Eenparige beweging

Pieter Wisse

Het klopt, veranderingen gaan snel. Maar ze gaan beslist niet steeds sneller. Daarover heerst hardnekkig verwarring. Wat de profeten vr en tgen versnelling missen, is minimaal wiskundig inzicht. Daarom hier allereerst een korte les in algebra voor wie zonder zo’n basis bestuurder, bestuurskundige en dergelijke meent te kunnen zijn. Daarna volgt wat broodnodige filosofie inclusief marktkritiek.

Stel dat veranderingen in een eenparige beweging verlopen in plaats van versneld. Het resultaat r op enig tijdstip t is dan bepaald door de waarde van datzelfde tijdstip, vermenigvuldigd met een vaste cofficint q. Kortweg als formule: r(t) = q x t.

Indien q en t allebei voortdurend groter dan nul zijn en wanneer de tijd vordert, groeit weliswaar de hoeveelheid veranderingen gedurende een volgend interval met gelijkblijvende lengte. Dat is niets meer of minder dan simpele integraalrekening. Simpele differentiaalrekening leert echter dat het tempo van veranderingen gelijk blijft. De maat voor dat constante tempo is immers de cofficint q. Samengevat, ondanks toenemende hoeveelheid pr interval bestaat er gn versnelling.

Wie heeft meegetekend en desondanks het verschil niet ziet tussen enerzijds het oppervlak dat door een lijn omsloten is, anderzijds de helling (jargon: gradint) van diezelfde lijn, is niet slechts wiskundig, maar ook cultureel naef. Dat geeft verder niets, als zulke mensen maar geen onstuitbare behoefte hadden hun eigen dwaling als evangelie te verkondigen. Maar dat hebben ze vaak wel. Willig thema dezer jaren is informatietechnologie. Te onpas hoor je verklaringen over alsmaar snellere ontwikkeling. Nieuwe dit, nieuwe dat, alsmaar in een hoger tempo.

Dat klopt niet. Zeker, er is zoveel nieuws dit en dat. En ook steeds mr. Maar de overdreven analyse dat veranderingen versneld gebeuren, dat wil zeggen in een steeds hoger tempo, is minstens zo oud als het begin van de industrile revolutie. Eeuwenlang roepen mensen dat al.

Juist die boodschap van versnelling is dus helemaal geen nieuws. Waarom gebeurt het dan toch keer op keer, steeds alsof n een onomkeerbaar punt gepasseerd is?

Voor een genuanceerd antwoord moeten de profeten in minstens twee groepen ingedeeld worden. Dat zijn aan de ene kant de conservatieven, aan de andere kant de modernen.

Allereerst iets over de conservatieve partij. Zij zijn vooral bang iets te verliezen. Zij hebben angst dat met de veranderingen de wereld waarin zij leven verloren gaat. Zij beschermen hun zgn verworvenheden. Wat zij meestal bedoelen, trouwens, is het erfdeel dat zij in de schoot geworpen kregen, maar goed. Hun alarm klinkt duidelijker, menen zij, door op de noodzaak van urgente reactie te hameren. Dat lukt met nadruk op het groeiende tempo. Sneller, steeds sneller gaat het mis, zeggen zij. Wie aangeproken wordt, moet vr de afgrond proberen te remmen, als dat tenminste nog lukt.

Totaal anders is de motivatie van de modernen, de profeten uit de tweede groep. Zij zijn vooral bang iets niet te winnen. Dat zijn de handelslieden van veranderingen. Zij verdienen eraan. Zij strijden om marktaandeel, zijn ondernemer. Als zij proberen urgentie op te wekken, doen zij dat om een spoedige beslissing te forceren. De consument moet kiezen vrdat het te laat is. En wat is te laat? Dat is het wanneer de omzet aan de concurrent verloren gaat. Dat is immers verlies van hn eigen winst. De moderne profeet speculeert op de onzekerheid van de consument en profileert zich met levering van producten en/of diensten als begeleider tijdens veranderingen die anders stellig fataal zijn. Fataal, dat is althans het beeld dat de leverancier oproept. De effectiviteit van de reclame blijkt groter indien er niet zomaar van veranderingen sprake is, maar zelfs van steeds snellere. Waar de conservatief probeert te remmen, geeft de moderne extra gas.

Hoe zit dat eigenlijk met gedigitaliseerde informatievoorziening? Het imago van informatiekundige beroepsbeoefenaren is nog steeds dat van de snelle veranderaar, zeg ook maar van de moderne profeet. De werkelijkheid is echter (reeds) radicaal anders.

De informatiseringsbranche kent zelfs een enorm aandeel conservatieven. Dat is ook logisch. Dat zijn al die mensen die ooit geleerd hebben met een bepaalde informatietechnologie te werken, bijvoorbeeld met een programmeertaal van de zgn derde generatie. Zij hebben merendeels geen zin in danwel puf voor verdere veranderingen. Zij verzetten zich daarom. En enigszins overmand voelen zij zich natuurlijk wel terecht. Wat ze als dreiging ervaren, gebeurt weliswaar niet in een hoger tempo, maar groeit in volume wel degelijk. Ook bij gelijkblijvend tempo (helling/gradint) zijn er immers steeds mr nieuwe resultaten (oppervlakte).

Aan de andere kant zijn er in verhouding misschien weinig, maar in absolute omvang nog altijd heel veel modernen in de informatievoorziening. Denk alleen maar aan jonge, nieuwe beroepsbeoefenaren, vol enthousiasme om hun pasgeleerde theorie in praktijk te brengen. Dat zijn overigens de conservatieven van morgen. Zij belijden, als modernen dus nog, nieuwe informatietechnologie en stuiten daarbij regelmatig op de weerstand van de conservatieven. Omdat niemand de eenparige dynamiek van veranderingen doorziet en iedereen onder de noemer van versnelling overdrijft, blijven conservatieven en modernen elkaar ook in informatievoorziening het leven zuur maken.

Evenwichtige bestuurders kiezen ervoor dat zowel conservatieven, als modernen het bij het verkeerde eind hebben. De voornaamste reden van hun diametrale verwarring is, nogmaals, dat hun uitgangspunt van versnelde veranderingen niet klopt. Slechts via erkenning van de eenparige aard van het veranderingstempo komt de synthese in zicht. Duurzame beheersing vergt dat een voldoende gedeelte van het groeiend volume veranderingen gericht is op onderhoud en verandering (migratie) van wat tijdens eerdere intervallen tot stand kwam. Dat leidt tot het veranderingstempo van een levensvatbare traditie, ook in informatievoorziening voor complexe organsaties en processen. Als dat niet gebeurt, komt elk interval vrijwel op zichzelf te staan en is informatievoorziening niets meer dan een verschijnsel onderhevig aan modes. Of is het allang zover?

 

1994, webeditie 2001.
Eerder verschenen in: Stijlbreuk in bestuur (Information Dynamics, 2001, pp 128-130).