Levende informatiekunde

Pieter Wisse

Jammer genoeg blijft voor de agendering van informatiekunde mijn gemakzuchtige schrijfprocedé onverminderd actueel. Ik kies een zoveelste tekst die volgens mij ook en vooral over ontwerp(en) gaat. Dan vervang ik slechts het voornaamste trefwoord. Voilà, prompt laten aldus minimaal bewerkte – toegegeven, opnieuw zeer selectieve – citaten zich tevens lezen – en soms, als het extra meezit, zelfs bij uitstek – als informatiekundige lessen. Wijsheid ligt op die manier voor het opscheppen. Als ik daarvoor opzettelijk een alweer wat oudere tekst (her)gebruik, wil ik nogeens onderstrepen hoezeer vernieuwing nodig en, vooruit, hoe achterlijk gangbare informatiekunde is.

J.J.P. Oud (1890-1963) was bouwkundig architect. In 1962 verscheen van zijn hand een bundel korte opstellen, Ter wille van een levende bouwkunst (Nijgh & Van Ditmar, samensteller K. Wiekart). Daar maak ik hier dus van: ter wille van een levende informatiekunde. Zo simpel kan het zijn om iets grondig op te steken.

Met de titel Over de toekomstige bouwkunst en haar architectonische mogelijkheden bevat genoemde bundel o.a. “een programma” (pp. 20-30). Nota bene, dat betreft een voordracht die Oud in 1921 hield, en oorspronkelijk in 1922 publiceerde. Bijna honderd jaren later (!) vervang ik het woord bouwkunst dus voor informatiekunde, klaar. Daardoor blijkt onverminderd een programmatische oproep aan de orde, het vaak thans archaïsche taalgebruik ten spijt. Oud begint zó:

De [informatiekunde] verkeert in een voor haar ontwikkeling uiterst belangrijk tijdperk, een tijdperk, waarvan de belangrijkheid niet voldoende erkend wordt in de richting waarin zij gezocht moet worden.[p. 20]

Er bestaat zelfs geen wèrkelijke informatiekunde, zolang vrijwel alom het naïeve idee heerst dat betekenissen helemaal géén probleem zijn. Betekenis kan echter variëren al naar gelang de deelnemer aan maatschappelijk annex informatieverkeer inclusief haar/zijn idee over de situatie waarin z/hij momentaan ... verkeert resp. hoe z/hij verandering wil bereiken. Opbouwende richting vergt daarom een heuse paradigmawissel, wèg van zgn naïef realisme naar subjectief situationisme. Kortom,

[n]iet alleen is de [informatiekunde] van thans haar tijd niet vooruit, zij is zelfs niet op de hoogte van haar tijd, en werkt bijwijlen reactionair op de noodwendige ontwikkeling van het leven.[p. 20]

Naïef realisme is inderdaad grondslag van resp. versterkt sektarisch streven. Dat komt neer op onderdrukking van – ontplooiing van – reële verschillen, nog daargelaten de evenzo noodzakelijke samenhang ertussen. Een vakdiscipline waarvan de beoefenaren daaraan bijdragen, ik bedoel aan zo’n betekenisdictatuur, vind ik geen kùnde, laat staan ‘van’ informatie en zo door naar informatieverkeer op maatschappelijke schaal van beschavingsdynamiek. Echter,

[g]een kun[de] is moeilijker te hervormen dan de [informatiekunde], omdat in geen kun[de] de vormgeving dwingender door de materie bepaald wordt.[pp.20-21]

