeld laten. Maar ja, zij was 'maar' een vrouw, dus wie dacht er überhaupt aan om haar serieus te nemen. Nota bene, dertig à twintig jaren eerder schreef Welby artikelen en boeken met titels zoals What is meaning? Ken je mijn lofschrift over Welby? Zie Victoria Welby's significs meets the semiotic ennead. Zij wist donders goed dat zij helemaal als vrouw kansloos was met nieuwe ideeën en probeerde daarom alsmaar vooraanstaande mannen voor haar zaak te interesseren. Wat hielp was dat zij financieel onafhankelijk was met een hoge adellijke titel. Zo probeerde zij ook de Nederlander Frederik van Eeden haar ideeën te laten uitdragen. Hij begreep haar evenmin goed, maar na haar overlijden kwam er toch zowaar de Signifische Kring met verder Gerrit Mannoury (waar ik ook een fan van ben, zie Mannoury's significs, or a philosophy of communal individualism). Peirce las trouwens evenmin goed wat Welby hem schreef; hij probeerde haar vooral zijn existentiële grafen — waarmee metapatroon inderdaad enige verwantschap kent, voorzover ik die grafentheorie tenminste begrijp — uit te leggen. Sorry, ik dwaal af. Nou ja, zo bestoken mensen elkaar met verzoeken tot inschikkelijkheid (requests for compliance).

19.45
Voor soorten van semantiek maak ik een grove indeling naar sekte, gemeenschap (lees ook: domein), respectievelijk open samenleving. Je snapt het al, dat laatste moet maatgevend zijn terwijl de meeste mensen echter het liefst sektarisch betekenis hanteren.

19.46
Wie Information Dynamics met KnitbITs slechts serieus neemt wanneer wij daarover een non-disclosure agreement getekend willen hebben, neemt ons dus niet ... werkelijk serieus. Nogmaals, het gaat primair om een infrastructurele visie. Die is van een andere orde, maar je kunt er naar mijn overtuiging wel als vroege toepasser met laagdrempelige toegang tot relevante klanten (waaraan het ons dus ontbreekt) een nieuwe markt mee helpen maken en navenant aan (blijven) verdienen. Maar zulke bedrijven met gevestigde klantcontacten zijn weer bang dat vernieuwing afschrikt. Zo gebeurt er niets.

19.47
Eerlijk gezegd was ik dat artikel alweer vergeten. Ik zoek in zo'n tekst meteen naar de aannames en weet het dan helaas al. Op die manier werkt het averechts vanwege het zowel beperkte als beperkende perspectief. Natuurlijk heb ik onmiddellijk de behoefte om te reageren, maar meestal weet ik mijzelf van de zinloosheid daarvan te overtuigen. Het komt trouwens ook voor dat ik de poging weliswaar als zinloos ervaar, maar toch reageer omdat ik vind dat je nooit weet waarvoor het ooit goed is (zoals met mijn brieven aan de minister van Financiën over de informatievoorziening van de Belastingdienst; die staan als aantekeningen 18.62, 18.65 en 19.35 algemeen beschikbaar).

19.48
Een seminar, workshop enzovoort mag best een beetje rommelig verlopen. Met geregisseerde rommeligheid heb ik althans goede ervaring. Daardoor raken deelnemers extra betrokken, want ze gaan helpen om te compenseren wat zij als stunteligheid beleven. Het is echter lastig, zo niet onmogelijk voor wie geen beroepsacteur is, om gespeeld stuntelig te zijn. Noodzakelijke regie moet daarom ruimte voor improvisatie verzekeren. Zo is het pas ècht. Dus, als de basis maar klopt, gaat het verder goed. En als basis telt volgens mij een intrigerend klinkend programma (zodat je überhaupt publiek krijgt), een zitplaats, iets te drinken, op tijd een pauze om te plassen en vooral vroeg genoeg weer ophouden.

