Objectenverwerker

Pieter Wisse

Psychologen ontdekten reeds tientallen jaren geleden de computer als metafoor voor het menselijke brein. Het idee was dat een centrale verwerkingseenheid het gehele lichaam stuurt. Onze hersenen zijn volgens deze analogie opslagplaats voor zowel data, als instructies ofwel procedures. Voorts zou er bovenin een mens ergens een register bestaan dat een instructie en bijbehorende data verwerkt. Enzovoort met de volgende instructie en data, als een heel programma. Het lag voor de hand om dat ene register als lokatie van het menselijk bewustzijn te beschouwen.

In omgekeerde richting gingen informatici inspiratie putten uit het nieuwe model der psychologen. Zij dachten een machine te kunnen bouwen die menselijke informatieverwerking nabootste, evenaarde of zelfs overtrof. Uiteindelijk zouden dergelijke machines dus eveneens bewustzijn vertonen dat met het menselijke overeenstemt. Als noemer voor hun werk gold toen het etiket kunstmatige intelligentie.

Sindsdien hebben psychologen en informatici voortgang geboekt. Geen serieuze psycholoog durft nog te beweren dat het menselijk brein als een Von Neumann-machine werkt, laat staan dat zo het menselijk bewustzijn verklaarbaar is. De serieuze informatici, op hun beurt, zijn van de oorspronkelijke claims voor kunstmatige intelligentie afgestapt. De menselijke intelligentie is niet meer de maat waarnaar zij streven. Ons bewustzijn is niet maakbaar. Zij zijn daarentegen praktisch aan het ingenieuren geslagen om steeds flexibelere instrumenten te ontwikkelen. Dat zijn instrumenten die binnen een ruimere variteit aan toestanden zelfstandig kunnen blijven functioneren.

De teleurstellingen met het wel erg simpele model van het menselijk brein als een computer hebben psychologen allerminst hun fascinatie met informatietechnologie doen verliezen. Hun onderzoek langs andere wegen blijkt echter stelselmatig in strijd met de vertrouwde Von Neumann-architectuur. Er zijn alternatieve metaforen. Ik schets u er eentje. Daarbij helpt het als u reeds iets afweet van zgn. objectgerichte ontwikkelomgevingen. Ik denk dan vooral aan Smalltalk dat in oorsprong trouwens ook al meer dan twintig jaren oud is.

Om te beginnen moeten we inzien dat de logische manier waarop wij geautomatiseerde informatievoorziening met computers zijn gaan begrijpen, ooit groeide uit fysieke beperkingen van het instrumentarium. De centrale verwerkingseenheid noodzaakt tot splitsing van instructies en data. Die splitsing zijn de vroege informatici dus ook logisch gaan hanteren. Jammer. Er kwamen zodoende gescheiden ontwerpen voor informatieverzamelingen, respectievelijk programmatuur (procedures).

Het bijzondere van objectgerichte informatieverwerking is nu precies dat wij ons (wederom?) bewust kunnen raken van dat verschil tussen logische beschouwing en fysieke implementatie. Overigens, via de juiste vertaalslag blijkt de logica van objecten reeds implementeerbaar op een Von Neumann-machine. Zo moet het dus nog even totdat wij kunnen beschikken over een generatie computers die chte objectenverwerkers zijn. Maar als dat nu reeds zo werkt, stel ik voor dat wij ons voor ontwerp van informatievoorziening voortaan op de logische wereld van objecten richten. Informatici kunnen thans 'idee' loskoppelen van 'implementatie.'

Terwijl informatici aan de hand van objecten van implementatie naar logica kunnen abstraheren, bestaat abstractie voor psychologen uit de accentverschuiving van logica naar implementatie. Naar de fysieke opmaak van het brein. Voor psychologen stel ik dus exact het omgekeerde voor als waar informatici aan begonnen zijn. De psychologen zouden het menselijke brein kunnen opvatten als een objecten-verwerker. Let overigens op het meervoud van het woord 'objecten'! Wat de objectenverwerker onderscheidt van klassieke implementaties op een Von Neumann-machine, is dat ieder object tevens zlf zijn mengsel data/procedures beheert en verwerkt. Ik herhaal dat de psycholoog dit principe juist k en vooral als fysieke werking van het brein moet opvatten. Dit wijkt radicaal f van het idee van een centrale verwerkingseenheid ergens in de hersenen.

Een objectenverwerker kunnen we beter geen computer meer noemen, anders resulteert verwarring. Essentieel aan een objectenverwerker is dat het gedrag van de 'breindrager' niet verklaarbaar is uit de werking van statisch geschakelde componenten, maar de resultante vormt van allerhande objectprocessen. Een brein is een samenleving van dergelijke objecten. Tevens is het waarschijnlijk dat objecten elkaar qua fysieke implementatie, in het menselijk brein dus, goeddeels overlappen. Als wij dat zo bekijken, is ons brein wellicht het uiterste voorbeeld van een objectenverwerker en als zodanig vormt dit model dan weer inspiratie voor informatici.

Oh ja, nu ik toch bezig ben zal ik even uitleggen hoe u het menselijk bewustzijn kunt plaatsen. Hoewel ... plaatsen? Omdat er geen aparte lokatie is waar de resultante van de objectprocessen gesmeed wordt, moeten we afstappen van het idee dat het bewustzijn het allerhoogste, sturende principe is. Want alweer is het mi exact omgekeerd. Bewustzijn is enerzijds niets meer of minder dan n van vele objecten. Dit ene object neemt andere objecten waar. Tegelijk is het waarschijnlijk dat het bewustzijnsobject uit vele objecten op uiteenlopende niveaus samengesteld is. Geheel overeenkomstig objectgerichte informatievoorziening la Smalltalk beschikt dit waarnemingsobject tevens over de mogelijkheid tot recursiviteit. Dat is de methode 'self.' Voil: zelfbewustzijn. Een aanvullende verklaring voor bewustzijn is een toestand per object, alweer via de 'self' methode. Dit wijst op talloze bewust-zijnen met het brein als fysieke basis. Over het nut in evolutionaire termen van dat omvattende bewustzijnsobject en van de 'self' methode van vele objecten weid ik hier verder niet uit. Een ander belangwekkend thema is natuurlijk de dynamiek van de ontwikkeling per individuele zgn. breindrager. Ofwel, hoe verkrijgen en onderhouden objecten hun implementatie in de hersenen als neuro-chemisch substraat? Zijn er ontwikkelingsstadia aanwijsbaar? En zo kan ik langer doorgaan dan een enkel opstel toestaat. Als u maar weet dat objecten zo gek nog niet zijn.

 

1995, webeditie 2001.
Eerder verschenen in: Smalltalk, 1996, nr 1 en Informatiekundige ontwerpleer (Ten Hagen Stam, 1999).