Althans, voor informatiekunde behoort dergelijke dwang tot de valse schijn van naïef realisme. Want in werkelijkheid zie ik geen materiële dwang. Onder de nota bene immateriële noemer van formele logica heeft zich de misvatting gevestigd dat aparte symbolen evenzovele absolute betekenisdragers kunnen zijn, dwz van dito geïsoleerde betekenissen. Zulke ènkelvoudig symbolische logische “vormgeving” reduceert. Die werkt daarom averechts voor levende informatiekunde. Daarvoor moet “ vormgeving” (lees: een teken) altijd tevens nodige en voldoende aanduiding van subject èn situatie omvatten (lees: context). Een passende modelleermethode annex –taal is Metapatroon (Engels: Metapattern). Voor verantwoorde, dus stelselmatige resultaten ermee zijn professionele informatiekundige ontwerpers onontbeerlijk. En dat vak kan zich uiteraard pas ... ontplooien door vraag naar stelselmatige ontwerpdiensten, wat dan weer opdrachtgevers met infrastructurele oriëntatie vergt. Enfin, ik herhaal wat ik in zovele andere opstellen reeds schetste (allemaal beschikbaar via www.wisse.cc). Nee, wie stug de andere kant op blijft kijken, ziet nooit dat de spijker zich moeilijk nauwkeuriger laat – blijven – raken.

Zonder oog voor betekenissenvariëteit houdt vooringenomenheid met – exclusiviteit van – vormverwerking aan. Het gevolg van die aanhoudende kortzichtigheid is o.a. alsmaar

[v]ernietiging van uiterlijke vorm – zo nodig door altijddurende verandering van vormbepalende omstandigheden[. P. 21]

Het woord reëel zegt het natuurlijk al, reële betekenissenvariëteit laat zich nu eenmaal niet elimineren. Met de kop in het zand krijgt voorrang voor betekenissen (lees ook: inhoud) echter geen erkenning. Het lijkt alsof gebrekkig tot en met contraproductief functioneren van voorzieningen voor informatieverkeer te wijten is aan “vormbepalende omstandigheden,” in casu digitale technologieën. Zo’n technologie laat zich gemakkelijk verouderd noemen. En zo volgt een nieuwe poging, het zoveelste project met nieuwe technologie, enzovoort. Dat helpt nooit. Steeds meer geld is weggegooid, terwijl de frustratie over herhaalde mislukkingen groeit en groeit. Wat principieel moet verdwijnen is de “vormtraditie” van naïef realisme.

Het levensgevoel van een tijd is richtlijn voor zijn kun[de], niet de vormtraditie![p. 21]

Dat is nogal vaag, “levensgevoel.” Evident genoeg lijkt mij, dat samenleving gedijt bij samenhangende verschillen in netzo samenhangende veranderlijkheid. Ik geef toe, zoveel minder vaag klinkt dat niet. Enfin, het faciliteren van zulk door-en-door variabel maatschappelijk verkeer vergt passende infrastructuur. Wat een burger verlangt, zijn voorzieningen voor veilige vrijheid. Dat is (dus) een kwestie van evenwichtige opzet. Hoe dan ook, van totale veiligheid met onevenwichtigheid van dien valt hoogstens de valse schijn te wekken. Intussen zou dan totalitaire betekenis moeten gelden. En daarvoor ontbreekt het ons aan “levensgevoel.” Nee, dan liever toch risico’s. Op die manier vind ik al duidelijk genoeg de werkelijkheid van betekenissenvariëteit aangegeven. Die “richting” gaat het met informatiekunde echter helaas nog steeds niet op.

Oud stelt:

Nooit was de chaos groter![p. 21]

Als dat al zo is, ik ga er niet over twisten, nooit waren de pogingen om chaos te ontkennen krachtiger en machtiger. Sterker nog, regerende politici met hun bestuurders en ambtenaren vatten voorstellen voor – wat meer – variëteitbeheersing gauw precies verkeerd òm op. Dat komt stellig door de oproep tot erkenning van reële variëteit. Zij kunnen zich geen voorstelling ervan maken; uitgaande van hun éénvormige opvatting in dienst van stabiliteit e.d. zien zij er slechts anarchie in en daaraan werken zij niet mee ... Tja, wie maakt het wèrkelijk erger?

Nieuwe [...] levenscomplexen vormen zich, maken zich van het oude [...] los en zoeken onderling evenwicht.[p. 21]

Er is visie voor nodig om infrastructuur daarop als het ware nogeens vooruit te laten lopen. Waar angst voor verandering heerst, is dat te veel gevraagd. Maar wat heeft het voor zin om verandering met alle geweld te blijven ontkennen?