19.49
Zolang het zo'n apart informatiesysteem is, schiet je met metapatroon niets op. Want binnen die beperkte grens zijn betekenissen doorgaans enkelvoudig genoeg. Pas wanneer zo'n traditioneel geïsoleerde applicatie voortaan moet meedraaien in een omvattend informatiestelsel, verkrijg je via contextuele verbijzondering toch de noodzakelijke eenduidigheid van gedragsmodellering. Dàt is de onontkoombare paradigmawissel op ‘weg’ naar infrastructuur voor informatieverkeer.

19.50
Allerlei beslissingen zijn mede gebaseerd op informatie van buiten het 'eigen' terrein. Tegelijk zijn allerlei begrippen echter nog gebruikt als ware dat terrein gesloten ipv noodzakelijkerwijs open. Stelselmatige informatievoorziening vergt dus wat modelmatige aanpassingen.

19.51
Functie verschijnt daar impliciet in meerdere betekenissen. Nu vind juist ik dat helemaal niet erg, dergelijke meervoudigheid. Dankzij expliciete contexten valt steeds eenduidigheid van betekenis te vestigen. Maar om dat precies te doen, moet verduidelijkt zijn om wèlke functiebegrippen het daadwerkelijk gaat. Soms lijkt functie synoniem verondersteld met aanstelling, elders met formatieplaats, nog weer ergens anders met een element volgens een taakclassificatie ... Als dat netjes uitgesplitst staat, zijn tenminste eenduidige aanknopingspunten beschikbaar voor evident noodzakelijke verdere verbijzonderingen.

19.52
Daar zou ik nooit iets opschieten met demonstratie van aanhoudend begrip. Soms moet je het risico nemen, besloot ik, om te doen dat je iets maar eens niet begrijpt. Dat heeft ook wel aardig gewerkt, want ik kreeg zowat per omgaande steeds antwoord. Wat de onmiddellijke inhoud daarvan betreft, ik had niets anders verwacht dan zo'n afwijzende houding. De grond wat loswoelen om later eventueel te zaaien leek mij verstandig genoeg. Kortom, ik nam ook bewust het risico dat ze juist prikkeldraad om het veld gaan zetten om mij buiten te sluiten. Zolang er geen draad om mijzelf staat ...

19.53
Je kunt hoog of laag springen, uiteindelijk moet het consequent rondom de persoon in kwestie geregeld zijn, dus niet vanuit allerlei aparte werkgevers, respectievelijk instellingen voor inkomensherverdeling.

19.54
De reden dat ik zo mik — toegegeven, hopeloos vanuit mijn positie zolang die marginaal opgevat blijft — op de Belastingdienst, is dat ik er in Nederlandse verhoudingen hoe dan ook de enige katalysator in herken voor de doorbraak naar infrastructuur voor informatieverkeer op maatschappelijke schaal. Dat bedoel ik als welgemeend compliment aan het adres van de Dienst. Als ergens een sleeptouw voor de rest vastgemaakt kan worden, is het daar.

19.55
De concepttekst voor de regeling begint meer vragen op te roepen, dan dat ik er op voorhand sluitende aanwijzingen in herken voor inrichting van informatievoorziening. Ik bedoel dat we — en daarmee bedoel ik dan weer wie de inrichting bepaalt, jullie dus — allereerst ònuitgeschreven vóóronderstellingen expliciet moeten helpen uitdrukken.
Omdat de regeling natuurlijk niet opgesteld is door informatiekundige ontwerpers, acht ik het waarschijnlijk dat sommige vooronderstellingen die noodzakelijk zijn voor eenduidigheid in informatievoorziening, überhaupt (nog) niet bestaan. In dergelijke gevallen is er dus principieel meer aan de hand dan het tot-uitdrukking-helpen-brengen. Wij moeten dan zelfs voorstellen doen voor relevante, samenhangende aannames.
Allerlei factoren die een stelselmatige behandeling verdienen, krijgen vanuit zo'n beperking hooguit een uitzonderlijke plaats, met alle extra moeilijkheden van dien (als er zodoende al samenhang valt te vestigen).
De neiging kan bestaan om maar niet aan zo'n overzicht te beginnen omdat-het-toch-te-ingewikkeld-is. Voor beheersbaarheid bestaat echter geen alternatief. Het is natuurlijk zaak om niet in details te verdrinken, maar slechts hoofdlijnen te schetsen.
Het is een mooie puzzel, waarvoor we eigenlijk allereerst een plaat moeten maken om hem pas vervolgens netjes gelegd te krijgen. Ontwerp, dus.

