Contact

Pieter Wisse

Ik heb dus een leesplan. Dat komt erop neer dat ik mijn boeken op alfabetische volgorde van auteur bekijk. Ik doe dat uiteraard in aanvulling op de vertrouwde, onderwerpgerichte manier waarop ik mijn bibliotheek voor werk & ontspanning blijf gebruiken.

Zonder de gemanipuleerde toevalsoperatie van de alfabetische auteursrangschikking was ik nooit van mijn leven toegekomen aan het boek dat de eerste plaats bezet. Hetzelfde geldt voor het tweede boek. Dat is Philosophie des menschlichen Konflikts (Rowohlt, 1957) van Abbagnano. De ondertitel luidt Eine EinfŁhrung in den Existentialismus. Dit laatste verklaart waarom ik het enkele jaren geleden kocht. Ik bezat reeds wat literatuur over die stroming. Blijkbaar denk ik vervolgens niet zozeer in termen van inhoud, maar van collectie. Koopt de verzamelaar hiermee letterlijk zijn schuldgevoel af over het ongelezen laten van wat hij reeds bezit? Feit is dat mijn bibliotheek en bijgevolg, indien de vraag in de voorgaande zin tenminste hout snijdt, het schuldgevoel groeit. Tegelijk kan ik op de retorische vraag toch antwoorden. Abbagnano's boek las ik inmiddels daadwerkelijk. Ik nam dus een heuse beslissing. Dat is precies zoals het moet volgens Abbagnano (Italiaan, geboren in 1901, actief als hoogleraar wijsbegeerte).

Begrepen heb ik hem echter niet. Dat kan ook niet. Natuurlijk herken ik de bekende existentialistische thema's. Zo bestaat het leven voor de individuele mens uit zijn eigen verwerkelijking. Hij is zelf verantwoordelijk voor zijn beslissingen. Leven is voortdurend beslissen. Maar dat blijft allemaal onbegrijpelijk omdat ook Abbagnano mi niet aan de neiging ontkomt presentatie van een gesloten systeem van ... begrippen te proberen. Ikzelf vind het juist zo sympathiek aan het existentialisme dat het de mogelijkheid van een volledig rationeel leven ontkent. Daaruit moet dan volgen — overigens excuus voor deze rationele stap, maar anders vind ikzelf communicatie te vaag — dat een vůůrschrijvende levensbeschouwing evenzo onhaalbaar is. Waar een mens zoiets als zijn logica kan inzetten, is vooral tijdens het problematiseren. Dat zijn activiteiten ter voorbereiding van een existentiŽle beslissing. De beslissing zŤlf valt niet uitputtend te verklaren. Dit is overigens wat ik Abbagnano ook allemaal wel zie zeggen, maar hij doet er veel langer over. Het is alsof je met een paar woorden niet serieus genomen zal worden. Daarom groeit het verhaal en moet het vooral zgn. systematisch zijn. Mijn idee is dat systematische verhalen vaak onzin zijn. Aangezien een rationele conclusie nooit totale werking kan hebben, is het beter daarover kort te zijn. Een problematiserend verhaal kan daarentegen niet lang genoeg zijn. Want elke beslissing heeft een specifieke context. Volgens het existentialisme is dat ook nog eens een strikt individuele context, met alle bijzonderheden van dien. Daarvoor leent een systematische uiteenzettting zich dus niet. Het interessantst is een radicaal persoonlijk verhaal. Problematiserend, inderdaad. Als wetenschapper, of om welke redenen danook, durft Abbagnano het niet aan om in de eerste persoon te schrijven. De 'ik' in zijn boek blijft een derde persoon, en is dus nergens werkelijk existentieel. Het is een waarborg — trouwens karakteristiek voor de wetenschapper — om onbegrepen te blijven.

Met een simpele truc laat zich het dilemma van Abbagnano samenvatten. Dat lukt door de beide zelfstandige naamwoorden in zijn titel te verwisselen. Dan staat er: Konflikt der menschlichen Philosophie. Een bron van dergelijk conflict zie ik in de verhouding die mensen tussen werkelijkheid en taal aannemen. Voor filosoferende activiteiten, zeg ook maar voor de problematiserende voorbereidingen voor een beslissing, is het gevaarlijk te veronderstellen dat zoiets als een woord (lees ook: informatie) eenduidig verwijst naar zoiets als een object in de werkelijkheid. Zodra er sprake blijft van een woord als rechtsteekse vertegenwoodiger van een object, is het conflict tijdens filosoferen onontkoombaar. Tegelijk neemt de aandrang een universele conclusie te trekken toe. Ik begrijp best dat juist de Duitse taal — waarin het boek van Abbagnano oorspronkelijk verscheen — de noodzakelijk lossere verhouding tussen taal en werkelijkheid extra bemoeilijkt. Daar staan immers zelfstandige naamwoorden (nog) met als eerste letter een hoofdletter geschreven. Voor het zicht verkrijgen zij een aparte status. Ikzelf denk dat schrijver en lezer dan eerder geneigd zijn het woord als vertegenwoordiger van een ding te beschouwen. Het is juist mede het existentialisme dat leert dat bewerking met taal geen vervanging is van het handelen in de werkelijkheid. Een mens kan met informatie hoogstens simuleren. Nogmaals, dat is ter voorbereiding van een beslissing en de bijbehorende handelingen. Het conflict van het menselijk filosoferen escaleert zodra taal dat contact met de werkelijkheid verliest. En dit geldt voor elk aspect van het leven. Voor mijn eigen werk, bijvoorbeeld als ontwerper van informatievoorziening, betekent dit dat ik eerst en vooral mijn werkelijkheid zo ruim moet opvatten als nodig is. Dan blijkt dat er talloze andere mensen betrokken zijn bij de oude en de nieuwe informatievoorziening, alsmede bij de veranderingen om van het ene tot het andere te geraken. Ontwerpen betekent dan niet om mijn eigen idee plompverloren aan die betrokkenen mee te delen. De eis van contact met de werkelijkheid moet van meet af aan naar intensieve samenwerking vertaald zijn. Pas door samenwerking kan ik als ontwerper eigen ideeŽn kwijt. Wat de ontwerper echter vooral waarborgt, is dat alle betrokkenen hun reŽel stempel op het resultaat drukken.

 

Dit is de tweede aflevering in mijn lava-cyclus.
© 26 april 1995, webeditie 2001.