Voor pijnloze visie kan informatiekunde overigens een heel eind komen door erkenning van reële betekenissenvariëteit. Hoe concrete betekenissen inclusief hun samenhang zich – blijven – ontwikkelen, doet er voor infrastructurele voorzieningen voor informatieverkeer immers niet of nauwelijks toe. Vergelijk het met een nieuw model fiets; het fietspad dat er al ligt is ook daarvoor geschikt. Het is (pas) weer extra opletten, zodra een soort vervoermiddel verschijnt dat kwalitatief afwijkt. Op z’n minst verandert daardoor “onderling evenwicht.”

Slechts de [informatiekunde], die afspiegeling van de cultuur en haar tijd heet te zijn, blijft [...] immuun onder dit gebeuren![p. 21]

Voor welke cultuur dan ook is kenmerkend dat allerlei betekenissen ‘verkeren,’ met andere woorden, dat mensen door uitwisseling van tekens hun gedragingen op elkaar afstemmen. Zonder samenhangende verschillen is geen cultuur aan de orde (hoogstens: monocultuur). Op haar beurt volgt daar voor informatiekunde als door-en-door cultuurverschijnsel uit, dat zij voor èlke cultuur berekend moet zijn op veranderlijke verschillen èn samenhang van betekenissen. Dezèlfde informatiekunde is dankzij methodische abstractie dan “als manifestatie van nieuw levensgevoel” [p. 24] geschikt voor ... verschillende culturen, en als zodanig dus “immuun” voor die verschillen.

Voorts is tegenwoordig alweer zoveel sterker de – retorische – vraag, of een cultuur een min of meer omvattend levensbereik is. Voor nadruk op zgn interdependentie met dynamiek van dien geef ik voorkeur aan de aanduiding situatie. Maar

[d]e [informatiekunde] zelf, de cultureel belangrijkste van alle kun[des], gaat voorlopig innerlijk onberoerd aan dit gistingsproces voorbij.[pp. 22-23]

Zoals Oud de bouwkunst het belangrijkst acht, zo wil ik informatiekunde niet bestempelen. Wat heeft zo’n rangorde voor nut? Verderop blijkt Oud dat overigens te beseffen. Er is behoefte aan

een [informatiekunde], waaraan niet de andere kunsten toegepast, en dus ondergeschikt, zullen zijn, maar waarmee zij organisch zullen samenwerken[. p. 25]

Ja, voor afstemming van gedrag gebruiken (ook) mensen tekens. Vanaf maken, uitwisselen tot en met bewaren van tekens gebruiken mensen in toenemende mate kunstmiddelen (lees ook: artefacten). De navenant toegenomen afhankelijkheid ervan geeft het belang van informatiekunde aan, maar wat informatiekunde zou kùnnen bijdragen stagneert vanwege een cultureel averechts paradigma, enzovoort.

Volgens Oud, maar hier van toepassing op informatiekunde verklaard, is zij nog

niet toe aan het revolutionair sentiment [...], maar [...] vervalt zij uiterlijk van het ene exces in het andere[. ...] Maar wat zij uit eigen [...] kracht niet vermag, wordt uit de macht der omstandigheden, als vanzelf, geboren.[p. 23]

Het is natuurlijk maar weer, hoe “omstandigheden” opgevat zijn. Mijn indruk is dat Oud ze probeert te beïnvloeden ten gunste van zijn programma. Dat vind ik een verantwoorde handelswijze. En hier doe ik hem zo’n beetje na.

Voor informatiekunde is het ondanks de noodzaak van erkenning van betekenissenvariëteit – de ontwikkeling waarvan volgens het referentiekader van Oud “geestelijke factoren” betreft – onloochenbaar dat juist – slechts? – digitale technologieën nog steeds aan snelle veranderingen onderhevig zijn. Ofwel,

zo wijzigen zich ook de materiële factoren voortdurend, en deze laatste kunnen slechts kortstondig in hun ontwikkeling belemmerd worden.[p. 23]

In dit verband plaatst Oud enkele opmerkingen die m.i. tevens relevant zijn voor het gebruik van digitale technologieën tijdens een nog steeds groeiend tijds- en aandachtsaandeel van het menselijk leven.