19.56
iDNA Manifest is een aanzet tot herordening, nog (lang) geen definitief — wat überhaupt al ondenkbaar is — inrichtingsbesluit.

19.57
Beweging kent ook weer meervoudigheid, meen ik althans. De ontwerper is ook een bewegingsfactor en mijn idee daarover is dat je de grootste ruimte en het kleinste element niet als tegenstelling ervaart, maar ... precies, ook weer als onderling afhankelijk. Wij zitten in een ontwikkeling naar nieuwe grootheid, waarvoor nieuwe kleinheid een voorwaarde vormt, enzovoort.

19.58
Die pagina’s 16 tot en met 19 uit de Nederlandse vertaling van Andersons boek The Long Tail vind ik geen eenvoudige tekst om iets over op te merken. Als moeilijkheid ervaar ik dat juist de auteur nogal vereenvoudigt. Maar eerlijk is eerlijk, ik heb tot dusver slechts die luttele pagina's gelezen.
Ik vermoed dat jij als illustratie van tekortkoming doelt op de passage waarin de gesprekspartner van de auteur uitroept "ik weet alleen niet precies welke [...] grote veranderingen bij informatieproducenten nodig zijn." Hoewel de auteur meteen opmerkt dat hij zich voornam "die vraag te beantwoorden," krijg ik de stellige indruk — nogmaals, slechts uit enkele pagina's — dat hij niet verder dan in de sfeer van marketing, economie of zoiets naar dat antwoord zocht. Informatiekundige verklaring, laat staan stelselmatige herordening van informatieverkeer, komt waarschijnlijk nergens in zijn gehele verhandeling aan bod.
Wat me opvalt is dat het verschijnsel dat de auteur … opviel, door hem van de weeromstuit tot nieuw bestempeld is. Dat verkoopt stellig beter, zo'n boodschap, maar 'de lange staart' komt mij nogal bekend voor. Ik denk alleen al aan antiquarische boekhandelaren. Door een combinatie van goedkopere inkoop, goedkopere uitstalling en dergelijke kunnen zij werken met lagere omloopsnelheid. Neem de markt voor onroerend goed; elk pand wordt vroeg of laat verkocht, primair een kwestie van prijs. De auteur kan beweren dat hij dat allemaal niet bedoelt, okee, maar ik bedoel dat op mijn beurt dan wel.
Het "consistent gedrag [dat] consumenten [...] vertonen" staat samengevat als "ze kijken naar bijna alles." Dat is zo’n macro-economische versimpeling. Ik vind het duidelijker om als stelling te poneren: Bijna niets ontsnapt de aandacht van wel iemand.
De statistische verdichting onder de noemer van "ze" wil helemaal niet zeggen dat iedereen naar alles kijkt, integendeel.
Zo zijn we inderdaad mooi bij metapatroon aangeland, te weten de mogelijkheid tot radicaal subjectief-situationele verbijzondering.
Wat ik als voornaamste verwarring proef bij de auteur is dat zijn “antwoord” niet slaat op de "informatieproducenten," maar louter op, zeg maar, informatiemakelaars. Hùn markten kunnen een groter bereik krijgen dan ooit, dat klopt. Dankzij dergelijke distributiekanalen hebben allerlei kleine producenten soms überhaupt een markt, maar voor hen blijft dat als regel zonder nagenoeg uitzonderingen beperkt tot een kleine. Anders zaten hun informatieproducten immers niet ergens in die lange staart, nietwaar?
In dit verband wijs ik erop dat mensen zoals jij en ik in zakelijk opzicht met onze "informatieproducten" zelfs niet in die staart, hoe lang die ook is, verschijnen. Als ik voor mijzelf schrijf, als commerciële producent zou 'mijn' markt zo klein zijn dat ik per saldo beter af ben, zo is mijn afweging, door maar helemaal af te zien van pogingen tot het verkrijgen van directe inkomsten op mijn geschriften.
De naïviteit van de auteur herken ik bijvoorbeeld voorts in een opmerking dat hij "voor het eerst [...] de werkelijke vorm zag van de vraag in onze cultuur, ongefilterd door de schaarste-economie." Hij begrijpt niet dat wat hij als vraag bestempelt altijd "werkelijk" is. Het is de cultuur die verandert en daarmee als aspect ervan "de vraag."
Verderop herhaalt de auteur zijn vooringenomenheid wat "big business" betreft. Op de pagina ervoor staat nota bene de verklaring. "En dus begon ik een onderzoeksproject dat me bij alle leiders van de groeiende digitale amusementsindustrie bracht, van Amazon tot iTunes." Nu kan je over bedrijven als Amazon en iTunes van alles beweren, maar "informatieproducenten" zijn het beslist niet. Zij zijn makelaars puur sang en nemen de producten van 'werkelijke' "informatieproducenten" meteen maar in wat vroeger consignatie heette. Want dat vereenvoudigt aflevering; consignatiekosten van digitale producten zijn inderdaad verwaarloosbaar laag; wellicht laten ze de echte producenten er zelfs eveneens voor betalen; dat zou me niets verbazen.
Noem dit maar: The Long Reply ...

