Architectuurprincipes

Pieter Wisse

Na een drukke dag wilde ik de mensen ontvluchten. “Even tot jezelf komen,” is de uitdrukking.1 Op mijn gevoel liep ik zomaar een stadspark in. Ook alle honden waren alweer uitgelaten. Afgezien van de opgehoopte stank, heerste weldadige rust.
Geluidloos trok daar plotseling een middelbare man mijn aandacht. Dat kwam omdat hij allesbehalve vrolijk, peinzend voorovergebogen op een bankje zat. Dronken was hij niet, althans niet opvallend, en liefdesverdriet toont ook anders. Zelfs in beroerd licht zie je van veraf of iemand tobt. Zijn overgewicht was hem zowat in zijn schoenen gemorst. Daar zat iemand met een zware zorg.
Zou hij mijn aarzeling gemerkt hebben? Ik probeerde mijn slanke tred voort te zetten. Weer wat dichterbij zag ik een verfrommelde krant naast hem liggen. Had een nieuwsbericht hem zo geschokt? De verre straatlantaarn scheen net genoeg dat ik de kop herkende: ‘Voor de klant is een IT’er een inwisselbare pion.’2

De man keek mij verstoord aan. Dat hij oogcontact zocht, vond ik niet vreemd. Op zoek naar een leesplek van waaruit ik de bron van zijn ontreddering kon opslaan, had ik me op het bankje vrijwel tegen hem aangevleid.
“Begrijpt u me alstublieft niet verkeerd,” opende ik ons gesprek. Als mijn blijk van goede wil schoof ik wat van hem vandaan. Is dat niet iets heel bijzonders, dat je vaak met een beetje meer afstand juist intimiteit schept?

De middelbare man was teruggezonken in zijn eigenste gezorg. Zo gemakkelijk liet hij zich niet met mijn troost raken.
Het kan een half uur geduurd hebben, toen onze blikken elkaar opnieuw ontmoetten. Het zullen er trouwens wel anderhalf geweest zijn, uren dan, want ik had inmiddels behoorlijk slaap gekregen. Met een trage draai van zijn nek keek de man naar mij omhoog. Ik bespeurde de wanhopige toenadering, kneep hard in mijn arm en pakte wakker de draad van het gesprek op: “Mag ik raden? Bent u soms it’er?”

“Ja, ik ben architect,” klonk diep zijn verzuchting. Zijn nek draaide terug, zodat hij weer naar de grond tussen zijn voeten keek, met onderarmen geleund op bovenbenen.

Mijn gevoel was meteen, “dat kan lang gaan duren.” Ik begreep domweg niet, waarom een architect neerslachtig raakt van zo’n bericht over it’ers. Van mannelijke it’ers begrijp ik dat trouwens best, waarom ze het niet leuk vinden. Er werken gewoon te weinig vrouwen in hun beroep. Saai.
De man maakte evenmin aanstalten opheldering te geven. Nam hij mij misschien in de maling? Had hij me daarvoor zitten opwachten? Nee, daarvoor was hij te intens droevig. Anders een gespleten persoonlijkheid? Ik waagde er een tip aan. Veel mensen stellen een welgemeend advies erg op prijs, mits je allereerst genoeg met hun ellende meegaat. Zeg maar, je geeft iemand zo de kans in het reine met zijn eigen aanstellerij te komen. Daarom zei ik op zalvende asperientjestoon: “Heeft u weleens therapie overwogen?”

“Dus u vindt ook al dat er iets met mijn identiteit niet klopt?”

Het leek niet het geschikte moment om de man snel gelijk te geven. Wel viel het me op dat identiteit bijna hetzelfde klinkt als intimiteit.

“Zo voelt het inderdaad,” nam de man mij verder in vertrouwen, “als een pion. Ze schuiven en ze schuiven maar met me. Steeds naar een volgende plek, waar ik dan weer het volgende klusje moet opknappen. Wat het extra frustrerend maakt, is dat het altijd op hùn manier moet. Dat is dus ook steeds anders. Nog erger, wat weten ze er nu helemaal van? Ik mis houvast. Je moet je vak toch vanuit principes uitvoeren?”