Worden echter de esthetische mogelijkheden van een voorwerp kleiner, en zijn nuttigheidswaarde groter, dan vermindert de tegenwerking, die zijn zuivere vormbepaling van de zijde der heersende kunstopvatting ondervindt. Zo is het mogelijk, dat voorwerpen, die in hoofdzaak praktische bedoelingen hebben en slechts op laag plan ook esthetische waarde kunnen bezitten, aan de kunstzinnige aandacht ontsnappen, en op de meest voor het doel geschikte wijze, zuiver technisch, gevormd worden. De schoonheidsdrang in de mens blijkt dan zo groot te zijn, dat deze voorwerpen, als vanzelf, boven het zuiver technische uit, tot elementair-esthetische vorm komen.[p. 23]

De voorbeelden die Oud geeft, betreffen vooral – duurdere – consumentenartikelen. Zoals hij destijds al schetste, gaat het tegenwoordig ook op voor mobiele telefoons, enzovoort, zij het dat het tegenwoordig eerder identiteitsdrang heet. Mijn punt is dat er qua facilitering van variëteit een kloof gaapt tussen een consumentenartikel en infrastructuur. Het is zelfs zo, dat zo’n artikel pas bruikbaar is dankzij infrastructuur (waarop de verkeersdeelnemer ermee aangesloten moet zijn). De gebruiksmogelijkheden blijven daarom nodeloos zeer beperkt, zolang infrastructuur geen verkeer volgens reële betekenissenvariëteit faciliteert, hoe indrukwekkend het bijvoorbeeld ook is dat oma en kleindochter in beeld en geluid direct met elkaar communiceren over willekeurige afstand. Vooralsnog blijft het in pragmatisch opzicht bij vergaand geïsoleerde voorzieningen. Dat is vooral ingegeven door het bedrijfsmodel van leveranciers van verkeersvoorzieningen. Op z’n minst de regeling van dat verkeer vind ik echter een kwestie van publieksbelang. Anders raakt variëteit onherroepelijk vèrtekend c.q. beperkt volgens het bedrijf dat zijn voorzieningen laat gebruiken in ruil voor blootstelling aan betaalde advertenties.

De [informatiekunde] van thans – zelfs in haar verst ontwikkelde vorm – kent niet die gespannenheid, zoals zij zich [...] verwerkelijkt in het grote ritme, in het evenwichtig complex van onderling op elkaar betrekking hebbende en invloed uitoefenende delen, waarvan het een de [...] bedoeling van het ander ondersteunt, waar niets bij kan, maar ook niets af mag, waarbij elk deel, in plaats en vorm, zozeer in verhouding staat tot de andere delen, op zichzelf en als geheel, dat elke – ook de kleinste – verandering een algehele evenwichtsverstoring ten gevolge heeft.[p. 24]

De beschrijving door Oud is zelfs bij uitstek geldig voor taal(gebruik), en daarom – inderdaad – voor informatiekunde. Er is ‘sprake’ van interdependentie. Een deelnemer aan informatieverkeer is zich daarvan van teken tot teken doorgaans niet bewust. Maar wie professioneel bijdraagt aan – ontwerp van – infrastructurele voorzieningen moet dat wèl zijn. Zonder gedegen opleiding lukt dat niet. Met Metapatroon bestaat reeds, zoals eerder opgemerkt, de modelleermethode/-taal voor eenduidige ordening van veranderlijke betekenissenvariëteit. De structurele eenvoud van de methode/taal op zich is òmgekeerd evenredig aan variëteit die ermee model- en aldus ontwerpmatig tot uitdrukking gebracht kan zijn. Hoe dat werkt, blijft echter onbegrijpelijk voor wie in de richting van absoluut geldige betekenis zoekt (en daar nooit de stelselmatige oplossing kan vinden). Z/hij weet dan om te beginnen al niet waarover Oud het heeft als hij stelt dat

de tegenwoordige [informatiekunde] met eigen middelen in zodanig evenwicht te kort schiet, [te weten door] elk gebrek aan zuiver [informatiekundig]-compositorisch evenwicht[. p. 24]