19.59
Sterker nog, door zulke infrastructurele integratie vervaagt wat tot dusver nogal klakkeloos als 'de' ene grens tussen private, respectievelijk publieke sector gold. De fijnmazige interactie vormt daarvoor toekomstig de maat, waarbij het steeds gaat om een karakteristiek mengsel. Zo kan ik jou ondersteund door digitale infrastructuur een fiets te koop aanbieden. Mijn identiteitstelling als persoon en de 'identiteitstelling' van die fiets zouden eventueel van overheidswege geborgd kunnen zijn, terwijl het in eerste aanleg toch om een volledig private transactie lijkt te gaan. Okee, een fiets. Maar als het gaat om een huis ligt alweer wat extra overheidsgehalte in het mengsel voor de hand (is zelfs allang wettelijk bepaald). In opzet voor maatschappelijk informatieverkeer zijn nota bene ook zgn private ondernemingen dus netzogoed deelnemers aan digitaal gefaciliteerde interacties.

19.60
Ja, dat wereldbeeld. Het is niet alleen een kwestie hoe je iets grofweg noemt, maar wat uiteindelijk telt is de fijnmazige samenhang. Indien de maatvoering daarvoor ophoudt bij absolute uniformiteit ..., nou ja, daarover zijn we het eens.
Maar zoals je die opvatting schetst, ervaar ik op een bepaald punt wel degelijk enige verwantschap. Voor een informatiestelsel à la metapatroon leg ik de nadruk op infrastructuur, waarbij ook en vooral betekenisordening tot infrastructuur behoort (zoals ondermeer het verkeersreglement, maar ook onderdelen van strafrecht enz. enz. tot de infrastructuur voor fysieke mobiliteit behoort). Goed, als iemand er de voorkeur aan geeft om dergelijke aspecten onder de noemer van applicatie te vatten, is infrastructuur-zoals-ik-die-bedoel wellicht vergaand gelijk, in elk geval qua bereik, aan applicatie-zoals-hij-die-bedoelt. Inderdaad, interfaces in traditionele zin zijn niet langer nodig. Er zijn immers — althans in conceptueel, logisch opzicht — geen locaties die de schijn van informatieve zelfvoorziening proberen op te houden door voorafgaand aan een bepaalde informatiebewerking die informatie allereerst binnen te halen. Dat hoeft niet meer (over dienstgerichtheid gesproken, maar dan tenminste zuiver). Alleen zie ik informatiebeheer praktisch verspreid, min of meer langs lijnen van contextuele verbijzondering (dus tot en met persoonlijk, en zo eventueel verder verbijzonderd tot subjectieve situaties). Dus zeker géén alles-op-één-hoop.
Voor samenhang-in-verspreidheid is ergens natuurlijk wel uniformiteit onmisbaar. Dat is echter beslist geen uniformiteit van betekenis, maar uniformiteit in de behandeling van hun noodzakelijke verschillen ... met tegelijk hun geborgde samenhang.
Overigens wat uniformiteit betreft, het situatiebegrip biedt een gedragsafbakening. Ofwel, binnen een bepaalde situatie is objectgedrag wel degelijk uniform. Sterker nog, dergelijke uniformiteit is nu net wat op haar beurt een aparte situatie constitueert. Vanuit precies diezelfde afbakening is daarentegen suprasituationele uniformiteit van gedrag, en dus van navenante betekenis, zelfs principieel ònmogelijk.
Mijn idee is dat vrijheid slechts reëel is, indien zij in verschillen tot uitdrukking kan komen. Zo niet, dan is ook vrijheid maar weer een woord, dat blijkbaar totalitaire onvrijheid verhult.