Ik had de man laten uitpraten. Eigenlijk vond ik dat hij het bestaan van een architect heel aardig beschreef. Op zijn idee van principes na, dan. “Is dat juist niet waarvoor een architect kiest, die afwisseling? Wat een schitterend vak heeft u toch! Trouwens, waarom trekt u zich het lot van it’ers zo aan? Ik laat er geen traan om. Eigen schuld!” Mijn nieuwsgierigheid was inmiddels onbedwingbaar.

“U begrijpt er ook niets van,” klaagde de man door de nacht, “ik ben it-architect!”

Er dreigde onherstelbare afstand, zodat ik maar niet antwoordde dat ik er nog nooit van gehoord had. “Oh natuurlijk,” klampte ik aan, “maar dàt is interessant!” Een leugentje om bestwil kan een architect niet vreemd zijn, dacht ik zo. “Interessant,” benadrukte ik, “it-architect. Waar heeft u dat gestudeerd? En wat leerde u daar allemaal?”

Het effect was averechts, want van gestegen droevigheid liet de man zijn hoofd nog verder zakken. “Ik ben er destijds zo’n beetje ingerold, in de it. Toen hier en daar en cursus. Na een tijdje kon ik al aan de slag bij een dienstverlener. Sinds enkele jaren verhuurt mijn baas me als architect aan klanten. Staat op mijn kaartje. Opgepoetst cv. Mooiere auto, beter salaris, altijd een pak aan, u kent het wel. Maar eigenlijk ben ik een uitzendkracht.”

Wat kunnen mensen toch verschillen! Hier zat iemand van middelbare leeftijd die materiële welstand boven stoutste verwachting geniet. Voorbij de paradox, want met zeker vooruitzicht op avontuur: een vaste baan met wisselende contacten. Alles zonder grote inspanning. “Zou ik met u mogen ruilen?” kietelde ik.

In hetzelfde donkere licht monsterde hij mijn uiterlijk. Dat overtuigde blijkbaar niet, want hij ging er niet op in. “Ik wil niet zomaar architect heten, maar er echt eentje zijn. Waar blijft erkenning?”

Omdat ik graag minstens een uurtje in mijn eigen bed naast mijn eigen vrouw wilde liggen voordat de nieuwe drukke dag begon, werd ik wat ongeduldiger. “Middelbare man,” sprak ik hem vermanend toe, “u zeurt.” Kijk, ik kan ver meegaan met iemand in verwend geklaag, maar zelfs ik trek ergens een grens. “Wilt u heus architect zijn? Ja?! Geen pion? U noemde eerder de behoefte aan principes. Neemt u maar van mij aan, dat u dat nèt verkeerd-om ziet.” Precies, ik was zijn geleuter beu.

De man was duidelijk niet gewend aan zulk scherp vertoon van mededogen. Ontroerd maande hij tot uitleg.