Voor Oud is bouwkunst zuiver zònder ornament, versiering. Zijn afwijzing betreft

uiterlijke compensatie voor een innerlijk tekort[. p. 24]

In informatiekundig opzicht heerst als “innerlijk tekort” de veronachtzaming van tekengebruik, met veranderlijke betekenissenvariëteit van dien. Daarvoor kunnen alsmaar sneller werkende computers enzovoort nooit “compensatie” bieden. Integendeel, het reële “tekort” raakt aldus verder en verder verborgen, en is dienovereenkomstig steeds moeilijker herkenbaar als

gespannenheid van [...] verhoudingen [die] de constructie zelf boven haar materiële noodzakelijkheid uit [...] verheft.[p. 25]

Hierboven wees ik al op het dilemma met verandervoorstellen. De kans is groot dat ze weerstand oproepen, òndanks de bedoeling om te helpen. Afwachten, dan maar? Passief, in de hoop op ”de macht der omstandigheden”? Daaraan geloof ik nòg minder. Nee,

[h]et verloop van een [informatiekunde]ontwikkeling laat zich in haar gecompliceerdheid niet uit enkele factoren verklaren. Een geheel complex van meer of minder menselijk-bewuste krachten werkt daaraan mee[. p. 25]

Voor de bouwkunst ziet Oud

vooral de veranderende produktiewijze en de nieuwe materialen [als aanleidingen tot] de omwenteling in haar vormgeving[. p. 25]

Voor informatiekunde zou dat dan vooral het gebruik van digitale technologieën voor communicatie(middelen) zijn. Ontegenzeggelijk hebben digitale technologieën het dagelijks leven veranderd. Zijn veranderingen slechts oppervlakkig gebleven? Of is het gehele leven van vele mensen daardoor onderhevig aan veroppervlakkiging? Van een informatiekundige “omwenteling” is in elk geval nog geen spoor te bekennen, integendeel. Voor het ontwerp van verkeersvoorzieningen is als paradigma tot dusver naïef realisme (lees ook: logisch atomisme) gevolgd, met ernstige beperking van verkeer van dien.

Minder in onderdelen dan in de onderlinge verhoudingen van het samenstel van deze onderdelen [...] zal het persoonlijke zich in de toekomstige [informatiekunde] beelden. De betekenis der onderdelen [...] wordt teruggebracht tot verhoudingswaarde[. p. 26]

Een woord dat dient om nadruk op “verhoudingswaarde” te leggen is: stelselmatig. Terwijl C.S. Peirce semiosis opvatte als “actie van het teken,” leidt stelselmatige oriëntatie ertoe om dat te verduidelijken tot interactie met het teken. Dat heb ik elders gemodelleerd als dia-enneade. Voor het oorspronkelijke schema van de semiotische enneade – als uitbreiding van Peirce’s triade op basis van Metapatroon – zie Semiosis & Sign Exchange: design for a subjective situationism (2002, hoofdstukken 2 en 4). De dia-enneade heb ik voor het eerst afgebeeld in Dia-enneadic framework for information concepts (2003).

Samenvattende valt te concluderen, dat een zich rationeel op de moderne levensomstandigheden baserende [informatiekunde], in elk opzicht een tegenstelling zal vormen tot de tegenwoordige [informatiekunde].

Zover als het opperen van “een tegenstelling” ga ik zeker niet. Want naïef realisme is domweg het simplistische grensgeval van subjectief situationisme. Met andere woorden, het rijkere paradigma behelst o.a. het armere. Daaruit volgt de mogelijkheid – met inzet van een zgn informatierotonde –van geleidelijke, redelijk beheersbare veranderingen volgens de opbouwende richting van infrastructuur voor informatieverkeer.

 

 

14 september 2015, webeditie 2015 © Pieter Wisse