19.61
In die aanzet herken ik een ontoelaatbare sprong in de redenering. Het is nog volkomen logisch dat drie zulke kerngebieden bijelkaar zeven van die disjuncte deelverzamelingen opleveren. Wat vervolgens echter klakkeloos aangenomen wordt, is dat relevante objecten disjunct over die deelverzameling verspreid zijn. Was dat maar zo! Als je het nog een beetje netjes wilt doen, kan je inderdaad aan de ene kant die zeven 'gebieds'deelverzamelingen positioneren. Er is zo beschouwd, als je dus over kerngebieden begint enzovoort, echter ook een àndere kant. Dat is de verzameling relevante objecten. Vervolgens, en dat gebeurt dan tenminste expliciet, kan je vanuit een bepaald object onderzoeken met welke van die zeven deelverzamelingen een relatie bestaat/nodig is. Op die manier kan je al een verbijzondering pèr relatie van één object met één zo’n deelverzameling kwijt.
Het lijkt me echter sterk dat de relevante gedragsdifferentiatie die grenzen van zulke deelverzamelingen volgt, ontleend als ze zijn aan kerngebieden. Ligt aan de indeling van die gebieden soms een fijnmazig houdbare gedragsdifferentiatie ten grondslag? Waarschijnlijk niet. Met andere woorden, omdat de correspondentie met situaties (in de zin van eenduidige gedragsbepalingen) gauw mank gaat, leidt die ontoelaatbare sprong zelfs in de verkeerde richting.
Het probleem met die aanzet is dat het voor leken zo aannemelijk, redelijk opgezet lijkt. Dat maakt een levensvatbare oplossing(srichting) extra lastig te realiseren.

19.62
Die 'methode' heet metapatroon, of metapattern op z'n engels. Mijn proefschrift Semiosis & Sign Exchange uit 2002 biedt daarvoor weer, zeg maar filosofische grondslagen. Voor praktische toepassing kan je je dat besparen (hoewel je natuurlijk zeer welkom bent om die tekst eens grondig te bestuderen). Gericht op, zeg maar, practitioners schreef ik eerder het boek Metapattern: context and time in information models (Addison-Wesley, 2001). Later bewerkte ik voor het onderzoeksprogramma PrimaVera van de Universiteit van Amsterdam (waaraan ik als research fellow verbonden ben) het eerste gedeelte eruit tot een apart working paper.
Op mijn website www.wisse.cc zijn talloze publicaties over metapatroon en verwante thema's beschikbaar. Nogmaals, het lijkt me niet zo praktisch als je die zomaar bekijkt. Want dat zgn metapatroon is niet een methode die een beetje aanvullend werkt. Je moet ervoor van perspectief wisselen, te weten van modellering voor een apart systeempje naar principieel stelselmatig. Ik geloof niet dat die paradigmawissel overkomt door slechts die teksten te bekijken, hoezeer ik mijn best ook deed op pogingen tot verduidelijking op allerlei manieren. Mocht je dat overigens wel lukken, prachtig! Mijn laatste poging bij PrimaVera gaat uit van inherente interdependentie, waarvoor ik ontologie ontwikkel. Maar bij voorkeur illustreer ik die — sprong naar — stelselmatigheid met enkele modelvóórbeelden; in een persoonlijk gesprek werkt dat prima.