“Of u iets met it doet, of met spoorwegen of literatuur of met noem maar op, ja, ik dacht eerst dat u het met gebouwen deed, dat maakt qua principes natuurlijk niets uit. Vraagt u zich liever eens af, wat een principe in het dagelijks leven betekent. Dat is dus het leven dat een mens min of meer ongewijzigd voert. U en ik, wij doen dat voor het grootste gedeelte allemaal. Hebt u dat, dagelijks leven! Daarvoor is een principe dan, tja, een onwrikbare regel. Kan een wet zijn, een methode enzovoort. Zo’n principe is er dus op voorhand, en u houdt zich er vervolgens letterlijk gewoon aan. Dat is meestal reuze handig. Spaart tijd, levert voorspelbaar resultaat. Maar let op, u maakt echt een reuze vergissing, wanneer u óók als architect zo over principes denkt!”
Door mijn vondst raakte ikzelf ook bijna ontroerd. Het lukte me toch, terwijl ik de zin uitbarstte waarmee ik hem op zijn grove vergissing wees, de man nogeens verstrengd aan te kijken. Bluf om bestwil hoort er soms ook bij. De man opende zich via schaamte voor wijsheid.
“Een architect,” orakelde ik slapeloos enthousiast, “is een gewoon mens in een ongewone situatie. Luister goed, man, òngewoon. Kenmerkend daarvoor is dat gewoontegetrouw gedrag niet langer past. Als u me de woordspeling veroorlooft, er zijn dan principieel andere principes nodig.”
Ik merkte dat mijn dubbele bodem nog niet aan hem besteed was. Ik schakelde terug naar wat geduld. Het moest opnieuw langdradiger. “Om wat voor redenen dan ook kan een mens ontevreden zijn met een situatie. Zo ontevreden, dat het maar eens moet veranderen. Bijvoorbeeld, iemand regent voortdurend nat, maar blijft liever droog. Dat probleem kan je niet altijd zelf oplossen. Dus ga je hulp zoeken om zo’n òngewone situatie te veranderen. Eigenlijk totdat er weer een gewone situatie intreedt, maar wèl anders. Zonder dat probleem. Heerlijk droog-zijn in plaats van plakkerig en koud nat-zijn. Je moet natuurlijk wel kunnen betalen. Ik bedoel, voor die hulp. En nat-zijn,” nuanceerde ik, “is soms ook wel fijn.”
Ik pauzeerde even. Kwam het voorbeeld over? “Wat doet de architect eraan?” De man spande zijn aandacht, zodat ik na een tweede pauze vervolgde: “In een hele stoet van allerlei betaalde hulpverleners is het de architect, ik herhaal, de architect die zich bekommert om de nieuwe principes. Zij of hij ontwerpt primair het droog-zijn-gedràg. De architect vormt als het ware dat gedrag via voorzieningen. Met een waterdicht dak, bijvoorbeeld. Zo beschouwd is zo’n dak slechts secundair. Het is natuurlijk wel onmisbaar. Want zonder een dak kan iemand zich op een droog-zijn manier gaan gedragen wat hij wil, maar dat lukt niet. Als het dan regent, word je toch gewoon weer kletsnat.”
De man knikte levendig van ontdekking. Ik mikte op afronding: “Zodra die andere principes annex voorzieningen eenmaal gevestigd zijn, is er voor wie nu-niet-meer-nat-wordt weer sprake van gedrag van alledag. De nieuwe situatie werkt. De ene opgave van de architect zit er dan weer op. Als het goed is, krijgt zij of hij een andere opgave, enzovoort. Zoals ik al zei, geweldig interessant hoor!”

De man was rechtop gaan zitten, straalde van verrukking. “Ongelofelijk, u heeft gelijk. Hoe kan ik u ooit bedanken? Sinds jaren zoek ik naar architectuurprincipes. Naar regels om toe te passen. Het recept. Ik moest wel diep gefrustreerd raken. Want de architect heeft geen principes om vanuit te vertrekken. Ik moet er juist mee áánkomen! Iedere keer weer.”

“Middelbare man, ik ben trots op u,” spoorde ik hem aan.

“Als er al architectuurprincipes zijn,” oefende hij, “vormen ze géén startpunt voor de architect. Principes, en dan zijn het nieuwe principes voor een nieuwe situatie, zijn daarentegen het resultáát van wat de architect karakteristiek bijdraagt. Nee, de architect moet nooit gaan zoeken naar principes. Wat zij of hij eventueel vindt is per definitie òngeschikt, omdat juist situatie en gedrag niet meer sporen. De architect ontwèrpt principes.” Er schoof toch een wolkje voor zijn verhelderde oogopslag. “Maar als architect begin ik toch nooit met blanke lei aan een nieuwe opgave?”