19.63
Ho, ho! Dat is natuurlijk het gevaar van elke vergelijking! Ergens klopt die niet meer. Zo vind tenminste ikzelf het ònmogelijk op informatieverkeer volledig te verklaren aan de hand van fysiek verkeer.
Op die manier is het ook nooit goed. Hoe ontsnap je aan een inmiddels beperkende visie? Okee, probeer een vergelijking met een onderwerp waarvoor grotere 'ruimte' al normaal gevonden wordt. De aanduiding informatieverkeer bedoel ik dus primair als ontsnappingsmiddel.
Wie zichzelf eenmaal zo'n ontsnapping toestaat, wil uiteraard vervolgens wat meer weten over die inrichting van het verkeersstelsel in kwestie. Je sluit jezelf echter subiet weer op, indien je dat ontsnappingsmiddel tevens exclusief wil gebruiken voor het inrichten van je nieuwe leven buiten de gevangenis.
Op die regressiekans kan ik slechts wijzen, wat ik doe door het eigen karakter te benadrukken. Zo staat in Civiele informatiekunde: op weg naar infrastructuur voor informatieverkeer ondermeer: "Civiele informatiekunde erkent methodisch dat informatieverkeer in diverse opzichten een afwijkend karakter heeft. Natuurlijk zit er altijd óók fysiek vervoer aan vast. De gedigitaliseerde signalen moeten van A naar B. Er is echter sprake van een infrastructuur sui generis, ònvergelijkbaar dus, vanwege betekenissen."
Natuurlijk valt de vergelijking óók voor inrichting vruchtbaar te benutten. Maar dat moet altijd in het besef van, over situationele differentiatie gesproken, principiële divergentie. Anders was het ook geen vergelijking!
Dus, ja, door een vergelijking scherper te stellen, zeg maar te verbeteren, kan je er navenant méér aan ontlenen. Maar dan moet duidelijk zijn dat er allerlei vergelijkingen nuttig zijn, dus voor informatieverkeer niet uitsluitend die met fysiek verkeer. Je ziet hier hoezeer de kracht van het ontsnappingsmiddel — nota bene, laagdrempelige associatie door de gemeenschappelijke term 'verkeer' — in het inrichtingsstadium verlammend kan werken doordat het lijkt alsof andere vergelijkingen uitgesloten zijn. Onzin!
De theorie van elk-teken-is-een-verzoek-tot-inschikkelijkheid' bevordert alertheid. Wanneer iemand je dus verzoekt om de vergelijking van informatieverkeer met fysiek verkeer op te voeren, wat probeert hij daarmee te bereiken? Wil hij dat het jou lukt, zodat de kwaliteit van infrastructuur voor informatieverkeer volgens, nota bene, jouw visie daadwerkelijk nog weer beter uitpakt? Of vraagt hij, al dan niet bewust, jou om het ònmogelijke? Feitelijk is dat al kritiek, een aanval. Nadat jij noodgedwongen faalt om van de vergelijking een heuse overeenstemming te maken, kan hij naar een openlijker communicatieregister voor zijn kritiek overgaan om je verder in de verdediging te drukken. Dan overwint zijn visie!
Het probleem is dat je in een vroeg stadium moet schatten welk motief 'achter' het verzoek steekt. Voor mensen met een opbouwende instelling is dat extra lastig te herkennen, want wij projecteren die instelling op dat teken ... en ontdekken vaak genoeg pas later de valse verzoeking.
Ikzelf ben sterk geneigd zo'n teken steeds positief op te vatten. Zeg maar, dat is mijn ontwerptemperament. Dat blijkt vrijwel altijd voor die ene situatie 'verkeer'd, maar dan heb ik er voor een volgende situatie tenminste weer iets opbouwends bijgeleerd. Wat zou helpen, is wanneer ik beter in staat zou zijn om zo'n uitwerkingsvraag vooral met een 'vergelijkbare' wedervraag te beantwoorden. Die verplaatst de onmogelijke bewijslast terùg en het effect daarvan is helaas meestal, heel ontnuchterend, dat de oorspronkelijke vrager er onderuit probeert te komen. Dan is tenminste gauw duidelijk hoe het zit.