De les was bijna over. Ik haalde een favoriet aforisme uit de kast: “Een ei van Columbus is nooit een lege dop.”3

“Dus,” struikelde de blije man bijna over zijn woorden, “hoe voller de architect, des te leger de ruimte is voor de nieuwe situatie. Kortom, des te groter het potentieel.”

“Ja,” kaatste ik zijn term, “noem het voor uw werk gerust informatieruimte.”

Hij was niet meer te stoppen. “Ik dacht altijd dat er leegte in mijzelf was. Dat voelde eenzaam. Stom! Voor de architect bestaat de leegte, zeg, buiten. Daar heb ik alle informatieruimte, zoveel ik wens. Dat zie ik nu inderdaad als de kans om mijn eigen binnenste ‘ei’ kwijt te kunnen.”

Moest ik de man ook nog vertellen dat hij weliswaar het principe van de constructieve ontwerphouding al aardig doorhad, maar als praktiserend architect waarschijnlijk nog onvoldoende inhoud had? Dat zijn baas hem zelfs uitgesproken hindert door hem als architect te verhuren voor werk dat, ik zei het maar duidelijk, helemaal niets wegheeft van architectuur? Ja, dat deed ik en hij groeide ervan. Hij begreep nu dat eigenlijk niemand ooit compleet architect is. Je kunt het alleen maar proberen te worden. Dat is spannend genoeg. Daardoor bevredigend. Ook begreep de man eindelijk dat de ruimte niet het eigendom is van de architect. De architect is steeds te gast in de oorspronkelijke situatie van de opdrachtgever. Als iemand zich verdeeld voelt, is dat toch vooral de opdrachtgever die wankelt tussen behoud en verandering. De relatie tussen opdrachtgever en architect kan gespannen raken, zodra de architect de behoudende trek in de opdrachtgever niet serieus neemt. Naar de aard van zijn opgave, krijgt de architect via erkenning van de bestaande pas ruimte voor het ontwerp van nieuwe principes. Tenslotte zag de middelbare man in, hoe verwarrend het uitpakt voor het maatschappelijk verkeer indien dienstverleners die vanuit vertrekprincipes werken zich desondanks architect noemen. Met hun beroep op de onvermijdelijke, want deels noodzakelijke behoudzucht van opdrachtgevers blokkeren zij verandering als er een keertje werkelijk behoefte aan aankomstprincipes, aan een nieuwe situatie dus, bestaat.

In zijn bedenktijd had de man de opkomende zon gevolgd. Nu keek hij mijn kant op. “Waarom, als ik u eens iets persoonlijks vragen mag,” sprak hij verkwikt, “bent u eigenlijk geen architect?”

Ik hoorde hem nog slechts vanuit de verte. Want toen ik zag dat hij zijn angst afgeschud had om zoals iedereen een pion onder pionnen te zijn, was ik opgestaan. Wie weet kan de man verantwoord als architect gaan werken. Waarom niet als architect voor informatieruimte? Hij doet maar. Van zijn waanidee over principes is hij tenminste verlost.
De zon stond alweer hoger. Mijn bed kon ik vergeten. Maar opgewekt wist ik, waarom ik mijzelf géén architect noem.4

 

 

1. Voor de opzet van dit artikel ben ik geïnspireerd door P. Haenen met zijn bundel Kent u die uitdrukking? De beste preken van Dominee Gremdaat (Podium, 1997).
2. Artikel over een 21minuten-onderzoek naar werktevredenheid, in: NRC Handelsblad, 25 april 2005, p. 11.
3. P.E. Wisse, Aspecten en Fasen (Information Dynamics, 1991, p. 50).
4. P.E. Wisse, Nieuw! De informatietherapeut (2003, in: www.wisse.cc, zie publications/columns).

 

 

Dr ir P.E. Wisse is informatiekundig ontwerper en directeur van Information Dynamics te Voorburg.

 

 

29 april 2005, webeditie 2005 © Pieter Wisse