19.64
Overigens heb ik niets mèt, maar evenmin tégen Archimate. Metapatroon betreft eenduidige informatiemodellering op open stelselschaal. Voor Archimate, voor zover ik het raamwerk begrijp, gaat het met 'data' om een bepaalde view. Daarbij laat Archimate (of RMODP, TOGAF, ARIS, ...) zich volgens mij niet of nauwelijks uit over de concrete modelleermethode.
Metapatroon veronderstelt primaat van informatiemodellering. Want als je dat niet 'op orde' hebt, weet je natuurlijk niet of je met andere aspecten, respectievelijk volgens andere views (ook) goed zit. Mits je informatiekundig verband borgt, vind ik metapatroon volstrekt complementair aan ondermeer Archimate, want Archimate dekt tevens allerlei andere aspecten/views. Wat metapatroon dan weer biedt, is een aanpak voor eenduidige synthese indien zo'n ander aspect/view bij nadere beschouwing toch ook informatiebeheer vergt. Zie ook Metapatroon voor variëteitsborging in modelgedreven ontwikkeling. Ik weet dus niet of informatiebeveiliging een Archimate-view is, maar — even als voorbeeld — voorzover dergelijke beveiliging op haar beurt gebeurt met informatievoorziening, moet dat stelselmatig 'opgenomen' zijn. Voor authenticatie, autorisatie, audit trails enzovoort gelden dus zeker op hoofdlijnen geen aparte conceptuele modellen, maar ook dergelijke aspecten komen principieel stelselmatig tot uitdrukking. Daarom wordt het logisch om over informatieve infrastructuur te spreken en is civiele informatiekunde een vak.

19.65
Die overheidcentrische benadering is typisch voor de hedendaagse bestuurskunde die immers geen opbouwend onderscheid (meer) maakt, ik zie het tenminste niet, tussen a. strategievorming en b. veranderingsproces. En omdat daadwerkelijke veranderingen inderdaad doorgaans slechts stapje voor stapje lukken, behoudt 'de overheid' onmerkbaar impliciet de uitgangspositie voor strategie annex verandering (en verandert er daarom wezenlijk niets; het blijken stapjes òp de plaats). Een voorbeeld van die impasse is de woordkeuze "regie." Zoals je weet kozen Paul Jansen en ik met iDNA Manifest apart voor informatie-eigendom als uitgangsbegrip; vandaaruit krijg je (informatie)beheer en (informatie)gebruik pas helder.
We moeten overwegen waar we eigenlijk naartoe willen in plaats van alsmaar blijven vasthouden aan waar we ons nu bevinden. Want dat schiet niet op. Okee, laten we ons een voorstelling proberen te maken van die informatiemaatschappij. Is dat niet een maatschappij van en voor burgers? Moeten we ons dùs niet primair richten op vertrouwensmechanismen voor hun onderlinge maatschappelijk verkeer, met daarin een groeiend aandeel voor zgn informatieverkeer? Op die manier houd je tenminste zuiver wat de (eventuele) rol van overheidsinstellingen is in het functioneren van dergelijke vertrouwensmechanismen.
Zoals 'het vraagstuk' nu alom aangesneden is, overheerst praktisch en meestal ònuitgesproken de overheidsrol als gebruiker van persoonsinformatie. En daar gaat die rol van ontwikkelaar en beheerder van infrastructuur doorheen lopen, waardoor het reuze eenvoudig wordt om elkaar vooral maar niet te begrijpen. Zo houdt stagnatie aan.

 

 

februari – maart 2007, webeditie 2007 © Pieter Wisse